André Malraux, fantasierijk fenomeen, levend na ‘de dood van God’

Een mooie recensie van Berend Sommer in de Volkskrant van 18 juni van de heruitgave van de roman La condition Humaine bracht ineens André Malraux (1901-1976) bij me terug. Ik koesterde altijd al een sluimerende belangstelling voor deze Franse schrijver en (na de Tweede Wereldoorlog) minister van Cultuur maar steeds gingen andere figuren en onderwerpen voor. Tot nu. Ik verdiepte me in zijn leven en werk, las de een kwart eeuw geleden (in 2001) verschenen biografie van Olivier Todd, de nieuwe vertaling van La condition humaine (ditmaal vertaald als Het menselijk lot) en nog wat ander werk van en over Malraux, die ook in de vooroorlogse Nederlandse literatuur wat sporen heeft nagelaten. Malraux: een fascinerend fenomeen, die kunst maakte en kunst bevorderde maar bovenal zijn eigen, avontuurlijk leven tot kunstwerk verhief, daarbij fantasie en bluf niet schromend. 

‘Zijn leven was zijn mooiste roman’, schreef historicus Ronald Havenaar na het verschijnen van Todds onthullende biografie in een recensie in NRC Handelsblad.[1] Een mooie observatie die ik deel, al ben ik wat minder negatief over Malraux dan Havenaar. Maar hij heeft zeker gelijk: meer dan zijn werk is zijn leven hoogst bijzonder. Het kende avontuur, vele wendingen en nog meer drama’s, alles bijeen zoveel meer dan ook maar in een romanfiguur kan worden verbeeld.

En dan te bedenken dat Malraux zelf vorm gaf aan verbeelding, vooral in zijn meest bekende werk, La condition humaine (1933), een tour de force van de jongeman die hij toen was, destijds 32 jaar. De roman is gesitueerd in het China van de jaren twintig van de vorige eeuw, toen (het inmiddels soevereine wereldrijk) China nog speelbal van de Westerse machten en Japan was en de Kwomingtang van Chiang Kai-shek en de communisten een strijd op leven en dood vochten.

Dit vormt het decor waartegen Malraux zijn personages tekent. Voordat Sartre woorden gaf aan het begrip existentialisme schreef Malraux al een pur sang existentialistische roman met La condition humaine. Hij had al eerder boeken gepubliceerd maar met deze roman vestigde hij definitief zijn naam. En niet minder belangrijk: het succes van de roman drong zijn dubieuze handel en wandel voor die tijd wat naar de achtergrond. Malraux was met zijn eerste vrouw Clara Goldschmidt (foto) naar de toenmalige Franse koloniën in Azië gereisd en daar betrapt op het stelen van kunstschatten. Het leverde hem een kortstondige gevangenisstraf maar na een beroep op de autoriteiten in Parijs stond Malraux al snel weer op vrije voeten.

Typisch Malraux: hij wist van een schimmig optreden muziek te maken, een kunststuk dat hij nog vaker zou herhalen. Hij schreef enkele boeken die hem voor een expert in Aziatisch-koloniale zaken deden doorgaan en hem het aanzien van avonturier verschaften. En een avonturier was Malraux onmiskenbaar. Hij zou nog verscheidene malen terugkeren naar Azië, geen kleinigheid gezien de lange reisduur in die tijd. Zijn tics ten spijt (biograaf Todd stelt dat Malraux leed aan een vorm van Gilles de la Tourette, in zijn geval tot uitdrukking komend in voortdurende hoofdbewegingen, snuiven, met de ogen knipperen – kortom: permanente onrust uitstralend[2]) beschikte Malraux over veel charisma en legde hij gemakkelijk contact, onder meer met Gaston Gallimard (foto), de grote man van de gelijknamige uitgeverij, in dienst waarvan hij manuscripten ging beoordelen.

En hij beschikte over talent als schrijver. Kwamen zijn eerste boeken uit bij Grasset, Gallimard haalde Malraux binnen met La condition humaine. Hoewel Malraux zijn personages laat optreden tegen de achtergrond van de Chinese burgeroorlog, is die achtergrond voornamelijk decor waarin hij zijn hoofdpersonen hun gedachten, frustraties en obsessies laat uiten over leven en dood. Dat trof mij als lezer anno 2026 maar werd ook bijna een eeuw al opgemerkt, zo blijkt uit een recensie in Algemeen Handelsblad: ‘Een roman van menschen, die hoofd en hart vol theorieën hebben, veel mijmeren, veel zelfbeschouwen, die daardoor soms hun eigen physionomie verliezen en wandelende theorieën worden’.[3]

Af en toe lees je autobiografische passages (in vermomming), onder meer daar waar hij spreekt over zijn turbulente huwelijk met Clara, een formidabele persoonlijkheid en onafhankelijke geest. Ze heet in de roman May en wordt voorgesteld als ‘mannelijk’, veel pratend maar vrouwelijk zodra ze stopt met praten. Kyo, het personage waarin Malraux zelf het meest te herkennen is, ‘kon haar ogen niet van haar afhouden’.[4] May bekent hem vreemd te zijn gegaan en met een ander het bed te hebben gedeeld. ‘Hij haalde zijn schouders op, als om te zeggen: dat zijn jouw zaken. Maar zijn gebaar en de gespannen uitdrukking van zijn gezicht pasten niet erg bij die onverschilligheid’.[5] Uit het leven gegrepen: Malraux kon niet omgaan met Clara’s openlijk beleden bigamie.

Ook uit het leven gegrepen: de voortdurende actie van de hoofdpersonen van Het menselijk lot: ze plegen aanslagen en zijn steeds aan het samenzweren, waarbij een belangrijke rol is weggelegd voor het Russische personage Katov, een bolsjewiek die namens de Communistische Internationale revolutie in China probeert te ontketenen. Naar de titel poogt La condition humaine met een grote greep het leven zelf te verwoorden. De romanist Sem Dresden (foto) bedacht voor Malraux’ werk de term ‘tragisch humanisme’ en dat lijkt me een zeer goede typering.[6] Met vrijwel alle hoofdpersonen in La condition humaine loopt het verkeerd af: ze worden gedood of raken in gevangenschap, met martelingen in het vooruitzicht. Het enige dat ze in een absurde, doelloze wereld konden doen was zich verzetten. Zo geeft Malraux een van zijn personages deze gedachte in: ‘Eigenlijk dacht Gisors dat de wereld dan misschien zonder werkelijkheid mocht zijn, maar dat de mensen, juist zij die zich het sterkst tegen de wereld verzetten, wel degelijk een heel sterke werkelijkheid hebben’.[7]

Malraux zou volgens zijn biograaf Todd rond zijn twaalfde zijn geloof hebben verloren en dat ook nooit meer hebben teruggevonden. J.P. van der Linden, een Nederlandse kenner van zijn werk, meende dat Malraux leefde ‘in een wereld waarin God dood is’[8] en de mens zich moet trachten te handhaven, een besef dat hij ook bij zijn personages liet doorklinken. Toch was Malraux geen klassieke atheïst die het begrip God voor een menselijke projectie hield. Hij toonde zich geboeid door het christendom, zo getuigde een priester met wie hij in gevangenschap was geraakt tijdens de Tweede Wereldoorlog.[9] Voor de agnost Malraux kon de mens streven naar transcendentie, dat wil zeggen: naar onsterfelijkheid. Vandaar zijn grote belangstelling voor en vereenzelviging met figuren die ‘onsterfelijk’ werden, voorop (mede) avonturier T. E. Lawrence of Arabia (foto).

Op politiek niveau gaf La condition humaine uitdrukking aan de jaren ’30, met de toen heersende revolutionaire woelingen en strijd tussen links en rechts. Malraux zelf kan beschouwd worden als een weggelopen personage: hij was voortdurend onrustig, actief en geëngageerd, al liet dat engagement zich niet zomaar vertalen in partijkeuze. Maar een tendens tekende zich in de jaren ’30 wel af: hij werd fellow traveller van het Sovjetcommunisme. Aanvankelijk nam hij het nog op voor Trotski (foto) en bewees daarmee kortstondig onafhankelijkheid van geest tegenover het communisme, aangezien de (naast Lenin) belangrijkste couppleger tijdens de staatsgreep van de bolsjewieken in oktober 1917 niet alleen verbannen was maar inmiddels ook volledig persona non grata in de door het Stalinisme beheerste communistische wereld.

Maar al snel volgde Malraux het Stalinistische stramien en liet hij Trotski vallen. Dat maakte hem echter niet minder verdacht in het paranoïde Moskou, doortrokken als de Russische hoofdstad was van de geest van dictator Stalin. De Lets-Britse filosoof Isaiah Berlin (foto) merkte eens op dat Malraux behoefte had aan Piqȗres, injecties die hem boven het alledaagse uittilden en een doel gaven om voor te leven – zij het tijdelijk, want Malraux had op zijn levensweg steeds nieuwe injecties nodig. Zijn engagement met het communisme was zijn tweede injectie, na zijn ontdekking van en betrokkenheid bij Indochina. Berlin schreef die behoefte aan injecties toe aan Malraux’ romantische inslag.[10] Die had Malraux zeker en uitte zich in een identificatie met ‘grote mannen’. Stalin was zo’n groot man voor hem – en toch verleidde zijn bewondering hem niet partijlid te worden. Malraux bleef een ongrijpbaar avonturier. Dat bleek nog eens na het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog.

Hij organiseerde een squadron vliegtuigen om de Republikeinse zijde te ondersteunen. Hier treedt, althans bij mij, ambivalentie in het oordeel over Malraux op: uit de biografie van Todd blijkt dat hij zijn rol groter maakte dan die was. Zo vloog hij niet zelf en raakte hij ook niet zwaar gewond, anders dan hij later suggereerde. Maar: hij was wel actief, liep wel degelijk gevaar en had anders dan bijvoorbeeld generatiegenoot Jean-Paul Sartre (foto) – die in de jaren dertig nog apolitiek was en in Berlijn doodgemoedereerd studeerde op Hegel en Heidegger terwijl de nazi’s door de straten paradeerden – in de gaten dat de Spaanse Burgeroorlog de proeftuin voor een nieuwe wereldoorlog was. Al moet ook deze kanttekening daarbij: de Spaanse Burgeroorlog oefende ook aantrekkingskracht uit op de avonturier. ‘Spanje’ droeg sterk bij aan zijn prestige, zeker nadat hij zijn ervaringen – opnieuw wat dik aangezet – had verwerkt in de roman L’ Espoir.

Opmerkelijk: het onophoudelijke activisme begon een Nederlandse bewonderaar van Malraux juist te irriteren: E. du Perron. Ze hadden elkaar in de jaren ’20 leren kennen en Du Perron was in de ban geraakt van de twee jaar jongere Fransman met zijn rappe tong en snelle denken. Malraux op zijn beurt moet ook veel hebben gezien in Du Perron, aan wie hij La condition humaine opdroeg, al snel door Du Perron in het Nederlands vertaald als Het menselijk tekort. Zoals Du Perron-biograaf Kees Snoek analyseerde: ze hadden ook nogal wat gemeen: ze waren beiden (lang) enig kind, ze hadden beiden een vader die zelfmoord had gepleegd en ze legden snel verbanden.[11]

Du Perron werd Malraux’ goedpraten van de Sovjet-Unie goed zat. Hij was bezig met de vertaling van de kritische Stalin-biografie van Boris Souvarine[12], een geboren Rus die in Frankrijk opgroeide en de Franse nationaliteit had verworven. Souvarine (foto) was aanvankelijk communist maar ontpopte zich al snel tot criticus van het bolsjewisme, al moest hij niets van het ‘etiket’ anticommunist hebben.[13] Malraux negeerde de kritiek op Stalin, tot ergernis van Du Perron: ‘Als 100% Stalinist wordt hij voor mij onverduwbaar’.[14] En hoewel hij Malraux in de Spaanse Burgeroorlog had willen volgen (zij het niet als strijder, maar als verslaggevend journalist) oordeelde hij ambivalent over diens roman L’ Espoir.[15]  

Du Perron wist niet wat wij nu weten: dat Malraux zijn activisme aandikte en soms zelfs fantaseerde en mythologiseerde. Hij stierf in de meidagen van 1940 en heeft dus nooit geweten hoe Malraux door de Tweede Wereldoorlog kwam. Deze deed het zelf voorkomen alsof hij meteen vanaf de inval maquisard was en zich gewapend tegen de nazi’s verzette. Dat opgeklopte zelfbeeld heeft lang standgehouden. Na zijn dood in 1976 verschenen er in de Nederlandse pers verscheidene necrologieën waarin ook het verzetswerk van Malraux naar voren werd gehaald, al klonk hier en daar wel twijfel door over het werkelijkheidsgehalte van het veronderstelde verzetswerk. Jo Manassen, correspondent in Frankrijk voor Het Vrije Volk, schreef scherpzinnig: ‘Zodra hij evenwel partij kiest – in Spanje tegen de fascisten, in Frankrijk tegen de nazi’s – is hij een man van moed en zelfbeheersing. Voor de rest trekt hij de grens tussen fantasie en werkelijkheid niet te scherp, waar het om gaat is je leven boordevol ervaringen te proppen’. [16]  

Dat laatste deed Malraux – maar even niet in de eerste drie jaren van de bezetting. Naar zijn inschatting was verzet in die eerste jaren kansloos tegenover de toen nog oppermachtige nazi’s, al speelde ook mee dat de eerzuchtige Malraux meende geen eer te kunnen behalen in deze situatie. Hij kwam pas in verzet door zijn halfbroers Roland (12 jaar jonger, rechts naast André Malraux op de foto) en Claude (19 jaar jonger) die al langer weerstand boden aan de nazi’s. Een groot verzetsleider werd Malraux niet, al deed hij wel voorkomen dat te zijn. Niettemin, ook nu, evenals in het geval van zijn betrokkenheid bij de Spaanse Burgeroorlog: hij was wel actief en die activiteit was niet zonder gevaar. Zijn beide halfbroers kwamen om tijdens de oorlog, een lot dat ook Malraux had kunnen treffen. De dood van zijn halfbroers was niet het enige drama: ook zijn tweede vrouw Josette Clotis overleefde de oorlog niet.[17]

Intussen had hij tijdens de oorlog een ‘dubbele politieke bekering’ ondergaan, om een term van Maarten van Rossem[18] aan te halen: hij vond in Charles de Gaulle (foto) zijn held, een held die hij nimmer zou verloochenen. Tegelijkertijd nam hij afstand van het communisme, waarvan hij tijdens de Koude Oorlog een diepe afkeer ontwikkelde. Malraux bleef even geëngageerd als hij altijd was, maar nu was het een engagement met de macht, waarvan hij na het aantreden van de generaal als president (in 1958) het uithangbord werd als minister van Cultuur.

Romanschrijver was hij niet of nauwelijks meer, hoewel hij aan het eind van zijn leven nog wel De spiegel van het voorgeborchte (Le Miroir des limbes) publiceerde, een werk dat het midden houdt tussen een roman en essayistische bespiegelingen in dialoogvorm.[19] De cultuurminister werd cultuurpaus en schreef tal van beschouwingen over kunst en kunstgeschiedenis. Ik heb die niet gelezen en kan die dus ook niet beoordelen. Wie dat wel kon en ook deed was de befaamde kunsthistoricus E.H. Gombrich (foto).[20] Hij stond kritisch tegenover Malraux’ interpretatie van kunst. Kunst zou een vervanging van religie zijn volgens Malraux, raken aan ‘het absolute’ en tegelijk mensen in contact brengen met religie. Het ging Malraux niet om de kunstwerken in hun tijd, kunst zou een uitdrukking zijn van het mysterie mens en zijn bestaan, een opvatting die volgens Gombrich een te beperkte interpretatie was en kunstwerken geen recht deed.

Als cultuurpaus onder zijn held De Gaulle werd Malraux een gezicht in de societybladen, zeker nadat hij met Jackie Kennedy daarin op foto’s schitterde en begin jaren ’60 toestemming had gegeven de Mona Lisa van Leonardo da Vinci uit te lenen aan de Verenigde Staten. Hij was gefascineerd door haar sprankelende verschijning, zij een bewonderaar van zijn romans.[21]

Malraux bewoog zich als cultureel ambassadeur van de Vijfde Republiek steeds meer onder de ‘groten der aarde’. Zijn reputatie als vroeg bezoeker en kenner van China leidde soms tot overschatting van zijn kennis van Azië en de ‘groten’ aldaar. In de aanloop naar de ‘open door’-politiek van de regering-Nixon – de toenadering tot China – werd Malraux geconsulteerd over de ontmoeting die hij in 1965 met Mao Zedong (foto) had. Malraux blies het belang van de ontmoeting op zijn gekende wijze enorm op en meende een rol van betekenis te spelen in de historische ontmoeting Nixon-Mao.[22]

De ironie wil dat Malraux’ bewondering voor Mao dichtbij die van zijn generatiegenoot Sartre kwam, al dronken de schrijvers inmiddels uit andere bron: Malraux was getransformeerd tot anticommunist, terwijl Sartre zich had ontpopt tot een kritiekloze radicaal. Terwijl Sartre Mao’s moorddadige ‘Culturele revolutie’ verdedigde, bewonderde Malraux de ‘grote man’ Mao. Overeenkomst: zowel Sartre als Malraux stond kritiekloos tegenover ‘de grote roerganger’.

Mao behoorde voor Malraux tot de categorie aardse goden, zoals de heel andere figuur Lawrence: mannen (bij Malraux waren het altijd mannen) die gemeen hadden dat ze broeders in de onsterfelijkheid waren. Behoort Malraux zelf tot die categorie? Toen hij op 23 november 1976 stierf werd hij – zeker in Frankrijk – in alle toonaarden bezongen. Echt ‘onsterfelijk’ werd hij echter pas twintig jaar na zijn dood toen hij werd bijgezet in het Panthéon (foto), hét Franse bolwerk der ‘onsterfelijken’. De bijzetting ging gepaard met toespraken waarin, aldus biograaf Todd, Malraux’ zelfmythologisering kritiekloos werd overgenomen door de sprekers, onder wie toenmalig president Jacques Chirac.[23]

En nu, anno 2026? De Franse regering heeft dit jaar tot het jaar van Malraux uitgeroepen en eert hem – een halve eeuw na zijn dood – als een van de grote zonen van het land, zoals alleen Frankrijk dat kan. Of zijn werk in Frankrijk overigens nog breed gelezen wordt, is overigens de vraag. In Nederland was de status van Malraux na het Interbellum al snel tanende. Zijn populariteit werd overvleugeld door Sartre, Camus, De Beauvoir en Céline. De avonturier en bluffer Malraux sprak de naoorlogse generatie van het gezond verstand niet aan. Rudy Kousbroek (foto) omschreef hem als ‘een holle windbuil’ en Karel van het Reve zei ‘geen stuiver’ voor Malraux over te hebben.[24] Willem Frederik Hermans nam Malraux uiteraard ook op de korrel in zijn onophoudelijke streven de erfenis van Forum te vernietigen. In zijn uitvoerige kritiek op Du Perrons roman Land van herkomst schreef hij: ‘Malraux is een auteur wiens bravoure een smakelijk onderwerp vormt voor een fotoreportage in Paris-Match en die, voor zover de journalisten tenminste bekend, pas werkelijk zichzelf wordt in gewelddadige crisissituaties.’[25]

De ontluisterende biografie van Todd, waarvan alleen Kousbroek nog kennis heeft kunnen nemen, zou hen in hun afkeer hebben bevestigd. En toch lukte het Todd niet echt een hekel te hebben aan Malraux. Mij ook niet. Want Malraux mocht dan een bluffer zijn geweest, iemand die zijn eigen leven mythologiseerde en groter maakte dan dat in werkelijkheid was, voor de oorlog als fellow traveller van het communisme bovendien een politiek blindganger – hij was ook, om met historicus Pieter Geyl te spreken, ‘een figuur’. Iemand met onmiskenbaar talent, zoals de roman La condition humaine heeft laten zien, iemand met charisma, die mensen aan zich wist te binden en bovenal iemand die ‘na de dood van God’ van zijn eigen leven een kunstwerk maakte, alle tragedies die hem troffen (en het waren er meer dan een gewoon mens kan dragen) ten spijt.


[1] Ronald Havenaar, De macht van verbeelding. Het leugenachtige leven van de ideale held André Malraux’, in: NRC Handelsblad, 6 juli 2001.

[2] Olivier Todd, Malraux. A Life (New York 2005), 7. Oorspronkelijke editie: André Malraux. Une Vie (Parijs 2001).

[3] ‘André Malraux bekroond. “La Condition humaine”, roman van wanhoop”’, in: Algemeen Handelsblad, 8 december 1933.

[4] André Malraux, Het menselijk lot (Amsterdam/Antwerpen 2026), 48.

[5] Malraux, Het menselijk lot, 50

[6] ‘André Malraux, auteur van het tragisch humanisme. Lezing van prof. Dresden voor het Humanistisch Verbond’, 20 februari 1950. Krant onbekend, knipsel in eigen bezit.

[7] Malraux, Het menselijk lot, 273.

[8] J.P. van der Linden, Driemaal Malraux (Hilversum 1968) 34.

[9] Pierre Bockel, ‘Malraux and the Challenge of Faith’, in: Martine de Courcel (ed.), Malraux. Life and Work (New York/London 1976) 58-67.

[10] Isaiah Berlin, ‘Malraux, The Russians of the Thirties, or is the Parthian Language really lost?’. A conversation between Isaiah Berlin and Martine de Courcel’, in: Malraux. Life and Work, 30-40.

[11] Kees Snoek, E. du Perron. Het leven van een smalle mens (Amsterdam 2005) 396.

[12] Boris Souvarine, Staline, Aperçu Historique du Bolchévisme (Parijs 1935). Door Perron vertaald als: Stalin en het bolsjewisme (Amsterdam 1940).

[13] Over Souvarine, zie: https://books.openedition.org/iheid/6455

[14] Geciteerd in Snoek, Du Perron, 768.

[15] Snoek, Du Perron, 946. Saillant mag het heten dat de doorgaans uiterst kritische biograaf Olivier Todd dit voor een van de beste boeken van Malraux houdt. Todd, Malraux, 480.

[16] Vgl. Jo Manassen, ‘André Malraux: een genie met twee gezichten’, in: Het Vrije Volk, 24 november 1976.

[17] Het leed was daarmee nog niet geschied voor Malraux: in 1961 kwamen ook nog zijn zoons Vincent en Pierre-Gauthier, zoons uit het huwelijk met Josette Clotis, om het leven bij een auto-ongeluk.

[18] De ondertitel van zijn proefschrift Het radicale temperament. De dubbele politieke bekering van een generatie Amerikaanse intellectuelen 1934-1953 (Utrecht 1983).

[19] In het Nederlands is een deel daarvan verschenen in vertaling van dichter Maurits Mok onder de titel Lazarus. De spiegel van het voorgeborchte (Antwerpen 1979).

[20] E.H. Gombrich, ‘Malraux’ Philosophy of Art in Historical Perspective’, in: Malraux. Life and Work, 169-184.

[21] Vgl. Sarah Bradford, Koningin van Amerika. Jackie Kennedy Onassis (Amsterdam 2000), 268-269.

[22] Vgl. de ontluisterende beschrijving van Todd, Malraux. A Life, 386-390.

[23] Todd, Malraux. A Life, 477-479.

[24] André van Oudvorst, ‘Eddy du Perron & André Malraux’, in: Bzzletin, jg. 8 (1979-1980): https://www.dbnl.org/tekst/_bzz001197901_01/_bzz001197901_01_0127.php

[25] Willem Frederik Hermans, ‘Proeve van rustig lesgeven’, in: Mandarijnen op zwavelzuur (Parijs, vierde druk, zesde oplage 1985) 41-55, aldaar 42.