Polemist voor eigen parochie. A.Th. van Deursen als historicus en fundamentalist. Een oude polemiek gepubliceerd

Twintig jaar geleden publiceerde ik in De Academische Boekengids een kritiek op de gelauwerde gereformeerde historicus A.Th. van Deursen (1931-2011). De aanleiding voor mijn kritiek was zijn boek Een hoeksteen in het verzuild bestel, over de geschiedenis van de Vrije Universiteit Amsterdam. Het boek was, zoals al het werk van Van Deursen goed en zeer toegankelijk geschreven, vol van krachtige typeringen van beschreven hoogleraren en andere medewerkers van de universiteit. Maar eenmaal aangekomen bij de jaren zestig en de protestgeneratie die ook aan de VU van zich liet horen ging het mis. De historicus bood geen verklaringen voor de opkomst van het (neo)marxisme maar volstond met sneren en liet zich kennen als pessimistisch cultuurcriticus, zoals hij ook deed in opstellenbundels naast zijn historische studies.
Hieronder nog eens mijn essay, niet om Van Deursen postuum een trap na te geven, maar omdat ik mijn artikelen bijeenbreng op deze website. Trouwens, van Deursen heeft zich destijds geweerd tegen mijn artikel in een repliek in De Academische Boekengids, voor iedereen nog steeds na te lezen (Het verscheen onder de titel: ‘Niet alle opvattingen hoeven te worden gerespecteerd’).

Polemieken als deze zijn zeldzaam geworden in de historische wereld en ze roepen verdeelde reacties op. Fans van Van Deursen (en dat zijn er veel, ook onder seculiere historici) lazen mijn kritiek hoofdschuddend, anderen stuurden me briefjes met instemming. Zelf vind ik nog steeds dat ik er goed aan deed deze kritiek naar voren te brengen. Maar oordeel uiteraard zelf.

De orthodox-gereformeerde historicus A.Th. van Deursen geniet ook onder seculiere lezers grote waardering. Maar het is vaak meer zijn stijl dan zijn argumentatie die overtuigt. Wetenschap en verzuiling gaan slecht samen. Als historicus heeft hij zich dan ook vertild aan de geschiedenis van zijn eigen universiteit. Je hoort tegenwoordig nogal eens de klacht dat kleurrijke wetenschappers geen forum meer hebben in de academische wereld. Al het onderzoek wordt groepsgewijs uitgevoerd en mondt uit in keurige maar ook brave proefschriften, die alleen voor ingewijden lijken te zijn geschreven. Beperken we ons tot de geschiedwetenschap, dan steekt in dit verwijt een kern van waarheid. Geen misverstand: de huidige hoogleraren geschiedenis verstaan hun vak, publiceren regelmatig en zijn soms zelfs te beluisteren via de radio en te zien op televisie. Maar desondanks is dat zelden spraakmakend, ergerlijk of enthousiasmerend. Waaraan zou dat kunnen liggen? Aan genoemd academisch klimaat, dat tot conformisme dwingt? Aan het kleine historische wereldje in Nederland, waarin iedereen iedereen kent en je dus snel op andermans tenen staat? Of heeft het iets te maken met het verdwijnen van de verzuiling, toen hoogleraren geschiedenis er nog geprononceerde overtuigingen op na hielden en niet waren aangetast door het postmoderne virus, dat honderd bloemen wil laten bloeien zonder ooit te zeggen welke bloem de mooiste is?

Vermoedelijk spelen al deze mogelijke verklaringen een rol. Maar er leeft in Nederland nog een historicus die, als het Gallische dorp onder de Romeinse bezetting in de strip Asterix, standhoudt tegen de waan van de dag: A.Th. van Deursen, emeritus hoogleraar Nieuwe geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Van Deursen werd in Groningen geboren in een gereformeerd gezin als jongste van vijf kinderen. Hij was nog een jongen toen de Gereformeerde Kerken tijdens de Tweede Wereldoorlog hun eigen oorlog uitvochten over de status van de doop. De aloude gereformeerde leider Abraham Kuyper (1837-1920, afbeelding) had geleerd dat bij de doop de kiem gelegd werd voor een mogelijke wedergeboorte na de dood. Stierf een kind jong, dan mochten de ouders erop vertrouwen dat hun kind ‘zalig’ werd. De theoloog Klaas Schilder, hoogleraar aan de Theologische Hogeschool Kampen, betwistte deze ‘veronderstelde wedergeboorte’: volgens hem bood de doop geen enkele zekerheid op een plaats in de hemel. De splitsing over de ‘veronderstelde wedergeboorte’, die bekendstaat als de ‘Vrijmaking’, had getalsmatig grote gevolgen voor de Gereformeerde Kerken, die in 1944 ongeveer tien procent van hun leden verloren. Van Deursen werd nu ook vrijgemaakt gereformeerd en lid van de kerk van Schilder.

Van Deursen groeide beschermd op. De Gereformeerde Kerken vrijgemaakt leefden in grote afzondering en beschouwden zichzelf als de ‘ware kerk’, wat contacten met andersdenkenden niet bevorderde. De Rijksuniversiteit Groningen, waar hij geschiedenis ging studeren, moet voor Van Deursen een bijzondere ervaring zijn geweest: hier liepen christenen en vrijdenkers door elkaar heen. Na zijn afstuderen verkaste hij naar de andere kant van het land om in Den Haag te werken bij het Bureau voor Vaderlandse geschiedenis. Bijna tien jaar lang, tussen 1958 en 1967, werkte Van Deursen aan de bewerking van zeventiende-eeuwse bronnenuitgaven.

In 1967 werd hij lector geschiedenis aan de Vrije Universiteit, om vier jaar later te worden bevorderd tot hoogleraar Nieuwe geschiedenis. Tot 1996 zou hij aan de VU verbonden blijven. In die jaren ontpopte de wat droog ogende, weinig spraakzame Van Deursen zich als een begenadigd stilist en uitmuntend verteller van de geschiedenis van de Nederlandse Opstand en de Republiek in de Gouden Eeuw. Hij vestigde zijn naam als historicus met een stroom van boeken, variërend van Bavianen en slijkgeuzen. Kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldenbarnevelt (1974), Het kopergeld van de Gouden Eeuw (1978-1980), Een dorp in de polder. Graft in de 17e eeuw (1994), Maurits van Nassau 1567-1625. De winnaar die faalde (2000), tot aan De last van veel geluk (een overzichtsgeschiedenis van de Nederlandse Republiek, 2004).

Van Deursen werd niet alleen door gereformeerden beschouwd als hun historisch paradepaardje; hij was ook zeer populair bij niet-christelijke historici en het grote publiek. Dat is bijzonder, want gereformeerde historici vóór hem werden uitsluitend door de achterban gelezen. Seculiere vakgenoten bekeken hen met nauw verholen minachting vanwege de als ‘achterlijk’ beschouwde geloofsovertuiging. Dat Van Deursen op zoveel populariteit mocht rekenen, dankte hij behalve aan zijn kennis van zaken vooral aan zijn stijl. Die is onnavolgbaar en eigenlijk alleen te vergelijken met die van Karel van het Reve (foto): geen woord te veel, altijd trefzeker, zowel in zijn karakterisering van mensen als in zijn beschrijving van gebeurtenissen. Hoe ironisch: de orthodox-gereformeerde Van Deursen, een vurig gelovige in de God van Abraham, Izaäk en Jacob, en de vrijdenker Van het Reve, die God afschreef in het geruchtmakende opstel De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen, ontmoeten elkaar als tegenpolen in een superieure stijl.

Met de heidense waardering voor het werk van Van Deursen was van meet af aan iets merkwaardigs aan de hand. Je kunt wel waardering hebben voor iemands stijl en kennis van zaken, maar uiteindelijk leggen wereldbeschouwing en geloofsovertuiging meer gewicht in de schaal. Dat trad niet meteen aan de dag: Van Deursens uitstekend geschreven werk was gebaseerd op degelijk bronnenonderzoek en ging bovendien over een ver verleden tijd. Dat maakte het de vrijdenkende historici gemakkelijk de loftrompet te steken over zijn historische studies.

Maar Van Deursen liet het daar niet bij. Met de jaren ontwikkelde hij zich tot een scherp criticus van de liberale, in zijn ogen libertaire tijd waarin hij leefde. Kort en goed kwam die kritiek hierop neer: sinds de Franse Revolutie erkent de mens ‘god noch meester’ en heeft hij zichzelf op de troon gezet. De mens is van God los en propageert een losbandig leven. En liet de libertaire mens het daar maar bij. Volgens Van Deursen streeft de liberale samenleving naar uniformiteit en tracht zij godsdienstige geluiden die haar onwelgevallig zijn te smoren. Eén voorbeeld: in 1985 ontstond ophef over het evangelistenechtpaar Lucas en Jenny Goeree (foto). Zij beweerden dat de massamoord op de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog het gevolg was van de joodse uitroep in het Nieuwe Testament: ‘Het bloed kome over ons en onze kinderen.’ Een uitroep die gedaan werd om de Romeinse stadhouder Pontius Pilatus te bewegen Jezus van Nazareth te kruisigen in plaats van de misdadiger Barabbas. Jezus werd door de joden niet als ‘zoon van God’ beschouwd, maar als een valse profeet.

De Goerees verspreidden huis aan huis pamfletten waarin gesteld werd dat de joden ten dode waren opgeschreven als ze zich niet tot Jezus Christus bekeerden. De publicist Richard Stein beschouwde dit als antisemitisme en diende een klacht in bij de rechtbank. Van Deursen keerde zich op 25 september 1985 tegen die klacht. Het stond het echtpaar Goeree naar zijn overtuiging vrij zich uit te spreken zoals het deed. Godsdienst is een levensovertuiging en dient vrij te zijn, ook als die niet iedereen bevalt. Echte tolerantie betekende volgens Van Deursen juist dat opvattingen van een ander die niet worden gedeeld, dienen te worden gerespecteerd. Daar moest de rechter niet aan te pas komen.

Van Deursen sprak hier een waar woord. Hij kon dat ook gemakkelijk doen omdat de orthodoxe opvattingen van het echtpaar niet ver verwijderd lagen van zijn eigen overtuiging. Seculiere historici fronsten wel even de wenkbrauwen toen ze deze opinie onder ogen kregen. Maar omdat het hun terrein niet raakte, gingen ze over tot de orde van de dag en bleven ze genieten van Van Deursens imponerende historisch werk. De polemist uit Buitenveldert (waar de Vrije Universiteit is gehuisvest) hield echter aan. Op 9 december 1994 sprak Van Deursen in de Pieterskerk in Leiden de Huizingalezing uit, waarin hij de cultuurkritiek van de historicus Johan Huizinga (1872-1945, foto) verbond met de Bezwaren tegen den geest der eeuw, die de tot het christendom bekeerde jood Isaäc da Costa (1798-1860) in 1823 in een brochure onder woorden bracht. De vergelijking tussen de orthodoxe reactionair Da Costa en de vrijzinnig-protestantse liberaal Huizinga werd in Leiden als een provocatie opgevat.

En niet alleen daar. In NRC Handelsblad van 17 december 1994 reageerde Maarten Brands (foto), hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, furieus. Onder de titel ‘Van geloofsabsolutisme zou Huizinga hebben gegruwd’, schreef hij de vergelijking nonsens te vinden. ‘Te concluderen dat op bepaalde punten “het betoog van Huizinga zonder meer in de lijn van Da Costa” ligt, is als de conclusie dat Erasmus en Calvijn op één lijn liggen’, aldus Brands. Hij was de eerste seculiere historicus die openlijk afstand nam van het gedachtegoed van Van Deursen. Brands bekritiseerde scherp diens verdediging van het recht op vrije meningsuiting van het echtpaar Goeree. ‘Van Deursens tolerantie is in zulke gevallen wat eenkennig van aard. Het recht om zich gekwetst te voelen is bij hem zeer ongelijk verdeeld en blijft vooral aan zijn eigen groep voorbehouden. Er wordt bij herhaling sterk naar de eigen kant toegerekend. Van gelijk oversteken is bij hem al helemaal geen sprake. De tolerantie van onze vrome vrienden ten opzichte van niet-vromen is door de eeuwen heen, maar ook nu nog vaak niet opvallend groot.’ 

Van Deursen reageerde enkele dagen later. In zijn antwoord kleineerde hij Brands: diens artikel zou geen ‘rationele’ beschouwing zijn maar een ‘emotionele’. Het stuk bleef vooral in het geheugen hangen door die ene dodelijke zin: ‘De laatste jaren heb ik weinig gelegenheid gevonden de publicaties van collega Brands te volgen.’ Een superieure maar ook hatelijke zin, aangezien Maarten Brands sinds zijn proefschrift in 1965 nauwelijks meer iets van betekenis had gepubliceerd. De grachtengordel, met in de voorlinie de zelfbenoemde antifascist Hugo Brandt Corstius (foto), die nog een rekening met Brands te vereffenen had, genoot van deze ‘zin van het jaar’. De discussie tussen Brands en Van Deursen zong nog jaren na in historisch Nederland en werd vooral als amusement opgevat. Maar Brands komt de eer toe iets van Van Deursen te hebben gezien, dat zich in de loop der jaren steeds sterker zou manifesteren: de orthodoxe, zo niet fundamentalistische gelovige Van Deursen zou de historicus Van Deursen steeds meer overvleugelen. Dat begon nu ook meer vakgenoten op te vallen.

Op 9 oktober 1998 publiceerde Van Deursen in de Volkskrant een kritische bespreking van het proefschrift Huwelijk in Holland. Stedelijke rechtspraak en kerkelijke tucht, 1550-1700 van de jonge historica Manon van der Heijden. De teneur van die recensie: Van der Heijden heeft onvoldoende inzicht en begrip getoond voor het geloof in de zeventiende eeuw. De recensie schoot een collega van Van der Heijden in het verkeerde keelgat. In een bespreking van het proefschrift in het Historisch Nieuwsblad (november 1998) onder de veelzeggende titel ‘Begrijpt alleen Van Deursen de 17e eeuw?’, viel de historica Erika Kuijpers Van Deursen hard aan. Van Deursen zou, schreef Kuijpers, zich minder moeten blindstaren op de vele zeventiende-eeuwse theologische traktaten, maar eens oog moeten hebben voor de geloofsbeleving in die tijd. Zo nam de kritiek op de cultuurcriticus Van Deursen langzaam toe. De historicus Van Deursen was echter nog onaantastbaar. Hij bouwde in hoog tempo voort aan zijn inderdaad indrukwekkende oeuvre over Nederland in de Gouden Eeuw. Daarop kwam wel eens detailkritiek, maar over het algemeen waren de commentaren vol lof. De bewondering nam nog toe toen bekend werd dat de historicus zijn in 2004 verschenen overzichtswerk De last van veel geluk vrijwel uit het hoofd had geschreven, zonder zijn aantekeningen of bronnen noemenswaardig te raadplegen. Een indrukwekkend staaltje van meesterschap, dat geen van de huidige historici hem nadoet.

Maar toen, op het hoogtepunt van zijn loopbaan, overspeelde Van Deursen zijn hand. Hij begon te schrijven aan de geschiedenis van de universiteit die hij bijna dertig jaar had gediend: de Vrije Universiteit. In 2005 bestond die 125 jaar en zou, naar de mening van de lustrumcommissie, een nieuw en geactualiseerd gedenkboek verdienen. Het destijds meest recente gedenkboek (M. van Os en W.J. Wieringa (red.), Wetenschap en rekenschap 1880-1980. Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit) was in 1980 verschenen en verdiende die naam eigenlijk niet: het was een bundel opstellen waarin de wetenschapsbeoefening aan de Vrije Universiteit op de verschillende vakgebieden werd beschreven. Van Deursen had daaraan bijgedragen met een opstel over ‘de Vrije Universiteit en de geschiedwetenschappen’. In de aanloop naar het 125-jarig lustrum oordeelde de commissie dan ook dat Van Deursen de aangewezen man was om de geschiedenis nog eens in kaart te brengen: hij had de universiteit immers lang gediend en was vertrouwd met de gereformeerde beginselen waaruit het bolwerk was ontstaan. De commissie was zich welbewust met Van Deursen een risico te lopen: hij zou wel eens kritisch, om niet te zeggen uitgesproken negatief over de VU kunnen oordelen. Eén ding was zeker, het gedenkboek zou niet saai zijn.

Dat is inderdaad het laatste wat van Een hoeksteen in het verzuild bestel. De Vrije Universiteit 1880-2005 kan worden gezegd. Het boek is van de eerste tot de laatste pagina spannend en leest, zoals alles van Van Deursen, als de spreekwoordelijke trein. Het wemelt ook nu weer van scherpzinnige typeringen. Zo wordt gezegd van de hoogleraar psychologie Jan Waterink, met een groot draagvlak in de gereformeerde achterban: ‘Zijn calvinisme was echter steviger gefundeerd dan zijn vakwetenschap.’ Van Deursen heeft evenmin een hoge pet op van de wetenschappelijke kwaliteiten van hoogleraar rechten Gezina van der Molen, tijdens de Tweede Wereldoorlog een van de grondleggers van het illegale dagblad Trouw. Na de lofprijzing van een leerling te hebben geciteerd, die haar ‘diepe liefde voor de medemens’ roemt, schrijft Van Deursen: ‘Wie over zulke eigenschappen beschikt, dwingt respect en bewondering af, maar voor een hoogleraarsbenoeming worden doorgaans andere criteria aangelegd.’ Dergelijke typeringen maken het boek een genoegen om te lezen.

En toch is deze studie mislukt. Om de volgende reden: Van Deursen toont zich in dit boek geen historicus die tracht te begrijpen waarom de aanvankelijk gereformeerde Vrije Universiteit ingrijpend veranderde in een bijzondere universiteit. Die geldt weliswaar niet meer als gereformeerd, maar wenst toch te leven vanuit christelijke inspiratie. Van Deursen toont zich in dit boek letterlijk een fundamentalist en wel in twee betekenissen van het woord. Hij is een fundamentalist die de Bijbel als het geopenbaarde Woord van God van kaft tot kaft letterlijk neemt. Daarvoor valt vanuit godsdienstig standpunt iets te zeggen, want waarom in God geloven als je hem niet voor almachtig houdt? Maar erg is vooral zijn andere fundamentalisme.

Dat heeft betrekking op de gereformeerde beginselen, zoals die in de zestiende eeuw hun weerslag vonden in de Heidelbergse Catechismus, waarin werd gesteld dat de mens ‘niet geneigd was tot enig goed’. Drie eeuwen later, in de negentiende eeuw, werden deze gereformeerde beginselen opgefrist door Guillaume Groen van Prinsterer (1801-1876, afbeelding) en in de praktijk gebracht door Abraham Kuyper, die niet alleen de Gereformeerde Kerken stichtte, de Antirevolutionaire Partij (antirevolutionair: tegen de Franse Revolutie) maar in 1880 ook de Vrije Universiteit. Vrije Universiteit, dat wil zeggen: vrij van de staat maar ook vrij van de kerk. Naar de leer van Kuyper diende de universiteit ‘soeverein in eigen kring’ te zijn, zoals ook de politiek en de kerk eigen wetten en gebruiken kenden.

Kuyper, zo valt te lezen in de recent verschenen studie Abraham Kuyper. Een biografie van de Utrechtse historicus Jeroen Koch, wilde niet alleen een theologische opleiding hebben. Die bestond al sinds 1854 in Kampen. Nee, het moest een echte universiteit zijn, met rechten, letteren en geneeskunde. Die geneeskunde zou pas jaren later worden gerealiseerd, maar met rechten en letteren was de VU van meet af aan meer dan een domineesopleiding. Geloof en wetenschap vormden echter een ingewikkelde combinatie. Vooral de vooruitgang in de natuurwetenschappen bracht het geloof in problemen. Kuyper en zijn opvolgers trachtten tot 1940 met wisselend succes de evolutietheorie van Darwin en andere ontwikkelingen in te bedden in de gereformeerde leer, die vooral werd uitgewerkt door de filosoof Herman Dooyeweerd (1894-1977).

Van Deursen beschrijft de eerste zestig jaar van de Vrije Universiteit helder en met duidelijke instemming. Je merkt aan alles dat hij zich thuis voelt bij die nog onwankelbare gereformeerde beginselen. Maar het gaat mis waar Van Deursen de VU-geschiedenis na de Tweede Wereldoorlog beschrijft. De verschrikkingen van de oorlog gingen ook aan de universiteit niet voorbij. Niet alleen kwamen verscheidene studenten en hoogleraren om in het verzet, ook anderszins liet de oorlog zijn sporen na. Het massieve gereformeerde bouwwerk, een quasi-rationalistische constructie, begon onder invloed van de Jodenvervolging en de algehele verwoesting van de oorlog roestverschijnselen te vertonen.

De eerste jaren leek er nog niet zoveel aan de hand. De vooroorlogse verzuiling ging ook na 1945 door. Maar vooral natuurwetenschappers geloofden niet langer in het Bijbelverhaal, waarin de aarde in zes dagen was geschapen en de mens de ‘kroon der schepping’ was. De bioloog Jan Lever (1922, foto) was één van hen. In de jaren vijftig trachtte de voluit christelijke Lever het scheppingsverhaal te verenigen met de evolutietheorie. Hij aanvaardde deze theorie maar verwierp haar materialistische uitgangspunten. Maar als de evolutietheorie juist was, wat dan te doen met de Bijbel? Eerst zei Lever dat Adam en Eva rondliepen in het pleistoceen, later betwistte hij de Bijbelse voorstelling van het paradijs. Van Deursen ontleedt de worsteling van Lever ragfijn.

Hij veroordeelt diens optreden niet openlijk. Maar de goede verstaander leest tussen de regels door dat hij Levers keuze voor de wetenschap scherp afkeurt. Van Deursen meet het optreden van Lever en diens navolgers af aan een onwrikbare standaard: de gereformeerde beginselen, zoals die rond 1880 door Kuyper waren geformuleerd. Toen immers werd de wetenschap ingepast in de gereformeerde wetenschapsleer, die de Bijbel als het onfeilbare woord van God beschouwde. Hier faalt de historicus Van Deursen: geen moment historiseert hij die gereformeerde beginselen van Kuyper. Zou het kunnen dat ze onhoudbaar waren in het licht van de (natuur)wetenschap? Bij Van Deursen is dat geen vraag. Wat je dan krijgt is voorspelbaar: iedere ontwikkeling in strijd met die gereformeerde beginselen wordt veroordeeld.

Naarmate het boek vordert, wordt Van Deursens toon steeds schriller – vooral als in de jaren zestig de geest van het marxisme vaardig wordt over docenten en studenten van de Vrije Universiteit. Van Deursens ergernis is wel enigszins voorstelbaar. Blagen van nog geen vijfentwintig jaar, die nauwelijks kennis hadden genomen van Het Communistisch Manifest of Het Kapitaal eisten met veel bravoure dat Marx op het academisch menu werd opgediend. Maar de lezer zoekt bij Van Deursen tevergeefs naar een verklaring voor het feit dat de protestgeneratie in de jaren zestig liever de negentiende-eeuwer Karl Marx (foto) las dan diens tijdgenoot Abraham Kuyper. Zou het kunnen dat de studenten verlangden naar bevrijding – onder meer bevrijding van een godsbeeld dat de mens voorstelde als een immer zondig wezen? Geen woord daarover bij Van Deursen. Hij nagelt de studenten, en vooral de slappe bestuurders die met hen pacteerden, aan de schandpaal. Dat krijg je ervan als je de gereformeerde beginselen voor onfeilbaar verklaart en niet opvat als een historische categorie, die als alles onderhevig is aan verandering. Zelfs christenen die zich vanuit het algemeen christelijke gebod van de naastenliefde bekommerden om de derde wereld, ontkomen niet aan Van Deursens kritische oordeel. Want: niet gereformeerd.

Na lezing van deze partijdige en ongenuanceerde geschiedenis van de Vrije Universiteit kijk je kritischer naar het oeuvre dat Van Deursen over de zeventiende eeuw bijeen heeft geschreven. Daarin klinkt geen kritische, maar veeleer een nostalgische toon door. In de zeventiende eeuw hadden de mensen nog zondebesef en ontzag voor God en leefden ze nog naar gereformeerde beginselen – tenminste naar zijn interpretatie. Van Deursen is, zo wordt alsmaar duidelijker, inmiddels uitgegroeid tot de Da Costa van de eenentwintigste eeuw: hij koestert bezwaren tegen de geest van onze tijd.

Wie daaraan nog mocht twijfelen, werd door Van Deursen zelf op zijn wenken bediend. Op 18 mei 2006 werd in Den Haag het eerste exemplaar van de genoemde biografie door de historicus Jeroen Koch van Abraham Kuyper aangeboden aan minister-president Balkenende. En al werd er bij die gelegenheid veel gesproken over Kuyper, in de wandelgangen gonsde de naam van Van Deursen. Wat was het geval? Van Deursen had een dag tevoren in het Reformatorisch Dagblad een harde aanval gedaan op het boek van Koch. Diens biografie mocht dan wel de eerste min of meer complete studie zijn na zestig jaar, het boek was in de ogen van Van Deursen ‘waar noch waardig’. De anders altijd zo onderkoelde Van Deursen, die Maarten Brands nog zo vilein onderuit had gehaald, kon zich ditmaal niet beheersen en omschreef het boek van Koch met een verwijzing naar Ayaan Hirsi Ali (foto) als ‘een libertijns pamflet – Nederlands met een Somalisch accent’. Wat wekte Van Deursens verontwaardiging? Onder meer Kochs misprijzende toon over het calvinisme, dat hij naar de opvatting van Van Deursen benaderde ‘zoals de superieure negentiende-eeuwse westerling die glimlacht over de dwaze afgoderij van primitieve inboorlingen’.

De ergernis over de toon van het boek zat Van Deursen zo hoog dat hij niet toekwam aan een inhoudelijke bespreking daarvan. Dat is jammer en ook onverdiend, want Koch wierp in zijn biografie tal van vragen op die Van Deursen tot nadenken zouden kunnen stemmen. Zoals de vraag of Kuyper nu uit was op herkerstening of verzuiling. Koch stelt dat Kuyper Nederland tot zijn laatste snik wilde herkerstenen, maar door zijn organisatiedrift onbedoeld de verzuiling in het leven riep. Rooms-katholieken en sociaaldemocraten kwamen hun aanvankelijke verbijstering over het fenomeen Kuyper te boven en begonnen zijn organisatiedrift te imiteren.

Recensent Gert J. Peelen (foto) vroeg zich op 19 mei 2006 in zijn wél zakelijke recensie in de Volkskrant af hoe Kochs stelling te rijmen was met Kuypers splitsing van de hervormde kerk in 1886. In dat jaar vertrokken in het kielzog van Kuyper vele kerkelijke lidmaten, die enkele jaren later opgingen in de Gereformeerde Kerken. Als Kuyper uit was op herkerstening, zou hij dan zijn kerk splijten?, zo vroeg Peelen zich af. Aan een inhoudelijke vraag als deze kwam Van Deursen in zijn verontwaardiging over de toon niet toe. Die verontwaardiging is vanuit zijn perspectief voorstelbaar: het is waar dat Koch zich zo ergerde aan Kuypers gebrek aan moraal, dat hij zijn pen herhaaldelijk doopt in gal. De commissie die het boek begeleidde, bestaande uit historici van de Vrije Universiteit en van de Universiteit Utrecht, had daarop geen invloed. G.J. Schutte, emeritus hoogleraar gereformeerd protestantisme aan de Vrije Universiteit, toonde zich laconiek over Kochs toon, die hij voor rekening van de auteur liet: ‘Ik zou het met mijn gereformeerde komaf wat anders verwoorden, maar ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is’, zei hij op 18 mei 2006 tegen de christelijke krant het Nederlands Dagblad.

Daarmee nam Van Deursen geen genoegen. Koch was een vogeltje dat vals zong, antwoordde hij enkele dagen later. Koch kon zich niet inleven in Kuyper en zijn volksdeel en, erger, hij uitte zich in zijn biografie godslasterlijk door te spreken over ‘de willekeur van een gramstorige God’. Evenals in zijn universiteitsgeschiedenis van de VU springt het gesloten wereldbeeld van Van Deursen in het oog. Want natuurlijk valt over de toon van Jeroen Koch een stevige discussie te voeren, maar dan ook over die van Van Deursen. In plaats van een schrille toon aan te slaan had Van Deursen er beter aan gedaan zich af te vragen hoe het toch komt dat Kuyper zoveel ergernis heeft opgeroepen bij zijn biograaf.

Het is als met zijn geschiedschrijving van de Vrije Universiteit: Van Deursen blijft steken in een sterk moreel geladen afkeer. Hij doet geen poging de in zijn ogen afgedwaalde VU uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw te doorgronden. Concluderend kan gesteld worden dat zowel het gedenkboek van de Vrije Universiteit als de aanval op de Kuyperbiografie de beperkingen van de alom (ook door seculiere historici) bewierookte historicus Van Deursen aan het licht brengen. Zelf een onverhuld criticus van de liberale samenleving, verdraagt Van Deursen kritiek op zijn eigen gereformeerde beginselen slecht. Jammer dat een zo imponerend en nauwgezet geschiedschrijver die beginselen voor heilig verklaart en zich laat kennen als een historicus uit een verzuild bestel, die slechts preekt voor eigen parochie.