Driehoeksrelaties. Overpeinzingen over een intrigerend verschijnsel na lezing van (onder meer) Adriaan van Dis’ “Alles voor de reis”

Ik hoorde er al over praten, of liever gezegd: over fluisteren: Alles voor de reis, de roman die Adriaan van Dis schreef over ‘Eefje’, zijn postume liefdesverklaring aan Ellen Jans, de vrouw die hij 38 jaar lief had. Het boek deed mij nadenken over Van Dis, over Jens en over de Ander: Wim T. Schippers. En over een andere publieke driehoeksrelatie, die tussen Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir en Nelson Algren. En ik dacht, al lezend in Van Dis’ boek, na over mijn eigen, ook niet altijd ongecompliceerde liefdesleven.

Nadat Wim T. Schippers (1942-2026) op 10 juni was gestorven plaatste ik, zoals velen, enkele berichten op de sociale media. De eerste betrof zijn kunstenaarschap. Ik schreef Schippers te beschouwen als een nazaat van provo. ‘Hij was van dezelfde generatie als Roel van Duijn en andere provo’s en ging op dezelfde ontregelende en vrolijk anarchistische wijze te werk, met dit verschil dat Schippers apolitiek was. Toch was hij een anarchist.’ Ik kreeg, naast bijval, ook commentaar: hoe kon een uniek, op zichzelf staand kunstenaar als Schippers nu vergeleken worden met Provo, dat na enkele jaren furore in de jaren zestig al snel ter ziele was gegaan?

Mijn tweede tweet maakte meer los. Uit recensies over de roman Alles voor de liefde van Adriaan van Dis en uit interviews met de schrijver werd duidelijk dat hij decennialang een relatie had gehad met de regisseuse en producer Ellen Jens (1940-2023), de vrouw van Wim T. Schippers, in Alles voor de reis consequent als ‘De Ander’ aangeduid. Over de driehoeksrelatie schreef ik op de sociale media: ‘In de schaduw van de dood van Wim T. Schippers: de pijn die een driehoeksrelatie kan opleveren. Schippers getrouwd met Ellen Jens, Adriaan van Dis die de relatie ‘binnenkwam’ en haar liefde ook claimde en Jens die de twee mannen ‘nodig’ had. Hier was zeker één iemand slachtoffer.’

Ook op dit bericht kwam, naast bijval, kritiek. Had ik, evenals de betrokkenen (van wie ik in het voorbijgaan slechts enkele keren Adriaan van Dis vluchtig ontmoette, de andere twee nooit) (freelance) medewerker van de VPRO, niet terughoudender moeten zijn? Ik had me dat niet gerealiseerd en erkende dat daar iets in zat, al kwam en kom in zelden op de burelen van de omroep.

Maar nu Van Dis in zijn sleutelroman (want dat is het toch, nu alom bekend is wie de hoofdpersonen zijn) en in interviews openhartig gesproken heeft over zijn liefde voor Ellen Jens, meende en meen ik me in het openbaar te mogen uiten over deze driehoeksrelatie – en niet alleen over deze driehoeksrelatie. Nee, over het verschijnsel driehoeksrelaties in het algemeen.

Dit thema is voor mij geen abstract en academisch onderwerp. Dat vereist enige uitleg. Toen ik dertig was en sinds enkele jaren afgestudeerd als historicus aan de Universiteit Utrecht raakte ik tot over mijn oren verliefd op een bijna tien jaar oudere vrouw die in een driehoeksrelatie zat. Het was een driehoeksrelatie tot haar genoegen. Ze was met haar echtgenoot overeengekomen dat hij een ander huis betrok, zodat zij haar minnaar (dat was ik niet) kon ontvangen. De echtgenoot was een kennis van mij met wie ik in een historisch praatclubje zat, iets te pretentieus ‘onderzoeksgroep’ genoemd. Wij kwamen periodiek bij elkaar (meestal in de Domstad) om te praten over ons eigen onderzoek en vooral over boeken die we de moeite waard vonden en die we aan elkaar presenteerden.

Wat gebeurde: de echtgenoot ontmoette in een studiezaal van een archief een historica. Het doorkruiste het plan van zijn vrouw, die wel een minnaar wenste maar hem toch graag als haar man bleef beschouwen. Toen hij een vriendin kreeg was Leiden in last: hoe durfde hij het met die vrouw aan te leggen en hoe bestond die vrouw het verliefd te worden op haar man?

Hier kom ik in het spel. Al langer gevoelig voor haar charmes, trachtte ik haar te troosten en raakte (tevergeefs) tot over mijn oren verliefd op haar. En tegelijkertijd trachtte ik (ik durf wel te zeggen: oprecht) te bemiddelen tussen haar en haar echtgenoot, die inmiddels, om het hoofs te zeggen, op vrijersvoeten was. Hoewel in wezen nooit meer dan (veel te) betrokken toeschouwer bij deze driehoeksrelatie raakte ik geheel verstrikt in deze ingewikkelde verhoudingen en zag tot wat een verdriet dit leidde. Ik leed er zelf ook onder, aangezien ik buitenstaander was en bleef terwijl ik zo verliefd was.

Was ik bij deze driehoeksrelatie slechts toeschouwer, twintig jaar later en enkele relaties verder kwam ik dichterbij een driehoeksrelatie zonder dat die evenwel ooit realiteit werd. Ik ontmoette op een boekenmarkt een aardige vrouw met wie het klikte. Ze vertelde een relatie te hebben, wat me direct terughoudend maakte in mijn belangstelling voor haar. Wel hielden we nadien sporadisch contact maar van een mogelijke relatie was geen sprake. Tot ze eind 2011 belde en vertelde dat haar relatie uit was. We ontmoetten elkaar in een café en vrij snel daarna sloegen de vlammen uit en ontstond een relatie. Die was stormachtig maar stond al snel onder druk: de vrouw in kwestie bleek namelijk slechts tijdelijk troost bij mij te hebben gezocht. Ze ging terug naar haar lief en brak met mij – die met een gebroken hart achterbleef (jaren later belde ze op om me te zeggen dat ze had rondgelopen met een schuldgevoel jegens mij. Zeer gewaardeerd maar niet nodig, ik had er immers zelf bijgestaan en was mede verantwoordelijk voor het ontstaan van deze kortstondige relatie).

Ingewikkelde relaties ken ik dus niet slechts van papier. Maar natuurlijk ook daarvan. De meest bekende (en inmiddels beruchte) was die tussen Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir. Hun verhaal mag bekend verondersteld worden: als studenten sloten ze een verbond nooit te trouwen en elkaar in de liefde geheel vrij te laten zodat voorbijkomende liefdes een kans konden krijgen.

Zogezegd, zo gedaan. Nog los van de onfrisse manieren waarop De Beauvoir filosofie-leerlingen (onder meer Natalie Sorokin en Bianca Bienenfeld [foto]) aan Sartre ‘doorspeelde’ over wie lustig geroddeld werd in over en weer gewisselde brieven, kreeg het illustere duo ook relaties met partners die hun ‘pact’ op de proef stelde. Sartre kreeg tijdens een naoorlogs bezoek aan de Verenigde Staten in de jaren ’40 een relatie met Dolorès Vanetti (1912-2008). Zij was getrouwd maar dat vormde geen belemmering voor hem haar in te palmen op de hem bekende wijze. Tegen Sartre-biografe Annie Cohen-Solal vertelde ze: ‘Als hij verliefd was en je voor zich wilde winnen vertelde hij eindeloos, stelde je vragen en drong in je binnen als een tank.’[1] Sartre verbleef maanden in de Verenigde Staten en putte zich uit in liefdesverklaringen, stelde zelfs voor om te trouwen. Maar tegenover Simone de Beauvoir (‘Beminnelijke Castor’) schreef hij tezelfdertijd: ‘Dolorès houdt angstig veel van me…. Haar hartstocht maakt me letterlijk bang, temeer omdat ik op dat gebied niet sterk ben.’[2] Enkele jaren later poogde Sartre zich van haar los te maken door haar over ‘een toekomstige onthechting’  te laten spreken – iets dat hij graag wilde horen, zodat hij de handen weer vrij kon hebben. ‘Ik denk dat ze verdriet zal hebben, maar dat het wel in orde komt’, schreef hij aan De Beauvoir.[3]

Zij was daar nog niet zo zeker van en vreesde zijn liefde voor Vanetti (foto) wel degelijk. Op hun gekende wijze spraken Sartre en zij over ‘de derde’ in hun relatie. De Beauvoir was jaloers en maakte zich tegelijk zorgen: ‘Hij riep met zo’n intens genoegen herinneringen op aan die weken in met haar in New York dat ik me ongerust maakte. Ik had gemeend dat hij zich vooral had laten meeslepen door het romantische van dit avontuur, maar nu kwam plotseling de vraag bij me op of hij om haar niet meer gaf dan om mij.’[4] Maar zij, die haar rol in deze relatie speelde als jaloerse vrouw op de achtergrond, kon opgelucht halen: in 1950 werd de relatie tussen Sartre en Vanetti verbroken. Niet door een knallende ruzie maar omdat Sartre haar aan het lijntje probeerde te houden door haar ‘een vriendschapscontract’ voor het leven aan te bieden, te onderhouden in een door hem aan te schaffen appartement. Terugblikkend sprak Vanetti van ‘ongehoorde wreedheid’. Ze gaf Sartre opmerkelijk genoeg niet de schuld van de breuk maar sprak over ‘wilskracht en meedogenloze hardheid’ van zijn omgeving.[5] Zo ontkwam de sluwe Sartre aan haar oordeel.

Simone de Beauvoir zou na een zich – niet toevallig – ongeveer gelijktijdig ontwikkelende relatie (eind jaren ’40) niet zo gemakkelijk aan een oordeel van ‘de derde’ ontkomen. Nelson Algren (foto) heette de Amerikaanse schrijver op wie ze smoorverliefd werd en met wie ze een stormachtige relatie aanging. Hij had alles dat Sartre miste: hij was knap, viriel en seksueel vurig, iets waaraan het de koele Sartre, zoals deze heel wel wist, ontbrak.

Al snel nadat de liefde ontvlamde vertelde De Beauvoir Algren ‘dat haar leven voor altijd in Frankrijk lag’.[6] Het hinderde hun liefde aanvankelijk niet maar het zat Algren dwars dat De Beauvoir het ‘pact’ met Sartre trouw bleef en (dus) gebonden aan Frankrijk. Algren heeft nooit in Frankrijk willen wonen. Hij waarschuwde zijn zwarte Amerikaanse collega Richard Wright, die zich vanwege de niet te harden discriminatie definitief in Parijs had gevestigd, zijn contacten met het land van geboorte niet te verloochenen. Een schrijver moest zijn eigen (taal)gebied trouw blijven.[7]

Maar wat de relatie definitief deed stranden: De Beauvoir maakte er literatuur van. In de prijswinnende sleutelroman De mandarijnen (1954) figureerde Algren als Lewis. Hij reageerde woedend, vooral nadat De Beauvoir hem in De druk der omstandigheden (het derde deel van haar memoires) ook nog met naam en toenaam opvoerde. Hij zou tot zijn dood in 1981 woedend blijven en sneren uitdelen. In het laatste interview dat hij gaf haalde hij nog eens uit naar zijn geliefde van eens: ‘Jezus, liefdesbrieven publiceer je toch niet. Ik ben overal ter wereld in bordelen geweest, en daar deed iedere vrouw de deur dicht…maar deze vrouw gooide de deur wagenwijd open en riep het publiek en de pers naar binnen.[8] Of hij De Beauvoir recht deed met deze sneren is de vraag. Uit de brieven die ze hem schreef spreekt een oprecht balanceren tussen haar hartstocht voor Algren en trouw aan Sartre.[9]

Maar wel roept het openbaar maken van een driehoeksrelatie door schrijvers vragen op: wat bezielt de auteur? En wie is er, behalve de auteur, zelf mee gediend? In elk geval het publiek, dat geen genoeg kan krijgen van de uit het leven gegrepen liefdes en drama’s.  

In het geval van De Beauvoir-Sartre-Algren was Algren het grootste slachtoffer, zo kan worden opgemaakt uit zijn woedende, hiervoor geciteerde reactie. In het geval van Ellen Jens-Adriaan van Dis-Wim T. Schippers is dat minder duidelijk, aangezien alleen Van Dis zich in geschrifte geuit heeft, terwijl Jens en Schippers er het zwijgen toe deden. Althans, in het openbaar. Uit reacties van derden na de dood van Schippers in juni van dit jaar valt af te leiden dat de driehoeksrelatie hem niet onberoerd had gelaten.

Columnist Max Pam schreef na de dood van Schippers dat de publicatie van het ‘rotboek’ van Adriaan van Dis zijn vriend geen goed had gedaan.[10] Zijn collega Sylvia Witteman ging verder en hield Van Dis zelfs verantwoordelijk voor Schippers’ dood.[11] Dat is een boude bewering, in grote verontwaardiging opgeschreven en niet controleerbaar. Wat wel zeker is: Schippers was er na de dood van Ellen Jens niet goed aan toe. In een interview gaf Titus Muizelaar, voorzitter van de Stichting Wim T. Schippers, aan dat Schippers na de dood van Jens aan opruimen van het huis niet meer was toegekomen. ‘Voor zichzelf zorgen was wel het laatste wat hij deed.’[12]

Het mag opmerkelijk heten dat waar het de uitlatingen over de driehoeksrelatie betreft wel over de rol en positie van de twee minnaars werd gesproken maar niet over de rol van Ellen Jens in deze driehoeksrelatie. Evenals Simone de Beauvoir balanceerde Jens tussen twee mannen, al zat er geen Atlantische oceaan tussen de drie geliefden, immers allen in Amsterdam woonachtig. Maar anders dan De Beauvoir sprak Jens met haar geliefden nooit over de ander. Integendeel, zodra Van Dis over De Ander begon werd hij afgekapt.[13] Hij omschreef zichzelf in interviews over Alles voor de reis als een man die genoegen nam met de situatie. Hij spreekt over zijn ‘zelfbeschadigende onrust’, een gevolg van zijn ingewikkelde relatie met zijn ouders.[14] Zijn vader kampte met een oorlogstrauma, zijn moeder raakte hem nooit aan. Vandaar: ‘Gelukkig met elke kruimel’. Maar dat blijkt toch niet helemaal waar: Van Dis wilde de hele koek en drong er bij haar op aan hoe dan ook te kiezen, want deze driehoeksrelatie maakte hem onrustig, zoals die ook Algren onrustig had gemaakt. Maar zodra hij de keuze opperde begon Jens over een ander onderwerp. Ze wilde hem en ze wilde de Ander.

Van die Ander is in Alles voor de reis om voor de hand liggende redenen vrijwel geen uitlating te terug te vinden. Schippers en Van Dis meden elkaar als de pest, mede onder regie van Jens. Van Dis beschrijft één confrontatie tussen hen beiden en voert daarbij Schippers sprekend op. In aanwezigheid van Schippers sprak hij eens het woord ‘liefje’ uit tegenover Jens, waarop Schippers: ‘Er is hier maar één liefje.’[15] Tragischer kan de onmacht van Schippers niet worden getekend – vileiner ook niet. In de podcast ‘Van Dis ongefilterd’ beklemtoonde de schrijver dat hij een roman schreef, geen onverhulde autobiografie.[16] Daarom had hij een hoop veranderd en weggelaten, onder meer familieleden van ‘Eefje’.

Het zal zijn, maar de beschrijvingen van de Ander zijn zo vilein dat die wel degelijk lezen als een afrekening. Neem deze: aan het ziekbed van Eefje/Jens zaten de twee uiteraard nooit samen. Zodra de een kwam maakte de ander zich uit de voeten. In Alles voor de reis krijg je de indruk dat Van Dis vrijwel permanent bij haar was en waakte, terwijl Schippers iedere dag een uur op bezoek kwam. ‘Met een tas vol alternatieve pillen. (…) Hij ontkende haar ziekte en geloofde in orthomoleculaire wonderen. Eefje spoelde ze al maanden door de plee.’[17] Hier worden twee klappen uitgedeeld: Schippers als kwakzalver en Jens die zijn wonderpillen niet serieus nam. Hier lijkt geen sprake van fictie, hoezeer daar ook mee geschermd wordt.

Hoe Schippers naar de ‘tweede’ man van Jens keek, laat zich raden. In het openbaar lijkt hij zijn emoties beheerst te hebben, althans er drong nooit wat over door in de pers. Maar volgens Van Dis meden Jens en hij op haar verzoek de Amsterdamse terrassen, het zou niet alleen vragen oproepen maar ook ‘geroddel en haat van de Ander, die hij uitbraakte in grachtengordelkroegen.’[18] In het openbaar machteloos moet Schippers een diepe en blijvende liefde voor Jens hebben gekoesterd, anders zou hij de Ander (in dit geval Van Dis) niet verdragen hebben.

Of was hij emotioneel geheel van haar afhankelijk? Van Dis suggereert het. Hij schrijft: ‘Een scheiding zou de Ander verwonden. Of erger: hij dreigde met erger…Ik moest hem ontzien.’ Dreigen met zelfmoord als verlating dreigt is wel de ultieme vorm van afhankelijkheid. Schippers heeft in het openbaar nooit op het boek willen reageren in de twee jaar die hem gegeven waren tot zijn dood. Maakte hij het spreekwoord ‘spreken is zilver, zwijgen is goud’ tot het zijne of was hij eenvoudig emotioneel machteloos nu Jens de touwtjes van de relatie stevig in handen had? Dat ze die had lijkt wel duidelijk. Het mennen van de ‘paarden’ Schippers én Van Dis ging haar al die jaren goed af. Ze leefde in gescheiden compartimenten, wat te denken geeft over haar beheersing van emoties.  

Al wat de mannen konden doen was haar na haar dood in 2023 voor zichzelf claimen. Het leidde tot twee verschillende overlijdensberichten in de pers. Schippers koos voor de veelzeggende woorden ‘wederzijds ongedeelde grote liefde’. Die woorden kwamen overeen met de zin die Van Dis in Alles voor de reis van de Ander citeerde: ‘Er is hier maar één liefje.’  Van Dis kwam in zijn overlijdensbericht met een al even veelzeggende liefdesverklaring, woorden ontlenend aan dichter Herman Gorter. De derde zin van diens gedicht Zie je ik hou van je luidde tot tweemaal toe: ‘Ik hou van je, ik hou van je.’

In Alles voor de reis openbaart Van Dis dat niet hij, niet Schippers maar Hugo Claus (‘de Toneelschrijver’) de ware grote liefde van Ellen Jens was. De bezoeken aan Claus zouden hen – Van Dis en Jens – nader tot elkaar hebben gebracht, nadat Jens na een nieuwe kortstondige relatie door de womanizer uit Brugge wederom was ingeruild voor iemand anders.[19] Zo ontvouwt zich het scenario dat Van Dis dan wel als derde partij aankwam in de relatie met Ellen Jens, maar uiteindelijk toch de tweede plaats innam, vóór Schippers.

Wat blijft hangen van deze (overigens fraai geschreven) romantische liefdesverklaring: dat in deze driehoeksrelatie zeker één slachtoffer aan te wijzen valt: Schippers. Al blijft dat een oordeel van buitenaf. Schippers heeft zichzelf wellicht nooit als slachtoffer beschouwd en de driehoek heeft zijn creativiteit in elk geval nooit belemmerd – maar pijn zal die hem gedaan hebben. Hij was er al die tijd bij en het is hoe dan ook opmerkelijk dat hij haar lief bleef hebben, al heeft het er alle schijn van dat de door Van Dis aangewezen afhankelijkheid ook een rol heeft gespeeld in de relatie Jens-Schippers.

En Van Dis zelf? Hij deed het in interviews grootmoedig voorkomen dat liefde niet eenvoudig in hokjes te stoppen is.[20] En hij zelf al helemaal niet, ook door zijn biseksualiteit, waarover hij openhartig schrijft in Alles voor de reis.[21] En ook van Van Dis kan gezegd worden dat hij Jens 38 jaar en tot het eind toe lief gehad heeft, al was het dan gedeelde liefde. Maar bij al zijn tevredenheid met de ‘kruimels’ dan toch: ‘Trouw met mij, trouw met mij’.[22]

Driehoeksrelaties, ze kunnen wel maar zonder pijn en vilein gaat het niet, zoals Alles voor de reis laat zien. En ze zijn een zaak voor enkelingen. Niet velen houden zo’n relatie tot het (bittere) eind vol, zoals het trio Jens, Schippers en Van Dis. Ik las en overdacht deze driehoeksrelaties bijzonder geboeid, keek nog eens in de spiegel van mijn eigen, bescheiden liefdesleven en concludeer dat ik niet geschikt ben voor deze relatievorm.


[1] Annie Cohen-Solal, Jean-Paul Sartre. Zijn biografie (Amsterdam 1987) 297.

[2] Cohen-Solal, Jean Paul Sartre, 303.

[3] Jean-Paul Sartre, Brieven aan Castor (Amsterdam 1983) 372.

[4] Simone de Beauvoir, De druk der omstandigheden (Bussum 1969-1970) 81.

[5] Cohen-Solal, Jean-Paul Sartre, 350.

[6] C. Francis, F. Gontier, Simone de Beauvoir (Baarn 1985) 225.

[7] Hazel Rowley, Richard Wright. The Life and Times (New York 2001) 380-381.

[8] Deirdre Bair, Simone de Beauvoir. Biografie (Amsterdam 1990) 591.

[9] Simone de Beauvoir, Een transatlantische liefde. Brieven aan Nelson Algren 1947-1964 (Breda 1998).

[10]Max Pam, ‘Doodgaan doe je maar één keer’, riep mijn vriend Wim. ‘Dan ga je toch niet liggen slapen?’, in: de Volkskrant, 17 juni 2026.

[11] Sylvia Witteman, ‘Adriaan van Dis schreeuwde zijn geheime liefde tegen beter weten in tóch van de daken, en verwondde daarmee De Ander’, in: Het Parool, 17 juni 2026.

[12] Ally Smid, ‘Titus Muizelaar regisseert artiesten. “Ik was altijd ontroerd door Wim T. Schippers, een vriend”’, in: Trouw, 13 juli 2026.

[13] Adriaan van Dis, Alles voor de reis (Amsterdam 2026) 28-29.

[14] Van Dis, Alles voor de reis, 28.

[15] Van Dis, Alles voor de reis, 122.

[16] https://podcastluisteren.nl/ep/Van-Dis-Ongefilterd-57-Het-grote-openhartige-Alles-voor-de-reis-interview

[17] Van Dis, Alles voor de reis, 48.

[18] Van Dis, Alles voor de reis, 29.

[19] Van Dis, Alles voor de reis, 31.

[20] Laura de Jong, ‘Nooit sprak of schreef Adriaan van Dis over zijn geliefde, met wie hij 38 jaar een verhouding had – tot nu’, in: de Volkskrant, 16 januari 2026.

[21] Van Dis, Alles voor de reis, 71-75.

[22] Van Dis, Alles voor de reis, 29.