Op verzoek van het Nederlands Dagblad schreef ik op 11 januari 2017 een gastcolumn, waarvan ik hier een uitgebreidere versie publiceer. Ik nam de gelegenheid te baat een aloud begrip af te stoffen dat ten tijde van ‘het reëel bestaande socialisme’ (1917-1991) nogal in zwang was: nuttige idioten. Dat zijn lieden die gemakzuchtig en hooghartig de feilen van de eigen, open samenleving aanwijzen en die even gemakzuchtig sympathiseren met stromingen waar op zijn minst kritische kanttekeningen bij geplaatst mogen worden. Dat nuttige idioten nog steeds bestaan, bewijzen de jonge theologen Janneke Stegeman en Alain Verheij, die in hun ‘Manifest voor een christendom zonder moslimhaat’ hun eigen geloofsgenoten hovaardig toespreken en precies weten hoe hun medechristenen zich tegenover de islam moeten opstellen, als zijn zij ouderwetse gereformeerde dominees met een precieze kennis van hemel en hel. Het duo begrijpt niet dat die veronderstelde ‘moslimhaat’ niet voortkomt uit agressie maar uit angst voor en bezorgdheid over de geestelijke dwang en de (vaak letterlijk) moordende onverdraagzaamheid waarvan de islam maar niet los kan komen.
Het is iets dat je niet snel zegt: dat het een voorrecht kan zijn met iemand bevriend te zijn geweest. Maar nu, nu haar hart na 102 jaar heeft opgehouden te kloppen, moet het wel gezegd: het was een voorrecht bevriend te zijn geweest met Hebe Kohlbrugge, de vrouw die al snel na de Duitse inval in 1940 in verzet kwam tegen het nationaalsocialisme. Na de Tweede Wereldoorlog had ze een even scherp oog voor het onrecht dat onder de versluierende term het ‘reëel bestaande socialisme’ heerste in Oost-Europa. In de laatste jaren van haar lange en rijke leven oordeelde ze kritisch over totalitaire tendensen in de islam. Ik ben geen theoloog en nooit via haar uitgezonden naar Oost-Europa om het gesloten Oostblok kennis te laten maken met het christendom. En toch was er een sterke band tussen ons, die bepaald werd door een passie voor Oost-Europa, kennis van het protestantisme en niet te vergeten door een kritische kijk op de gemakzuchtige vergoelijking van zowel het communisme als de islam door verscheidene linkse theologen.
Op vrijdagmiddag 11 november hield ik in Kampen een kort betoog dat diende als repliek op de lezing die Gerard den Hertog (hoogleraar systematische theologie aan de Theologische Universiteit Apeldoorn) had gehouden over de toekomst van de gereformeerde gezindte, die hij fraai als een ‘onbestaanbare verlegenheid’ omschreef. Ik betoogde in mijn hier afgedrukte antwoord dat de gereformeerde gezindte in verlegenheid is geraakt door het optreden van theologen die elkaar decennia lang de tent uitvochten en kerken lieten scheuren omdat ze wel even zouden uitmaken welke koers hun kerk zou moeten varen.
Begin vorig jaar verscheen Nooit op de knieën. Marcus Bakker (1923-2009). Communist en parlementariër, geschreven door voormalig (?) communist Leo Molenaar, die eerder een biografie van de linkse sterrenkundige Marcel Minnaert schreef. Ik las het boek met grote belangstelling en toenemend onbehagen. Hoe kan het dat deze eerlijke en gewetensvolle biograaf, die zoveel nauwkeurig onderzoek heeft verricht, zo’n matig boek schreef? Omdat hij een te grote sympathie koestert voor zijn partijgenoot en hem teveel vergeeft. Bakker zou aan het eind van zijn leven zijn teruggekeerd naar de morele twijfel van zijn jonge jaren. Maar van die twijfel was niets te merken in zijn CPN-tijd, toen Bakker nauwelijks oog had voor de fundamentele misdadigheid van het Sovjet-communisme, terwijl de bewijzen destijds toch ook al hoog opgestapeld lagen. En dat blijft onvergeeflijk.
Dankzij Pieter Geyl ‘verbleef’ ik dezer dagen enige tijd in de achttiende-eeuwse Republiek. Geyl is een typisch politiek historicus, die zich vooral in de maatschappelijke onrust verdiepte die uiteindelijk zou leiden tot de verdrijving van Willem V en de vestiging van de Bataafse Republiek. Cultuur en vooral godsdienst waren minder zijn fort, al meed hij die onderwerpen in zijn Geschiedenis van de Nederlandse stam beslist niet. Maar de wonderlijke mengeling van (kerk)politiek, vroomheid en Verlichting werd ver na zijn dood het onderwerp van specialisten als Jan Wim Buisman en Ernestine van der Wall. Van de laatste las ik onlangs een heel aardig, beknopt geschrift dat al in 2000 werd gepubliceerd.
Ernst Nolte, die op 18 augustus 2016 op 93-jarige leeftijd stierf, was een historicus die de grote greep niet schuwde. En hij was in de keurige Duitse academische wereld een buitenbeentje, om niet te zeggen een raddraaier die zich steeds meer verzette tegen wat hij voelde als het keurslijf waarin de Bondsrepubliek Duitsland was vastgesnoerd door de massamoord op de Joden uniek te verklaren. Zijn verlangen uit te breken uit de Duitse consensus over het meest beladen onderwerp in de Duitse geschiedenis leidde ertoe dat hij in een intellectueel isolement kwam. Tot ontsteltenis van zijn aanvankelijke bewonderaars was de van huis rooms-katholieke historicus sterker gekant tegen het communisme dan tegen het ‘radicaalfascisme’, zoals hij het nationaalsocialisme omschreef. Wat bewoog deze gecompliceerde en juist daardoor interessante historicus?
Onlangs las ik De stamhouder. Een familiekroniek van Alexander Münninghoff, dat in 2014 verscheen en bekroond werd met een grote prijs. Ik heb enkele malen genoeglijk met Münninghoff voor de microfoon gezeten van OVT, het historisch radioprogramma van de VPRO. Daar viel hij niet alleen op door zijn aimabele persoonlijkheid maar ook door zijn gesproken columns, die briljant genoemd mogen worden. Van zijn zacht gezegd turbulente jeugdjaren vermoedde ik niets. Münninghoff heeft die jeugdjaren nu prijsgegeven aan een groot publiek. Met De stamhouder schreef hij een adembenemende autobiografie die tevens een literair meesterwerk mag heten. Maar het is goed dat hij er de Librisgeschiedenisprijs voor kreeg, want het boek laat eerst en vooral zien welke invloed de extreme eerste helft van de twintigste eeuw op een Nederlandse familie kon uitoefenen.
Niet velen zullen de grote werken van historicus Pieter Geyl nog lezen. Dat is voorstelbaar: Geyls grote werken staan boordevol details en gaan niet zelden over lang uitgesponnen dynastieke kwesties en bevatten uitgebreide beschouwingen over de binnen- en buitenlandse politiek van de Republiek in de 17e en 18e eeuw. Ze zullen de huidige lezer, sinds de komst van internet gewend aan beknopte artikelen, mogelijk vermoeien. Mij vergaat het anders: steeds als ik Geyl lees krijg ik een goed humeur. Waardoor? Door de voortdurende en krachtige oordelen van Geyl over zijn hoofdpersonen. Zo verging het mij wederom bij het lezen van Willem IV en Engeland, een diplomatieke studie over de Nederlands-Engelse betrekkingen in de eerste helft van de 18e eeuw.