Het eigenzinnige engagement van schrijver Richard Wright

Tot voor kort ging literatuur van zwarte schrijvers vrijwel geheel langs me heen. Wel was er één schrijver voor wie ik een sluimerende interesse koesterde, te weten Richard Wright (1908-1960), maar dan uitsluitend omdat hij Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir gekend heeft. In zijn werk, dat een geheel eigen karakter en inzet blijkt te hebben, verdiepte ik me niet. Tot ik enige tijd geleden in een boekenkastje langs de weg een aantal boeken van hem aantrof. Ik dacht meteen: en nu ga ik hem lezen. Die drang werd even later nog sterker toen ik van een vriendin, dochter van uitgever F.G. Kroonder, een aantal vertalingen van zijn werk ontving. Meteen met de deur in huis: zijn werk bleek een openbaring. Ik las op welke hindernissen hij stuitte in de racistische Verenigde Staten en elders. Maar hoewel Wright voortdurend schreef over de positie van zwarten in een witte wereld, werd hij ook door kleurgenoten gewantrouwd als individualist die zich zeer betrokken toonde maar die ook steeds zijn eigen plan koos.

Sommige schrijvers krijgen cultuur en literatuur met de paplepel ingegoten. Schrijver Klaus en historicus Golo Mann bijvoorbeeld, wier vader Thomas niet alleen schrijver was maar ook hun oom Heinrich. Voor anderen geldt dat minder. Zeker als ze, zoals Richard Wright, als zwarte geboren zijn in de zuidelijke Amerikaanse staat Mississippi, een destijds door en door racistische staat, waar het leven van zwarten er eigenlijk niet toe deed in de eerste helft van de vorige eeuw.

Alle vier zijn grootouders waren slaven, tot slaafgemaakten zoals het tegenwoordig heet. Niettemin bracht zijn moeder het tot onderwijzer, zijn vader was evenwel een analfabete pachtboer. Van moeders zijde was de huidskleur in de familie daarbij niet geheel en al zwart. Zijn grootmoeder oogde nogal wit. Ze was verpleegster en, zeker zo bepalend voor de latere schrijver Wright, Zevendedagsadventiste, een streng godsdienstige gemeenschap, waartoe ook een tante – een zus van zijn moeder – behoorde.

Je zou zeggen: die stonden wat verder van Wright af maar niets is minder waar. Omdat zijn ouders al vroeg gescheiden waren en zijn moeder al tamelijk jong door hersenbloedingen gehandicapt was geraakt bracht Wright een deel van zijn jeugd door bij familieleden. In zijn autobiografie Black Boy (1945) schrijft hij indringend en ook wel hilarisch over de verwachtingen die er vooral bij zijn grootmoeder en tante bestonden over een keuze voor het christendom. In de kerk drong zijn grootmoeder er bij hem op aan ‘open’ te staan voor een ‘engel’ die hem de weg naar Christus zou wijzen. Hij zag een engel, maar dan wel een zeer aardse in de vorm van de vrouw van een ouderling. Om van het gedram van zijn grootmoeder af te zijn zei hij een engel te hebben gezien. Maar tot zijn verbijstering liep ze direct naar de voorganger die verheugd op hem afkwam en hem feliciteerde met dit heugelijke nieuws – wat Wright bedremmeld deed ontkennen christen te zijn.[1]

Terwijl zijn familie zich neerlegde bij de onvoorstelbare discriminatie en troost vond in het christendom ontpopte Wright zich tot een ‘mens in opstand’, om de boektitel van Albert Camus aan te halen. Maar noodgedwongen bleef de opstand aanvankelijk beperkt tot innerlijke weerspannigheid. Echte mogelijkheden om in opstand te komen tegen zowel de witte overheersing en discriminatie als tegen de zwarte passiviteit had hij niet. Hij moest vroeg van school om zichzelf en zijn familie via allerlei baantjes van bestaansmiddelen te voorzien. Wright werkte als liftbediende, in een telefooncentrale en als jongste bediende in een hotel.

Hij ontdekte ‘de woorden’ via de destijds befaamde journalist  en criticus H.L. Mencken (1880-1956, foto) die veel van zijn tijdgenoten verbaal geselde. Wright raakte betoverd door zijn betogen en woordkunst en wilde koste wat het kost schrijver worden. Dat is even iets om bewonderend bij stil te staan: geboren in een arm, zwart milieu waar literatuur niet of nauwelijks gewaardeerd werd omdat die niet zou bijdragen aan de dagelijkse strijd om het bestaan – en strijd was het als je zijn autobiografie Black Boy leest en vervolgens kennis neemt van de uitstekende biografie die Hazel Rowley lang na zijn dood over hem schreef[2].

En dan toch die vaste wil om schrijver te worden…Zijn verlangen werd lang niet serieus genomen. Niet door uitgevers en ook niet door de communistische partij van de Verenigde Staten, waarvan hij in de jaren ’30 lid werd. Die partij, in 1919 opgericht na de staatsgreep van Lenin en zijn bolsjewieken in Rusland, beleed met de mond wel dat ze aan cultuur deed maar de John Reed clubs (genoemd naar de Amerikaanse journalist die verslag deed van de staatsgreep in Rusland in oktober 1917, foto) waren in werkelijkheid bedoeld om kunstenaars, schrijvers en journalisten voor het eigen karretje te spannen en de partij prestige te verlenen.

Dat ondervond Wright al snel: dat hij op zijn eigenzinnige manier over de zwarte onderklasse wilde schrijven stuitte op verzet van de partij die van hem het liefst een eenvoudig propagandist had gemaakt. Eind jaren dertig brak hij met de partij, die zich onder invloed van het stalinisme kenmerkte door paranoia, showprocessen (zij het zonder dodelijke afloop) en bizarre verdachtmakingen. Toch toonde Wright zich nog lang loyaal aan de partij en dat valt te begrijpen: in de door en door racistische Amerikaanse samenleving leken de communisten de enigen die zich tegen het racisme keerden en van de achterstelling van de zwarte bevolking geen raciaal probleem maar een klassenprobleem maakten, ook al wantrouwde Wright soms de motieven van de blanke leiders. Hij liep, overgehaald door een zwarte vriend, zelfs na zijn afscheid nog mee in een communistische demonstratie maar werd toen hardhandig door communistische organisatoren uit de stoet gehaald en uitgescholden voor Trotskist.

Wright schreef hier indringend over in het tweede deel van Black Boy, getiteld The horror and the Glory. [3] Daar zou het niet bij blijven: Wrights herinneringen aan zijn communistentijd kregen ook een plaats in de klassieker The God That Failed (1950).[4]  Dat hij tussen al gevestigde namen als Arthur Koestler, Stephen Spender en André Gide stond, geef aan dat hij zich een reputatie had verworven. Die had hij vooral te danken aan zijn roman Native Son uit 1940.[5] Een indringend en aangrijpend boek dat veel aanraakt: natuurlijk de achterstelling van zwarten – hét thema van Wright – maar ook de kritiekloze verheerlijking van zwarten door blanken en de accommodatie van (sommige) zwarten aan de systematische discriminatie.

Hoofdpersoon Bigger Thomas groeit op in arme omstandigheden, maakt deel uit van een zwarte bende die plannen maakt voor een overval.  Maar de leden blijken uiteindelijk te bang voor de uitvoering en nemen elkaar de maat. Uiteindelijk treedt Bigger als hulp en chauffeur in dienst van de schatrijke familie Dalton, waarvan het ouderlijk echtpaar beschreven wordt als weldoeners die het goed voor hebben met de achtergestelde zwarte bevolking. Bigger wordt door de linkse dochter van het echtpaar idealistisch maar tevens paternalistisch beschouwd als ‘goede’ zwarte die wel politiek bewustzijn moet worden bijgebracht: hij zou lid van een vakbond moeten worden en zo de gevaren van het kapitalisme leren inzien.

Bigger brengt haar en haar communistische vriend naar een linkse bijeenkomst. Het duo raakt dronken, de vriend wordt afgezet en de linkse dochter wordt door Bigger laat in de avond teruggebracht naar huis. Als hij haar in bed legt, kust hij haar – juist op een moment dat haar blinde moeder de kamer binnenkomt. Bang betrapt te worden, tracht hij ieder geluid van de dronken dochter te smoren en drukt een kussen op haar hoofd.

Wat volgt is gruwelijk: hij onthoofdt haar, snijdt haar in stukken en verbrandt haar overblijfselen in een kachel in de woonkamer en slaat op de vlucht. Tussen de regels door valt te lezen dat Wright diep wantrouwen koestert tegen zowel de betrokkenheid van paternalistische rijken als tegen communistische sympathisanten (die hij volop had meegemaakt in zijn communistische jaren).

Bigger slaat op de vlucht en duikt onder bij een zwarte vriendin die, als ze over de toedracht hoort, verlamd raakt van angst. Dat Wright Bigger niet als heilige afschildert blijkt niet alleen uit zijn beschrijving van de moord en de daaropvolgende slachtpartij maar ook uit de ‘behandeling’ die de zwarte vriendin ondergaat: zij wordt verkracht en vermoord. Na een lange klopjacht komt het tot een proces, waarin Wright Biggers advocaat als zijn spreekbuis laat optreden. De advocaat bezoekt hem na het proces voor de laatste maal in de gevangenis en klaagt de Amerikaanse samenleving aan, vergiftigd door zowel klassentegenstellingen als door diepgeworteld racisme: ‘Bigger, de mensen die jou haten, voelen precies zoals jij, alleen staan zij aan de andere zijde van de grenslijn. Je bent zwart, maar dat heeft er slechts voor een klein deel mee te maken. Het feit dat je zwart bent maakt het makkelijk voor hen om jou uit te zonderen. (…) Rijke mensen willen geen verandering brengen in de gang van zaken, dan verliezen ze teveel.’[6] Hoewel in 1940 inmiddels ex-communist, blijkt uit deze woorden duidelijk dat jarenlange scholing in het communistische denken zijn sporen had nagelaten bij Wright.

Native Son was een sensatie in de Verenigde Staten. Niet eerder verscheen een roman waarin een zwart hoofdpersonage uit de arme, gewelddadige onderklasse zo indringend werd beschreven. De reacties waren over het algemeen positief en hier en daar  buitengewoon lovend. Sommigen vergeleken Native Son met andere great American Novels zoals Grapes of Wrath van John Steinbeck en Theodore Dreisers An American Tragedy. Ook een vergelijking met Misdaad en straf van Dostojewski bleef niet uit. De communistische schrijver Mike Gold (foto), pseudoniem van Itzhok Isaak Granich, schreef: ‘It is a rare and special thing that Wright has done, as no American Writer before him. He has written a story on the racial theme without sentimentalizing it’.[7]

De zwarte gemeenschap reageerde echter verdeeld op de roman. Socioloog en historicus W.E.B. Dubois oordeelde positief maar anderen vonden dat in hoofdpersoon Bigger Thomas een te negatief en stereotiep beeld van een zwarte was geschetst. De meest geruchtmakende kritiek kwam van James Baldwin (foto) die een haat-liefde verhouding onderhield met Wright. Hij bewonderde Wright maar oordeelde niettemin kritisch over Native Son dat hij – en dat was niet bedoeld als aanbeveling – beschouwde als Everybody’s Protest Novel. Hij vergeleek Native Son met Uncle Tom’s Cabin. Die inmiddels klassieke 19e-eeuwse roman van de abolitioniste Harriet Beecher Stowe werd door Baldwin getypeerd als ‘a very bad novel’, gekenmerkt sentimentaliteit. Die oneerlijke sentimentaliteit beschouwde hij als een opmaat naar wreedheid. Native Son en hoofdpersoon Bigger Thomas leken het tegendeel van Uncle Tom’s Cabin, maar dat was volgens Baldwin slechts schijn: ‘Bigger Thomas is Uncle Tom’s descendent, flesh of his flesh, so exactly opposite a portrait that, when the books are placed together, it seems that the contemporay Negro novelist and the dead New Engeland woman are locked together in a deadly, timeless battle: the one uttering merciless exhortations, the other shouting curses.[8]

Wright was diep gegriefd door de aanval, hij meende dat hij op meer waardering mocht rekenen van lotgenoten, wier spreekbuis hij – hoewel individualist – ook wenste te zijn. Baldwins uiterst kritische recensie verborg de ambivalente houding die hij in werkelijkheid zijn hele leven tegenover Wright zou behouden. Bij alle kritiek bleef Wright deep down zijn grote voorbeeld. En zoals dat vaak gaat met coming men: ze zetten zich vaak met kracht af tegen hun voorbeeld. Na de dood van Wright in 1960 schreef Baldwin schuldbewust: ‘He (Wright) saw clearly enough, far more clearly than I had dared to allow myself to see, what I had done: I had used his work as a kind op springboard into my own.’[9]

Het oeuvre van Wright overziend oordeelde Baldwin inmiddels dat Wright in zijn latere werk ‘nieuwe diepte’ had laten zien. Hij doelde op de postuum gepubliceerde bundel Eight men, ook in het Nederlands uitgegeven door zijn inmiddels vaste uitgever Kroonder en vertaald door Margrit de Sablonière, die tegen het eind van zijn leven uitgroeide tot een vriendin en vertrouwenspersoon.[10] Dat werk beschreef acht zwarte mannen en hun bestaansworsteling in het leven. Met kwade wil zou daarop het oordeel van toepassing kunnen zijn dat William Faulkner eens uitsprak. Faulkner was anno 1945 een groot bewonderaar van Black Boy en had zijn bewondering ook middels een brief aan Wright laten weten. Maar eind jaren vijftig merkte hij in een interview vilein op: ‘He wrote one good book and then he went astray, he got concerned with the difference between the Negro man and the white man and he stopped being a writer and became a Negro’.[11]

Maar die opmerking bewees dat Faulkner (foto) het oeuvre van Wright slecht had gevolgd. Zeker, zijn zwarte huidskleur en de daardoor te voeren strijd voor emancipatie en tegen discriminatie bepaalde grotendeels zijn thematiek maar dat hij ook andere talenten aanboorde was Faulkner ontgaan. Wat te denken van bijvoorbeeld het schitterende boek Heidens Spanje, zijn reisverslag naar het Spanje van generaal Franco in de jaren vijftig. De titel is niet zonder ironie, want Wright beschreef een door en door klerikaal-fascistische dictatuur, waar vrouwen niets in te brengen hadden en gescheiden van mannen zaten en waar seks voor het huwelijk taboe was, hoerenbezoek daarentegen niet. Dat was de man toegestaan aangezien de vrouw zo maagd tot de huwelijksnacht bleef. Maar onder dat klerikale uiterlijk van Spanje ontwaarde Wright een heidense ondergrond die het uiterlijke katholicisme overwoekerde: ‘Op de een of andere manier waren de heidense onderstromen van de invloeden afkomstig van de Gothen, de Grieken, de Joden, de Romeinen, de Iberiërs en de Moren nog in sterke mate en levenskrachtig aanwezig en zij gedijden heel wel onder de draperieën van de twintigste eeuw’.[12]

Maar het blijft – zonder de negatieve kwalificatie die Faulkner eraan gaf – ontegenzeggelijk waar dat Wright een zwarte schrijver was. Echter: een schrijver uitsluitend voor zwarten? Hier generaliseerde Faulkner vanuit zijn Amerikaanse perspectief. Juist Wright heeft laten zien dat een zwarte huidskleur niet (alleen) allesbepalend is, maar dat ook de context waarin geleefd wordt van belang is. Wright was zich daarvan aanvankelijk ook niet bewust, ondanks het communisme van zijn jonge jaren dat hem over klassentegenstellingen leerde.

Dat Wright meer was dan een uitsluitend ‘zwarte’ schrijver bewees hij met de in 1953 gepubliceerde, nogal existentialistische roman The Outsider, waarin invloed van Sartre is te herkennen. Hij was met de ‘paus van het existentialisme’ bevriend geraakt na zich in 1946 in Parijs te hebben gevestigd om aan het ondragelijke racisme in de VS te ontkomen.

Hij gaf Sartre advies bij het schrijven van diens toneelstuk La Putain respectueuse dat in het zuiden van de Verenigde Staten was gesitueerd en het racisme aan de kaak stelde. Met Simone de Beauvoir was zijn band nog dieper, ook omdat zij bevriend was met Wrights vrouw Ellen Poplowitz, die voor (onder meer) haar werkte als literair agent (hier gedrieën op de foto).

Als zwarte schrijver was Wright intussen niet zomaar een spreekbuis voor al zijn kleurgenoten. Midden jaren vijftig ging een langgekoesterde wens in vervulling: hij bezocht eindelijk Afrika, om preciezer te zijn: Ghana. Hij wilde naar een wereld waar hij qua huidskleur nu eens geen uitzondering was. Het verblijf viel hem echter niet mee. Hij kwam er achter als Amerikaans intellectueel een heel andere culturele achtergrond te hebben dan zijn Ghanese gastheren. Zijn puriteinse opvoeding bij de Zevendedagsadventisten kon hij niet verloochenen bij de aanblik van halfnaakt lopende  Ghanezen die hij te vrij vond in hun seksuele gedragingen.

Het christendom in Ghana, gemengd met volksgeloof, kon hem evenmin bekoren, al hield hij zich in zijn boek Black Power nog op de vlakte. Het prikkelde hem bovendien dat hij op een muur van wantrouwen stuitte: ‘I am black and they were black but my blackness did not help me’, noteerde hij in zijn dagboek.[13] De cultuurschok verleidde hem tot dagboeknotities die, zouden ze gedaan zijn door een witte auteur, als stereotyperend zouden zijn opgevat: Afrikanen liet zichzelf niet (wezenlijk) kennen maar verborgen zich achter een glimlach en hielden de contacten oppervlakkig. Hij ging zover de kolonisatie van Afrika te wijten aan hun mentaliteit: ‘There is no doubt that Europe has exploited Africa for centuries, but there is something that has caused the exploitation, and that is the essential soddenness of the African mentality’.[14]

Wright liet zich hier (opnieuw) kennen als individualist, afgaand op zijn eigen indrukken, zoals hij ook deed in Heidens Spanje. Hij stond ambivalent tegenover Afrika, zoals Baldwin ambivalent stond tegenover hem. Zoals dat gaat in het leven: pluriformiteit in denken, verscheidenheid aan opvattingen, onverschillig of iemand nu een zwarte, witte of andere huidskleur heeft. Wel ging Wrights individualisme gepaard met ‘zwart’ engagement, wat hem in de ogen van Faulkner tot een zwarte schrijver maakte.

Wat Faulkner niet kon weten, heeft Wrights biografe zorgvuldig in kaart gebracht: het ging Wright, ondanks zijn blijvende productiviteit, niet goed eind jaren vijftig. Hij kwakkelde met zijn gezondheid, werd te dik en raakte in de ban van een maag-darm-leverarts, die een kwakzalver bleek en hem verkeerde medicijnen voorschreef. Op bezoek in Nederland voor een boekpromotie in april 1960 schrok zijn Nederlandse vertaalster en vertrouwelinge Margrit de Sablonière van zijn uiterlijk: hij was dramatisch afgevallen. Zij waarschuwde hem voor de kwakzalver maar het was tevergeefs en te laat: op 28 november 1960 stierf Wright in een Parijse kliniek.                                          

Wat blijft van deze schrijver? In Nederland is hij grotendeels vergeten. Als het gaat over een zwarte Amerikaanse schrijver, gaat het vrijwel altijd over zijn ambivalente bewonderaar James Baldwin, in wiens schaduw hij is beland. Toch is hij niet vergeten: zwarte intellectuelen buigen zich nog geregeld over zijn werk. En onlangs werd hij nog aangehaald door de Franse journalist Frédéric Martel, die Wrights verslag[15] van de Aziatisch-Afrikaanse conferentie in Bandung (1955) met veel waardering besprak. Wright mocht dan wel positief oordelen over deze conferentie van de ongebonden landen, die een ‘de-westernisering van de wereld’ in zou luiden, hij was een van de weinigen destijds die oog had voor de manipulerende rol die China achter de schermen speelde via toenmalig premier Zhou Enlai.[16]

Maar ondanks deze scherpzinnige waarneming blijft de populariteit van Wright achter bij die van Baldwin. Zonder iets af te doen aan de kwaliteiten van de laatste: terecht is dat niet. In zijn beste werk (Black Boy, Heidens Spanje) toont Wright zich een schrijver van formaat, zoals trouwens ook in zijn uitgebreide bijdrage aan de klassieker The God that failed. Voor mezelf sprekend: via hem maakte ik kennis met een Afro-Amerikaanse literatuur die ik tevoren niet eerder zo kende. Niettemin beschouw ik Wright niet alleen als vertolker van ‘zwart’ literair geluid maar eerst en vooral als een eigenzinnig individualist die, bij al zijn maatschappelijk engagement, niet zonder moeilijkheden maar hardnekkig en gestaag zijn eigen weg in het leven zocht en vond. Men leze zijn werk.


[1] Richard Wright, Black Boy (American Hunger. A Record of childhood and youth [The Restored Tekst established by the Library of America] (San Franciso 1993) 130-142. In 1947 (deels) vertaald als Negerjongen (Leiden 1947).

[2] Hazel Rowley, Richard Wright. The Life and Times (New York 2001).

[3] Wright, Black Boy (American Hunger), 448-450. Dit tweede deel werd niet vertaald in het Nederlands, kennelijk omdat zijn communistische jaren niet interessant werden gevonden.

[4] Arthur Koestler (e.a.), The God That Failed. Introduction by Richard Crossmann (Londen 1950) 121-166.

[5] Richard Wright, Native Son (New York 1940). In het Nederlands enkele malen vertaald. In 1989 verscheen het als Zoon van Amerika bij het Wereldvenster in Baarn en in 2024 als Een van ons bij uitgeverij Van Oorschot.

[6] Richard Wright, Zoon van Amerika, 348.

[7] Geciteerd in: Hazel Rowley, Richard Wright. The Life and Times, 192. Overigens was Gold lange tijd een onverbeterlijke Stalinist die talloze schrijvers de maat nam en afdeed als ‘renegaat’ als ze maar iets afweken van de grillige stalinistische ideologie.

[8] James Baldwin, ‘Everybody’s Protest Novel’, in: James Baldwin, Notes of a Native Son (Boston 1955) 13-23, aldaar 22.

[9] James Baldwin, ‘Alas, Poor Richard’, in: James Baldwin, Nobody Knows My Name (New York 1961).

[10] Richard Wright, Acht mannen (Bussum, z.d.). Margrit de Sablonière was het pseudoniem van Margaretha Catharina Stigter.

[11] Rowley, Richard Wright, 477.

[12] Richard Wright, Pagan Spain (New York 1957). In het Nederlands vertaald als Heidens Spanje. Citaat aldaar op 189.

[13] Hier geciteerd in Rowley, Richard Wright, 429.

[14] Rowley, Richard Wright, 434.

[15] Richard Wright, The Color Curtain: A Report on the Bandung Conference (New York 1956).

[16] Frédéric Martel, Tegen het Westen. In gesprek met onze vijanden (Amsterdam 2026) 166-169.