Johan Huizinga een baken van hoop voor deze tijd? Beatrice de Graaf en de orthodox-protestantse toe-eigening van Nederlands beroemdste historicus

Enige tijd terug had ik een korte, onbevredigende discussie met historica Beatrice de Graaf op het sociale medium Bluesky over haar optreden in het radioprogramma OVT (zondagochtend 20 juli), waar zij sprak over de historicus Johan Huizinga. De aanleiding tot dat gesprek was haar in 2024 uitgesproken Huizinga-lezing, getiteld Wij zijn de tijden. Geschiedenis in crisistijd. In die radio-uitzending ging zij in op de (christelijke) ‘grondhouding’ van Huizinga en somde ze een reeks van critici op die Huizinga’s In de schaduwen van morgen. Een diagnose van het geestelijk lijden van onzen tijd (1935) hadden bekritiseerd, zonder echt dieper in te gaan op de kritiek. Ze raadde me aan haar (geannoteerde) Huizinga-lezing te lezen. Dat deed ik en ik werd getroffen door de overeenkomsten en verschillen tussen De Graaf en andere betrekkelijk recente orthodox-protestantse beschouwers van Huizinga. De Graaf ziet in Huizinga een gids die momenteel troost en uitzicht kan bieden, nu we weer leven in ‘crisistijd’. Een overzicht van de recente orthodox-protestantse betrokkenheid op – en de toe-eigening van Johan Huizinga.

De orthodox-protestantse voorliefde voor Johan Huizinga heeft niet in de eerste plaats met de historicus Huizinga te maken, maar vooral met de gelovige christen Huizinga. Er is weleens – notabene door zoon Leonhard Huizinga (1906-1980, foto) – aan getwijfeld, maar dat Johan Huizinga diep religieuze gedachten (naar een boektitel[i] van zijn vriend, de remonstrantse theoloog G.J. Heering, 1879-1955) koesterde, is inmiddels overtuigend aangetoond. In 2016 bezorgde Huizinga-kenner Anton van der Lem een heruitgave van Huizinga’s wording als historicus en hij voegde er gebeden aan toe die Huizinga tijdens de Tweede Wereldoorlog schreef en die door zijn weduwe Auguste Huizinga-Schölvinck waren uitgetikt en vermenigvuldigd.[ii]

Tussen 12 oktober en 11 november 1944 schreef Huizinga dertien gebeden die alle de aanhef ‘Almachtige God’ hadden en in die donkere oorlogsdagen God aanriepen, een enkele keer smeekten en soms (zo op 22 oktober 1944) een verzuchting uitspraken: ‘Mochten de menschen toch altijd kunnen leven in de sfeer van Uwe zaligsprekingen’.[iii] Dat Heering Huizinga’s religieuze besef duidde, stuitte als gezegd op verzet van zoon Leonard: ‘Zijn innig contact met zijn vriend professor Heering, wiens voldragen catechisatielessen mij op iets later leeftijd niet vermochten iets van mijn kindergeloof terug te geven, bewijzen wel, dat hij bleef zoeken en vragen. Is hij daarmee gekomen tot wat men noemt “een positief Christelijke levenshouding?” Ik geloof het niet.’[iv] De tussenzin liet zien dat zoon Leonard zelf niet ontvankelijk was voor godsdienst en mogelijk heeft hij gewenst dat ook zijn vader minder religieus was dan Heering hem voorstelde.

Toch is dit pleit wel beslecht: Huizinga was een diep religieus mens, al omschreef hij zichzelf als een ‘zeer gebrekkig christen’ en bezocht hij niet wekelijks een kerk. Met die zelfkarakterisering nam de christelijke historicus Ewald Mackay (1964) geen genoegen. In een uitgebreid opstel in het tijdschrift Transparant, een uitgave van de Vereniging van Christen-Historici, betoogde hij dat ‘de zeer gebrekkige christen’ Huizinga door ‘de vaste melodie van het geloof en de liefde’ werd ‘overstemd’.[v] Mackay en verscheidene andere medewerkers van de Vereniging van Christen-Historici  was er veel aan gelegen Huizinga tot een van hen te maken.

Een andere redacteur, Ton van der Schans, schreef in datzelfde jaar (1995) een uitgebreid overzichtsartikel, waarin hij (destijds) nieuwe boeken van de (emeritus) hoogleraren H.W. von der Dunk (1928-2018) (Universiteit Utrecht) en E.H. Kossmann (1922-2003) (Universiteit Groningen) tot uitgangspunt nam voor een beschouwing over de betekenis van Johan Huizinga. [vi] Hij prees de boeken van beide hoogleraren (respectievelijk Twee buren, twee culturen en Vergankelijkheid en continuïteit) maar schrok van het kritische oordeel van Kossmann over Huizinga’s In de schaduwen van morgen. In een uitgebreid portret in een bundel over erflaters van de twintigste eeuw uit 1991 had Kossmann (foto) een waarderend portret over Huizinga geschreven.[vii] Ook voor In de schaduwen van morgen had hij enkele goede woorden over om toch tot de slotsom te komen dat In de schaduwen van morgen ‘geen goed boek’ is:

‘Het is impressionistisch, enigszins vormloos en, hoe fraai soms ook geformuleerd, niet indrukwekkend gestileerd. Hele pagina’s worden ontsierd door het extatische gebruik van uitroeptekens, alsof de auteur zijn afkeer slechts op deze ietwat ongestructureerde manier kan uitdrukken. Het hele betoog wordt – en dat is een tweede bezwaar – door generalisaties bijeengehouden’.[viii]

Volgens Kossmann had Huizinga eenvoudig aangenomen dat de jaren ’30 waarin hij leefde beheerst werden door crisis maar toonde hij die crisis niet aan. Geschonden wereld. Een beschouwing over de kansen op herstel van onze beschaving, dat Huizinga tijdens de oorlog schreef en dat na de oorlog pas werd gepubliceerd, werd door Kossmann als een beter boek beschouwd. Hij onderkende Huizinga’s devotie maar voegde eraan toe dat de historicus ‘geen enkele verwantschap (heeft) met de calvinistische gedachte dat het zeventiende-eeuwse Nederland door God tot het tweede Israël was uitverkoren. Huizinga stond volkomen buiten de calvinistische traditie. Het calvinisme komt in zijn boekje nauwelijks voor.’[ix]

Dat oordeel was aan de gereformeerde historicus A. Th. van Deursen (1931-2011, foto) niet besteed. Hij sprak op 9 december 1994 in de Leidse Pieterskerk de 23ste Huizinga-lezing uit en zorgde voor opschudding door Huizinga’s eigentijdse cultuurkritiek te vergelijken met die van de tot christen bekeerde Joodse dichter Isaäc da Costa. Die had in 1823 zijn geruchtmakende brochure Bezwaren tegen den geest der Eeuw een tirade gehouden tegen de autonome mens en diens hang naar democratie en naar besluiten met meerderheid van stemmen. De ‘wufte menigte’ kon men geen vertrouwen schenken.[x] En hoewel Van Deursen oordeelde dat het betoog van Da Costa niet sterk was, meende hij toch dat Huizinga hem zeer nabij kwam.[xi]

Huizinga zou dan wel, anders dan Da Costa (afbeelding), dicht bij de mensen staan die in de negentiende eeuw rede en moraal nog met elkaar verbonden, in de twintigste eeuw zag Huizinga schaduwen boven het Avondland samentrekken en begon hij de eigentijdse cultuur te bekritiseren. Maar waar Da Costa zijn goede naam had verspeeld met zijn Bezwaren, daar zou Huizinga zijn roem slechts vergroot hebben met In de schaduwen van morgen, aldus Van Deursen. Maar dat nam niet weg dat Da Costa en Huizinga beiden aanhangers zouden zijn van het ‘hogere ideaal, de onmiskenbare basis van alle ethiek.’ Immers, aldus Van Deursen, ook Huizinga moest niets hebben van ‘de meeste stemmen gelden’. Hij sloot zijn lezing af met de provocatieve zin: ‘Wie Da Costa hier afwijst als erflater van onze beschaving, zal ook Huizinga moeten prijsgeven.’[xii]

De provocatieve toe-eigening slaagde: Maarten Brands (1933-2018, foto), hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, schreef een boze repliek waarin hij Huizinga in bescherming nam tegen ‘absolutist’ Van Deursen en diens ‘groteske’ vergelijking tussen Huizinga en Da Costa: ‘Het is een vrome vloek in het liberale gezicht van Huizinga.’ Volgens Brands hield Huizinga ‘noch van dogmatisme, orthodoxie, geloofs- of bekeringsijver met de daarbij behorende ketterjagerij, noch van een ‘alles moet kunnen’ -neptolerantie. Voor de gereformeerde paneelzagers, de onredelijke preciezen had hij, voorzover ik weet, geen grote waardering, evenmin voor diegenen die weinig respect toonden voor wat hij als traditionele waarden beschouwde.’[xiii] Brands had beslist een punt: de toe-eigening van Van Deursen was grotesk, zoals deze niet zelden vileine gereformeerde historicus ook heel goed wist. Want Huizinga was dan beslist een religieus man, als beschaafd en weldenkend gelovige stond hij ver af van de steile bekeerling Da Costa.

Van Deursen antwoordde een week later. Hij betoogde dat Erasmus en Calvijn (volgens Brands zeer uiteenlopende figuren) tenminste de christelijke moraal gemeen hadden en datzelfde kon gezegd worden van Da Costa en Huizinga. Die overeenkomst achtte hij de kern van de zaak, alle verschillen tussen hen ten spijt.[xiv] Van Deursens repliek is vooral blijven hangen door één zin in zijn betoog: ‘De laatste jaren heb ik weinig gelegenheid gevonden de publicaties van collega Brands te volgen’ – een even briljante als laaghartige steek onder water, omdat van Brands bekend was dat hij niet bijzonder veel publiceerde. Hugo Brandt Corstius (foto), die een hekel aan Brands had omdat hij bevriend was met de eens door hem aanbeden columniste Renate Rubinstein, noemde de zin de geestigste van het jaar. Dat Brands gelijk had met zijn kritiek op deze toe-eigening van Huizinga door de steil gereformeerde Van Deursen sneeuwde onder in de ontstane hilariteit – zo ging dat al in het pre-internettijdperk.

Huizinga liet de orthodox-protestanten niet los. Hier was een wereldbefaamd historicus die duidelijk godsdienstig was, zo anders dan andere groten in het vak, zoals Pieter Geyl (1887-1966) en Jan Romein (1893-1962), laat staan de generatie na hen, zoals genoemde Kossmann en Von der Dunk. Zeker, orthodox-protestanten hadden ook een historicus als heraut: Groen van Prinsterer (1801-1876). Veel gereformeerde (kerk) historici zagen in hem een lichtend voorbeeld, al schreef de gereformeerde historicus H. Smitskamp (1907-1970, foto), tussen 1947 en 1970 hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam, al rond de Tweede Wereldoorlog bepaald niet onkritisch over deze geestverwant, vooral over Groens neiging tot het aanwijzen van ‘Gods hand’ in de geschiedenis [xv]

Ook andere geestverwanten toonden zich wat verlegen met Groens theologische duidingen in de geschiedenis. Maar na de massieve kritiek van Pieter Geyl, die Groens betekenis als historicus betwistte[xvi], werd Groen van Prinsterer (afbeelding) steeds meer door hen verdedigd.[xvii] Buiten eigen protestantse kring maakte de historicus Groen echter niet veel indruk, al komt daar mogelijk verandering met een nieuwe biografie van de hand van Gertjan Schutte, die recent alvast een veelbelovend visitekaartje afgaf met een mooi artikel over Groen als polemisch en activistisch aanvoerder van zijn orthodox-protestantse netwerk.[xviii] In een interview met historicus en journalist Willem Bouwman gaf hij hoger op van de politicus dan van de historicus Groen van Prinsterer.[xix] Ook met andere orthodox-protestantse helden als de theologen Klaas Schilder (1890-1952) en A.A. van Ruler (1908-1970) kon aan het einde van de twintigste eeuw niet (meer) worden aangekomen, laat staan in dit nieuwe millennium. Hun verzamelde werken zijn hooguit interessant voor ingewijden. Nee, dan Huizinga, een naam waarmee je je als positief ingesteld orthodox christen kunt vertonen.

Toch sloten niet alle calvinisten hun ogen voor de bedenkelijke kanten van het cultuurpessimisme in In de schaduwen van morgen. Een bewonderaar als George Harinck (1958), hoogleraar neocalvinisme aan de Vrije Universiteit Amsterdam (en tegenwoordig aan de Theologische Universiteit Utrecht, de opvolger van de gereformeerd-vrijgemaakte Theologische Universiteit Kampen) voorzag een heruitgave van In de schaduwen van morgen in 2007 van een gedegen inleiding, waarin hij iets deed wat zijn geestverwant Van Deursen had nagelaten: hij trachtte Huizinga te duiden vanuit de liberale vrijzinnigheid die leefde in het Leidse professorenmilieu in het Interbellum. Vrijzinnigheid dient hier niet te worden opgevat als vrij van geloof, integendeel. Harinck, onder meer leunend op destijds verschenen werk van de (kerk)historicus Niels van Driel[xx], zag Huizinga ‘hinken op twee gedachten’: enerzijds de cultuurpessimist, anderzijds de man die meende dat ‘het jonge geslacht’ de wereld diende te doordringen van ‘geest’.

Hoe nauwgezet en met hoeveel impliciete instemming Harinck In de schaduwen van morgen ook volgt en uitlegt – hij houdt halt bij het doorgeslagen cultuurpessimisme en meent dat zeker vijf hoofdstukken beter ongeschreven hadden kunnen blijven: die waarin Huizinga onbeteugeld tekeer gaat tegen ’s werelds ‘puberteit’, ‘ontlezing’, ‘bijgeloof’, ‘de esthetische expressie in haar verwijdering van rede en natuur’ en ’stijlverlies en irrationalisering’. Terecht beschouwt Harinck Huizinga (foto) niet als iemand die de democratie zocht. Integendeel, alleen het ‘ontwikkelde individu’ zou waarden kunnen verdedigen, de democratie zelf kon dat niet. Hij concludeert overtuigend dat ‘Huizinga in dit persoonlijke boek met zijn uitgesproken veroordeling van de moderne cultuur te apodictisch is geweest en vooral zijn eigen onbehagen met de ontwikkeling van zijn tijd en – voeg ik daar aan toe – van zijn geestelijk milieu aan de dag heeft gelegd.’[xxi]

In de schaduwen van morgen mag dan een diagnose willen geven van het geestelijk lijden van ‘onzen tijd’ – tot zijn tijdgenoten hield de professor distantie, signaleert Harinck. De vele analyses van fascisme, nationaalsocialisme en communisme negeerde hij grotendeels om uit te komen bij kerkvader Augustinus (354-430). ‘Tijdgenoten werden veelal afgewezen als mensen van kwade wil’.[xxii] Klinkt hier kritiek door op de bewonderde Huizinga? In elk geval toonde de gereformeerde Harinck zich met deze historisch-kritische inleiding een echt historicus die zijn bronnen kende en evenwichtig schreef over In de schaduwen van morgen, zo anders dan provocateur Van Deursen die de Huizinga-lezing aangreep om niet voor het eerst zijn afkeer van zijn eigen tijd te belijden.

Anders dan Van Deursen lijkt Harinck, hoewel ook hij Huizinga als christen waardeerde, de historicus niet zomaar in te willen zetten als moreel baken voor de huidige tijd. Bij Beatrice de Graaf (1976), hoogleraar Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen aan de Universiteit Utrecht, ligt dit een slag anders. Ze is afkerig van Van Deursens Huizingalezing, zo merkte ze op in een interview: ‘Hij hield een heel deprimerend verhaal: Huizinga had het goed gezien, alles gaat ten onder, het wordt nooit meer wat, deze beschaving is niet meer te redden. Een vreselijke lezing waarvan mensen schrokken.’[xxiii] Terwijl Van Deursen de hem welbekende mantel van boeteprediker aantrok, wil Beatrice de Graaf hoop bieden, zoals ze in het interview opmerkte.

Maar is Huizinga de aangewezen leidsman voor die hoop? In de Huizinga-lezing die ze op 12 december vorig jaar uitsprak onder de titel Wij zijn de tijden. Geschiedenis in crisistijd, ziet ze in de historicus een voorbeeld: zoals hij leefde en dacht in crisisjaren, zo kan hij een eeuw later nog altijd tot inspiratie dienen. Ze noemt zijdelings enkele critici (Pieter Geyl [foto], Willem Frederik Hermans, H.L. Wesseling) en laat anderen (Jacques de Kadt, E.H. Kossmann) ongenoemd en serieus wegen doet ze de kritiek niet. Integendeel, ze concentreert zich, met een dure term, op Huizinga’s ‘moreel epistemische grondhouding’[xxiv] en vergelijkt zijn houding met die van kerkvader Augustinus.

Augustinus preekte weliswaar de ondergang maar zijn Godsgeloof gaf hem liefde voor de wereld in. ‘Als God die wereld nog niet aan de ondergang prijsgeeft, dan mogen wij dat zeker ook nog niet doen’, meent De Graaf.[xxv] Tweeduizend jaar na Augustinus zou Huizinga dat ook niet doen. De Graaf beklemtoont dat hij geen cultuurpessimist was zoals Oswald Spengler (1880-1936, foto), over wiens werk Huizinga kritisch oordeelde.[xxvi] Integendeel, ze stelt Huizinga voor als de anti-Spengler en schrijft: ‘Maar anders dan bij Spengler – en net als bij Augustinus – spat bij Huizinga de liefde voor de feiten, de mensen, de verhalen van de pagina’s.’[xxvii]

De liefde voor de mensen zou van de pagina’s spatten? Daar is Huizinga nu juist niet op te betrappen in In de schaduwen van morgen. Onze professor klaagde wat af over ‘de menschheid’ van zijn dagen. Die ‘menschheid’ zou in een puberale fase verkeren en dat zag Huizinga onder meer terug in de sport ‘met de overmatige beteekenis, die het sportnieuws in de dagbladen en sportbladen voor velen als geestelijk voedsel gaat innemen.’[xxviii] Er spreekt een algehele minachting uit het boek voor de (ongedefinieerde) ‘massa’: ‘De massa bevindt zich uiterst wel bij een staat van half vrijwillige verdwazing. Het is een toestand, die door de verslapping van de remmen eener moreele overtuiging ieder oogenblik hoogst gevaarlijk kan worden.’[xxix]

En wat te denken van Huizinga’s omschrijving van bijgeloof? Het gaat hem niet in de eerste plaats om een pseudowetenschap als astrologie maar om ‘de meest verbreide en allernoodlottigste vorm van modern bijgeloof.’ Die zag hij liggen ‘binnen de sfeer van zuiver rationeel denken en van vertrouwen in echte wetenschap en techniek.’ En hij verwijst dan naar de Eerste Wereldoorlog waarin de strijdende partijen hun bewapening trachtten uit te breiden en te perfectioneren. Natuurlijk in de hoop die ‘uiterste prestaties van wetenschap en techniek’ niet te hoeven gebruiken.[xxx] Allemaal uitspraken van een boeteprofeet aan de zijlijn. Kan Huizinga ‘troost’ bieden en heeft de cultuurcriticus ons op dit punt nu nog iets te zeggen met deze platitudes? Denk eens aan de agressieve oorlog van Rusland tegen Oekraïne nu: is het bijgeloof dat Oekraïners hopen op steeds betere wapens om de agressie van Poetins Rusland te weerstaan?

Het is allemaal hoogverheven wat Huizinga te zeggen heeft: tegen allerlei destijds moderne uitingen: moderne schilderkunst, bioscoopbezoek en wat al niet meer. En dat allemaal op basis van dit tweeledige uitgangspunt: cultuur vereist ‘een zeker evenwicht van geestelijke en stoffelijke waarden.’ En daarnaast: ‘alle cultuur houdt een streven in.’ Dat dient gericht te zijn op een ideaal dat meer is dan een individu, op een ‘ideaal der gemeenschap’. Een even hoogdravende als beperkte omschrijving van cultuur. In deze opvatting zou het werk van zijn tijdgenoot Louis Ferdinand Céline (1894-1961, foto) geen cultuur genoemd mogen worden. Hij publiceerde in 1932 Reis naar het einde van de nacht en vier jaar later Dood op krediet, geen boeken waarin ‘een zeker evenwicht tussen geestelijke en stoffelijke waarden’ uitsprak, veeleer een zwartgallige maar ook vitale kijk op het menselijk (over)leven.

Huizinga was al dood toen zijn (latere) criticus Willem Frederik Hermans (1921-1995, foto)[xxxi] debuteerde met literatuur waarin geen hoogverheven mensbeeld doorklonk. Integendeel, de mens hield zich in Hermans’ universum slechts staande, het begrip ‘menselijke waardigheid’ (de term van zijn bête noire Menno ter Braak) zei hem helemaal niets. Daar kun je zo gedachten over hebben, maar droeg Hermans niet bij aan de cultuur en deed ook diens held Céline dat niet? Huizinga zou vast zijn neus opgetrokken voor hen hebben opgetrokken als hij hun werk gekend had (er is geen aanwijzing dat hij het werk van Céline las), nu het ‘evenwicht tussen geestelijke en stoffelijke waarden’ daarin afwezig was.

Ook vallen vraagtekens te plaatsen bij Huizinga’s ‘presentisme’, zijn nadruk op de crisis in zijn eigen tijd, toen hij In de schaduwen van morgen schreef.[xxxii] De ‘cultuurcrisis’ van zijn tijd vergelijkend met vroegere crises merkte hij op dat ‘de grondslagen der samenleving’ rond 1500 en rond 1800 minder geschokt waren dan ‘thans’, de jaren dertig. Hij doelt dan op de strijd tussen Rome en Reformatie en op de Franse Revolutie en haar gevolgen. En het argument is dan: ‘van een principieele en beredeneerde aantasting der christelijke zedeleer is in de zestiende eeuw (behoudens fantastische uitspattingen) nog niet, en omstreeks 1800 nog nauwelijks sprake.’[xxxiii] Dus het beslissende argument is dan dat het christendom nog algemeen aanvaard was en de grondslag van de samenleving niet geschokt zou zijn.

Een waarlijk wel onhistorische kijk op deze tijdperken. De Reformatie was voor de destijds levenden een diep ingrijpende gebeurtenis, zoals verschillende studies laten zien.[xxxiv] En de Franse Revolutie schokte niet alleen de Fransen en de Europeanen door de ongebreidelde terreur waarmee die Revolutie gepaard ging, maar ook door de ideologische aanval op het christendom door Robespierre en de zijnen, die weliswaar geen atheïsme voorstonden maar een geloof gebaseerd op de cultus van de rede, dat haaks stond op wat het christendom tot dan toe had geleerd. Dit werd wel degelijk gevoeld als een aantasting van het christelijk geloof, de al begonnen restauratie onder Napoleon en voortgezette restauratie na 1815 ten spijt. Niet voor niets publiceerde Groen van Prinsterer in 1847 zijn Ongeloof en Revolutie en richtte Abraham Kuyper in 1879 de Antirevolutionaire partij (ARP) op als reactie op de Franse Revolutie en het ‘onchristelijke’ revolutie-denken nadien.

Het is opmerkelijk hoe oppervlakkig Huizinga hier oordeelt over andere tijden en concludeert dat de ‘grondslagen der samenleving’ niet in het geding waren omdat ‘de christelijke zedeleer’ niet in het geding was, wat als gezegd onjuist is waar het de Franse Revolutie betreft. Maar los daarvan: door welke beperkte bril bezag hij het verleden hier, bijna ongevoelig voor het lot van gewone mensen in revolutionaire tijden – waarvoor zij, die zelden iets op hebben met dat revolutionaire denken, vrijwel altijd de tol betalen. Maar In de schaduwen van morgen laat keer op keer zien dat Huizinga met ‘de massa’ niets op heeft.

Nu gaat het niet aan Huizinga zijn beperkte opvatting van cultuur en zijn (on)historische vergelijking met zijn eigen tijd een eeuw na dato te verwijten.[xxxv] Hij was kind van zijn tijd en stond niet alleen met zijn kritiek op de massa destijds, denk aan de ook door hem gewaardeerde Spaanse filosoof José Ortega y Gasset (1883-1955, foto) en zijn boek La rebelión de las masas (1930), in 1933 door de hispanist Johan Brouwer vertaald als De opstand der horden.[xxxvi]

Waar het hier om gaat is te betogen dat ik niet zie hoe Huizinga een baken van hoop kan zijn voor de huidige tijd, zoals Beatrice de Graaf wil. Zij sluit aan bij Huizinga’s eigen bewering (gedaan in voorrede van de zevende druk [1938]) van In de schaduwen van morgen dat hij een ‘optimist’ zou zijn. Waarom optimist? Omdat hij de hoop niet laat varen. Maar voor die hoop is in het licht van zijn pessimisme en negativisme over de ontwikkelingen in zijn eigen tijd een sprong nodig en die maakt Huizinga ook: het christelijk geloof dient redding te brengen.

Dit spreekt Beatrice de Graaf net zozeer aan als Harinck en Van Deursen. Ze beklemtoont in haar lezing dat maar enkele historici in de literaire en historiografische verwerking van Huizinga ontvankelijk zijn geweest voor diens diepe religiositeit en noemt daarbij niet toevallig twee leden van de Vereniging van Christen-Historici, de hiervoor al besproken Ewald Mackay en George Harinck.[xxxvii]

Maar Harinck toonde zich juist terughoudend met het inzetten van Huizinga als moreel baken, iets dat De Graaf wel beoogt: ze wil een narratief ‘dat het heden bekijkt vanuit een doorgaande lijn van verleden naar toekomst’, waarbij de uitgangspunten vrede en recht zijn. Wie kan daar tegen zijn? Nu lijkt De Graaf mij positiever ingesteld over haar eigen tijd dan Huizinga was en haar betogen over Israël en Gaza en de oorlog in Oekraïne zijn genuanceerd en overtuigend door haar poging de polarisatie rond beide onderwerpen te doorbreken.[xxxviii] Met haar betoog over Huizinga zegt ze zich nadrukkelijk niet alleen tot godsdienstige mensen te richten maar ook tot seculieren die vanuit een zelfde morele grondhouding kunnen komen tot positief burgerschap. Niet alleen geloof in God maar ook ‘geloof in de kracht van vriendschap en familie, van democratie en rechtstaat, van menselijkheid en beschaving.’[xxxix]

Toch klinkt in haar betoog, evenals in dat van Huizinga destijds, vooral het christendom door. Met name daar waar aan de vier klassieke deugden Wijsheid, dapperheid/moed, rechtvaardigheid en beheersing de drie Bijbelse deugden van geloof, hoop en liefde worden toegevoegd. Deze zeven deugden moeten ons hoop bieden in de huidige tijd en daarbij geldt Huizinga als haar gids. Daarnaast wordt haar lezing gedragen door grote bewondering voor de profetische gestalte van kerkvader Augustinus. Ook Huizinga ontkwam in zijn tijd niet aan de profetenmantel (die hij zelf overigens had aangetrokken). Met instemming haalt De Graaf de befaamde brief van de dichter Martinus (‘Pom’) Nijhoff (1894-1953, foto) aan uit de driedelige briefwisseling van Huizinga, die tussen 1989 en 1991 werd gepubliceerd[xl]. Nijhoff noemt Huizinga daarin een optimist en vergelijkt hem in één adem met de profeet Jesaja. Een boeteprofeet als Jeremia was hij niet, aldus Nijhoff, een oordeel dat door De Graaf gretig geciteerd wordt.

Maar is het overtuigend? Wie de Bijbel even dicht laat en In de schaduwen van morgen rustig leest, ontdekt iets anders: wel degelijk een (soms zelfs onhistorische) boeteprofeet die zichzelf (in wanhoop?) wijs probeert te maken dat hij optimist is.[xli] Ja, hij is in zoverre een optimist dat hij gelooft dat het christendom de in zijn tijd gedoemde cultuur redding moet (en komt) brengen. Maar dat is de sprong die boeteprofeten vaak maken: de redding moet uiteindelijk van buiten komen, niet van ons zelf. Hoewel Huizinga In de schaduwen van morgen eindigt met hoop te vestigen op het jonge geslacht die weer ‘geest’ zou moeten krijgen, veel vertrouwen in zijn eigen generatie had hij niet, wat wel tekenend mag heten voor de sombere wijze waarop hij zijn tijd bekeek.

Het positieve dat De Graaf in Huizinga ziet, zie ik dus niet. En een baken van hoop voor deze tijd zie ik evenmin in hem. Ik betwijfel met Jacques de Kadt (foto) trouwens ook of In de schaduwen van morgen wel als baken van hoop werd ontvangen door de vele lezers van toen. De Kadt zag kort na het verschijnen vooral banaliteiten bijeengebracht en schreef: ‘Men kan het niet lezen zonder meteen honderden koppen te zien die over het boek gebogen zitten met een weldadige glimlach om de lippen: o zo, precies wat ik altijd zeg, juist wat ik zo vaak gedacht heb, gelukkig dat een autoriteit het nu eens komt bevestigen.’[xlii] Is dit cynisch? Nee, eerder realistisch: mensen worden graag bevestigd in negatieve gedachten over de cultuur. Zolang niet zeker is hoe duizenden lezers In de schaduwen van morgen lazen lijkt er geen reden aan te nemen dat zovelen met hem wegliepen vanwege het ‘hoopvolle’ einde van het boek.

Ik besef terdege dat kritiek als deze opgevat kan worden als kritisch en afbrekend. In haar lezing maakt De Graaf een onderscheid tussen ‘monumentalistische’ geschiedschrijving die kan leiden tot heldenverering, steriele wetenschappelijke geschiedschrijving en kritisch afbrekende geschiedschrijving. ‘Kritisch afbreken is af en toe nodig maar kan niet het enige antwoord zijn, voegt ze eraan toe.[xliii] Wat ze, in al haar positieve idealisme, niet beseft is dat ze met haar Huizingalezing zelf onbedoeld een proeve van monumentalistische geschiedschrijving leverde, uitmondend in verering van de held Huizinga. Daar is Huizinga noch de geschiedschrijving mee gediend. Historici moeten zich geen profeten wensen, het maakt ze kleiner dan ze zijn.


[i] G.J. Heering, Johan Huizinga’s religieuze gedachten als achtergrond van zijn werken (Lochem 1948).

[ii] Johan Huizinga, Mijn weg tot de historie/Gebeden. Bezorgd door Anton van der Lem (Nijmegen 2016).

[iii] Huizinga, Mijn weg tot de historie/Gebeden, 95.

[iv] Leonard Huizinga, Herinneringen aan mijn vader (Den Haag 1963), 156.

[v] Ewald Mackay, ‘Christianus Infirmissimus?’, Transparant, jg. 6, nr. 1 (1995) 14-19, aldaar 19.

[vi] Ton van der Schans, ‘Stijlvolle geschiedbeoefening. Huizinga als erflater’, in: Transparant, jg. 6, nr. 3 (1995), 22-28.

[vii] H.W. von der Dunk (e.a.), Erflaters van de twintigste eeuw (Amsterdam 1991).

[viii] Hier geciteerd in E.H. Kossmann, ‘J. Huizinga (1872-1945)’, in: E.H. Kossmann, Vergankelijkheid en continuïteit (Amsterdam 1995) 225-252, aldaar 244.

[ix] Kossmann, ‘J. Huizinga’, 246.

[x] Isaäc da Costa, Bezwaren tegen den geest der Eeuw (Leiden 1923) 47.

[xi] A. Th. van Deursen, ‘Huizinga en de geest der eeuw’, in: A. Th. van Deursen, In gemeenschap met de tijd (Amsterdam 1997) 249-262.

[xii] ‘Huizinga en de geest der eeuw’, 260.

[xiii] Maarten Brands, ‘Van geloofsabsolutisme zou Huizinga hebben gegruwd’, in: NRC Handelsblad, 17 december 1994.

[xiv] A. Th. van Deursen, ‘Calvijn en Erasmus accepteerden de Christelijke moraal’, in: NRC Handelsblad, 28 december 1994.

[xv] Vgl. H. Smitskamp, Groen van Prinsterer als historicus (Kampen 1940). Over Smitskamp: https://wimberkelaar.com/2018/03/13/h-smitskamp-scherpzinnig-en-nuchter-beschouwer-van-het-verleden/

[xvi] Vgl. P. Geyl, ‘Fruin contra Groen (1853/4’ en ‘Groen contra Motley’ (1874/5’, in: P. Geyl, Reacties (Utrecht 1952), respectievelijk 1-44 en 45-115.

[xvii] Vgl. zeer apologetisch: J.W. Kirpestein, Groen van Prinsterer als belijder van Kerk en Staat in de negentiende eeuw (Leiden 1993) en meer doordacht: G. Harinck en R. Kuiper (red.) Groen van Prinsterer als historicus. Historische opstellen (Kampen 1994).

[xviii] Gertjan Schutte, ‘ “Hersenen die medicinale hulp noodig hebben”. Groen van Prinsterer als activistisch schrijver’, in: Remieg Aerts, Coen Brummer, Gertjan Schutte (red.), Machtswoorden. Over schrijverschap en politiek in Nederland (Amsterdam 2024) 67-93.

[xix] Willem Bouwman, ‘‘Groen van Prinsterer zou moeite hebben met de stijl van de huidige oppositie’, in: Nederlands Dagblad, 14 mei 2021.

[xx] Vgl. C.M. van Driel, Dienaar van twee heren. Het strijdbaar leven van theoloog-politicus B.D. Eerdmans (1868-1948) (Kampen 2005); Idem, Schermen in de schemering. Vijf opstellen over modernisme en orthodoxie (Hilversum 2007).

[xxi] George Harinck, Inleiding. ‘Hinken op twee gedachten’, in: Johan Huizinga, In de schaduwen van morgen. Ingeleid en geannoteerd door George Harinck (Soesterberg 2007) 9-37.

[xxii] Harinck, ‘Inleiding. Hinken op twee gedachten’, 35.

[xxiii] Liesbeth Wytzes, ‘“Hoop blijven bieden. Dat is mijn drijfveer in alles wat ik doe”. Interview met Beatrice de Graaf, opgenomen in Beatrice de Graaf, Wij zijn de tijden. Geschiedenis in crisistijd (Diemen, 2024/2025)

[xxiv] Beatrice de Graaf, Wij zijn de tijden, 13.

[xxv] De Graaf, Wij zijn de tijden, 27.

[xxvi] Vgl. ‘Twee worstelaars met den Engel’ (Bespreking van Oswald Spengler’s “Der Untergang des Abendlandes” en H.G. Wells “The Outline of History”, in: J. Huizinga, Verzamelde Werken IV. Cultuurgeschiedenis II (Haarlem 1949) 441-497.

[xxvii] De Graaf, Wij zijn de tijden, 28.

[xxviii] In de schaduwen van morgen. In: J. Huizinga, Verzamelde Werken VII. Geschiedwetenschap. Hedendaagsche cultuur (Haarlem 1950) 313-429, aldaar 395.

[xxix] In de schaduwen van morgen, 397.

[xxx] In de schaduwen van morgen, 400-402.

[xxxi] Vgl. Willem Frederik Hermans, ‘Kan de tijd tekens geven?’, in: Willem Frederik Hermans, Het sadistisch universum 2. Van Wittgenstein tot Weinreb (Amsterdam, vierde druk 1979) 86-110.  

[xxxii] In een recente interessante studie van Thor Rydin, The Works and Times of Johan Huizinga (1872–1945): Writing History in the Age of Collapse (Amsterdam 2023) wordt een verband gelegd tussen de persoonlijke ‘verlieservaringen’ van Huizinga en zijn maatschappelijk engagement: ‘Huizinga sought to guard the past and protect it against erosive forces of that indifferent non-history called the present.’ (p. 35). Eerder had Willem Otterspeer al er de nadruk gelegd dat Huizinga bezield werd door ‘orde en trouw’. Willem Otterspeer, Orde en trouw. Over Johan Huizinga (Amsterdam 2006).

[xxxiii] In de schaduwen van morgen, 322-324.

[xxxiv] Vgl. Huib Leeuwenberg, Henk Slechte en Theo van Staalduine (red.), De Reformatie. Breuk in de Europese geschiedenis en cultuur (Zutphen 2017).

[xxxv] De kritiek op In de schaduwen van morgen is genoegzaam bekend, de critici zijn dat ook: Jacques de Kadt, Pieter Geyl, Willem Frederik Hermans, E.H. Kossmann, om me tot enkelen te beperken. Hun keur aan bezwaren tegen het betoog van Huizinga hoeven hier niet te worden herhaald, die zijn allemaal na te lezen – evenals trouwens de waardering die er (destijds) ook voor het boek bestond. Zie: Carla du Pree, Johan Huizinga en de bezeten wereld. De rol van de publieke intellectueel tussen de twee wereldoorlogen (Leusden 2016) 193-2010.

[xxxvi] Voor de waardering van Huizinga voor Ortega Y Gasset: Carla du Pree, Johan Huizinga en de bezeten wereld, 83-84.

[xxxvii] De Graaf, Wij zijn de tijden, 34-35. De Graaf was zelf tussen 2004 en 2013 voorzitter van de Vereniging.

[xxxviii] Vgl. De Graaf, Wij zijn de tijden, 41-42.

[xxxix] De Graaf, Wij zijn de tijden, 29.

[xl] De Graaf, Wij zijn de tijden, 35.

[xli] Vgl. ook Jos Palm, ‘Jeremiërende Huizinga’, in: VPRO Gids 28 (12-25 juli 2025).

[xlii] Jacques de Kadt, ‘De deftigheid in het gedrang. Over wezen en waarde der Huizinga’s’, in: J. de Kadt, Verdediging van het Westen (Amsterdam 1947) 102-123, aldaar 113.

[xliii] De Graaf, Wij zijn de tijden, 21-22.