De schrijver en de massamoordenaar: Céline, Hitler en hun Jodenhaat

Van een vriend ontving ik de afgelopen tijd vier postuum verschenen werken van Louis-Ferdinand Céline (1894-1961), fraai verzorgd uitgegeven door uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep. Twee daarvan werden voorzien van inleidingen door Arnon Grunberg (Oorlog) en Arnold Heumakers (Londen), de twee ‘sprookjes’ (De wil van koning Krogold en De legende van koning René) zijn becommentarieerd door Franse auteurs. Kennelijk waren hiervoor geen Nederlandse inleiders te vinden. De vier uitgaven, die in Frankrijk groot nieuws waren en ook hier niet onopgemerkt bleven[1], deden me weer eens denken over de man. Daarbij dacht ik minder aan de vorm dan aan de vent. Oftewel: minder aan de bijzondere vorm waarin befaamde romans als Reis naar het einde van de nacht (1932) en Dood op krediet (1936) zijn geschreven dan aan de vent die niet slechts een misantroop was maar ook een fervent antisemiet. Was dat antisemitisme onderdeel van zijn misantropie of was het antisemitisme leidend en stond hij met zijn haat tegen de Joden op hetzelfde standpunt als Hitler?

Het is alweer twintig jaar geleden gepubliceerd en inmiddels al wat vergeten maar een van de meest interessante boeken over Céline in het Nederlands taal gebied blijft Céline. Een briljante boef van Emanuel Kummer (1926-2016).[2] De reden: de vertaler van Reis naar het einde van de nacht (1932) schreef niet slechts over Céline maar worstelde met hem in dit boek.

Dat klinkt wat modieus en zoetsappig, alsof Kummer school gegaan was op een Sociale Academie, maar niets is minder waar. Als zoon van een Franse moeder trad Kummer in dienst van het Vreemdelingenlegioen en diende hij enige tijd in Indo-China. Hij kwam als soldaat in aanraking met de ruwe zeden en omgangsvormen in het leger, tot uiting komend in een taal die ver weg bleef bij de ambtenarentaal die doorgaans op ministeries, scholen en aan universiteiten wordt gebezigd.

Het maakte Kummer ontvankelijk voor het proza van Céline. Wat heet: die taal was voor hem een openbaring. Hier ging het om ‘mooie wijven’, ‘verrekte smeerlappen’, ‘rotschoften’ en meer van dat proza. En dan heb ik het hier alleen nog om Reis naar het einde van de nacht. Dood op krediet, Kanonnenvoer, Van het ene kasteel naar het andere, Noord en de vier bovengenoemde titels zijn qua taal nog ‘volkser’.    

De ontvangst van Reis naar het einde van de nacht is een paar jaar geleden in kaart gebracht door enkele academici.[3] Het is een keurig stuk maar wat een verschil met het werk van Kummer. Zoals dat vaker gaat bij academische beschouwingen: er staat voor de auteurs niets op het spel. Dat lag anders bij Kummer, wiens hele leven in het teken van Céline stond. Hij zou een dissertatie aan de schrijver wijden maar het werd (in 1985) uiteindelijk een dissertatie over twee heel andere figuren: Ter Braak, die enigszins gereserveerd tegenover Céline stond, en Proust, aan wiens proza Céline een grote hekel had.[4] De vierde stelling bij zijn proefschrift bevatte een nauw verholen verwijzing naar Céline: ‘Grote literatuur zet zich veelal af tegen de heersende ideologie en wordt derhalve vaak als kwetsend ervaren.’

Maar zo eenvoudig lag het voor Kummer (foto) toch niet, zo blijkt uit zijn twintig jaar later gepubliceerde boek over Céline. Vooropgesteld: Kummer bleef Céline een groot schrijver vinden, vanwege de opbouw van zijn scenes en natuurlijk zijn stijl, die beslist vernieuwend moet worden genoemd. Céline was zich dat zeer bewust. Zijn proza was niet alleen een aanval op verheven christelijke en humanistische waarden maar ook op de taal die vóór hem de Franse literatuur domineerde.

Céline schreef, kort gezegd, oorlogstaal en kon die taal ook bij anderen waarderen, in Henri Barbusse’ Het vuur bijvoorbeeld. Maar anders dan Barbusse, die zich liet inpakken door Stalin, zag Céline na een bezoek aan de Sovjetunie helemaal niets in het communisme. Céline mocht dan de taal van de ‘gewone man’ spreken, hij had met die gewone man al evenmin iets als met de gegoede burgerij. Hij was een misantroop pur sang.

Was het daar maar bij gebleven zou je zeggen. Dat bleef het niet. Céline had het op één bevolkingsgroep in het bijzonder niet begrepen: Joden. Zijn biologische racisme, tot uitdrukking komend in pamfletten die hij vanaf eind jaren dertig en tijdens de oorlog publiceerde, leek sterk op dat van Hitler – met dit verschil dat Hitler zich ontpopte als massamoordenaar terwijl Céline hem ‘slechts’ als collaborateur aanmoedigde en bewonderde. De vele citaten die Kummer geeft spreken boekdelen. Een citaat uit Bagatelles pour un massacre [Kleinigheden bij een bloedbad] (1937): ‘De negerjood, gemengd, gedegenereerd, zich toeleggend op de Europese kunst, verminkt, vernielt, en voegt er niets aan toe. Hij is gedwongen op een zekere dag tot de negerkunst terug te vallen, laten we dat nooit vergeten. De biologische inferioriteit van de neger of van de halve neger in onze klimaten is vanzelfsprekend.’[5]

Dubbel racisme dus, dikwijls vergoelijkt door te wijzen op de algehele mensenhaat die Céline zou kenmerken. Maar intussen verkondigde hij in navolging van Hitler een heus programma, waarin de tegenstelling tussen ‘Ariërs’ en joden centraal stond. Al is hij over zijn landgenoten ook niet mals: ‘Ik moet heus wel toegeven…mijn rassenbroeders, als het zo uitkomt, zullen zich dat is zeker, honderd duizend keer weerzinwekkender tonen dan welke smousen ook…Ze kennen, naar mijn mening, niet hun gelijke, in de hele wereld niet, om al hun gal over eerlijke arbeid uit te kotsen. De Fransman onderscheidt zich van het Arische geheel, door zijn onvergeeflijke, onverzoenlijke haat, voor alles, dat zelfs van verre, hem aan enige lyriek herinnert’.[6] Deze schijnbaar ondoorgrondelijke zinnen slaan op de kritiek die Dood op krediet ten deel viel bij de Franse critici. Die kritiek zou Céline verbitterd hebben en hem richting antisemitisme hebben gedreven. Tot die conclusie neigde ook Kummer die wees op de ongebreidelde bewondering die Céline voor Freud aan de dag zou hebben gelegd. Hij citeerde een zin uit een interview uit 1933 waarin Céline stelt: ‘de grote leermeester van ons allen is op het ogenblik Freud.’[7]

Toch signaleerde Kummer ook eerder al karikaturen van joden in het werk van Céline en wel in het toneelstuk De Kerk (1933), waarin drie joden optreden, waarvan een met de opzichtige naam Yudenzweck, gekleed ‘als een Poolse Jood, lange stofjas, petje, bril met dikke glazen, neus heel krom, paraplu, slobkousen’. Zijn afkeer van Joden is tussen de regels door te lezen, wat een bewonderaar als Jean-Paul Sartre (foto) – die na de oorlog Gedachten over het Joodse vraagstuk aan het papier toevertrouwde, een poging tot ontleding van de antisemiet –  niet verhinderde een motto aan dat toneelstuk te ontlenen voor zijn roman Walging.

Maar dat Céline bij het schrijven aan zijn toneelstuk al wel degelijk negatief over joden dacht, blijkt uit een zin uit het beruchte pamflet Kleinigheden voor een bloedbad. Daarin beschreef hij de reactie van Rajchmann, zijn vroegere (Joodse) chef in Kameroen, waar hij in 1916 was gestationeerd na de opgelopen verwondingen tijdens de Eerste Wereldoorlog: ‘Ik had op de enige snaar getokkeld die verboden was, die de joden niet zinde. Hij had het precies begrepen. Hij had geen uitleg nodig. ‘[8]

Kortom, al vanaf het allereerste begin van zijn schrijverschap was haat tegen Joden een thema en niet pas na de kritiek op Dood op krediet in 1936. De Nederlandse Céline-kenner Arnold Heumakers wees er jaren geleden al op dat Céline eind 19e eeuw opgroeide in een klimaat van antisemitisme.[9] Ook al beweerde hij nooit La France Juive (1886) van Edouard Drumont (1844-1917) te hebben gelezen, Céline moet er iets van hebben meegekregen. Zeker omdat Frankrijk lang beheerst werd door de Dreyfus-affaire – de joodse kapitein die er eind 19e eeuw ten onrechte van werd beschuldigd spion voor aardsvijand Duitsland te zijn geweest. De vader van Céline was een verklaard gelovige in de schuld van Dreyfus. Hoe negatief Céline ook terugkeek op zijn jeugd, dit antisemitisme had hij zich eigen gemaakt.

Heumakers haalde in zijn essay de Israëlische historicus Zeev Sternhell (1935-2020) aan, die constateerde dat radicaal rechts in Frankrijk het eerste land in Europa was, waar aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, de eerste kenmerken van het fascisme te zien waren en vast vorm kregen.[10] Een aardig terzijde: als tweedejaars student geschiedenis aan de Universiteit Utrecht (nu ruim 40 jaar geleden) herinner ik me nog als de dag van gisteren een hoorcollege van hoogleraar Contemporaine Geschiedenis H.W. von der Dunk, waarin hij beklemtoonde dat tussen 1870 en 1914 niet Duitsland het land was dat gekenmerkt werd door Jodenhaat maar Frankrijk. Daarbij schreef hij met hanenpoten de naam van Edouard Drumont en diens beruchte boektitel op het bord.

De jaren voor de Eerste Wereldoorlog waren de jaren waarin de in 1894 geboren Céline volwassen werd. De schrijver behoorde in het altijd tussen links en rechts gespleten kamp duidelijk tot het rechterkamp, al zou hij daarbinnen schijnbaar een eenling lijken door zijn tot alle levensbeschouwingen uitstrekkende negativisme: van katholiek Frankrijk, merendeels rechts en antisemitisch, moest Céline niets hebben. Maar toen Hitler en zijn nazi’s het in Duitsland voor het zeggen kregen, werd Céline politiek ‘wakker’, omhelsde hij Hitlers Jodenhaat en werd hij wel degelijk onderdeel van een beweging, al werd hij dan nooit lid van een collaborerende partij.

Zijn Nederlandse bewonderaar Willem Frederik Hermans merkte in een interview eens op dat Céline een gelovige was. Hij geloofde, aldus Hermans, dat de Joden de schuld waren aan alle ellende in de wereld en schreef dat ook op in zijn beruchte pamfletten. Hermans voegde eraan toe: ‘Zoiets zal ik nooit doen. De Joden zijn aan de narigheid op de wereld niet schuldiger dan andere groepen of volksstammen. Hij geloofde dat dus nog.’[11]

Je zou kunnen zeggen dat Céline een kwaadaardig ideaal najoeg: een ‘Jodenvrije’ wereld, net als Hitler (foto). Deze ‘waarschuwde’ in zijn beruchte rede in de Rijksdag op 30 januari 1939 de Joden met een ongekende haat en met een duistere profetie: ‘Indien het internationale financiële jodendom binnen en buiten Europa erin zou slagen de naties nogmaals in een oorlog te storten, dan zal dat niet resulteren in de bolsjewisering van de aarde en daarmee in de overwinning van de joden, maar in de vernietiging van het joodse ras in Europa!’.[12] Céline dronk uit een andere bron (het pacifisme, hem ingegeven door wat hij in de Eerste Wereldoorlog had meegemaakt en gezien) maar hij dacht in de kern hetzelfde als Hitler: hij keerde zich tegen de joden vanuit de idiote veronderstelling dat zij op oorlog aanstuurden. Dat was ook na de oorlog zijn excuus (!) voor zijn rabiaat anti-Joodse instelling tijden de oorlog, onder meer geuit tegenover de journaliste Madeleine Chapsal (1925-2024), die in de jaren vijftig en zestig voor het tijdschrift L’ Express een reeks interviews maakte met Franse schrijvers. [13]

Céline was zich welbewust van zijn collaboratie en vluchtte in 1944 niet voor niets naar Denemarken. Nogal lafhartig en karakterloos deed hij het in interviews en brieven later voorkomen alsof hij Hitler nooit iets had gevonden – en Hitler ook niets van hem had moeten hebben. Dat was echt teveel ‘eer’: Céline was voor Hitler een quantité négligeable. Zoals zoveel collaborateurs liet Céline zich van zijn meest schijnheilige kant zien: in brieven aan de Joods-Amerikaanse hoogleraar Milton Hindus (foto), die gefascineerd was door zijn werk, maakte hij de aanhangers van het Hitler-regime dat hij zelf zo hartstochtelijk gesteund had belachelijk: ‘Achter Hitler had je niets of bijna niets, ik bedoel geestelijk, een horde van kleinburgerlijke mensen, hebzuchtige zwijnen, uit op baantjes – volslagen verachtelijke, onbelangrijke profiteurs – meer niet – ik moet geweldig grinniken als ze ’t hebben over de wereldheerschappij van de nazi’s.’

Hindus verging het lachen keek inmiddels dwars door Céline heen. Hij zag in dat de schrijver onverbeterlijk was en nog steeds antisemiet. Een gevoel voor verhoudingen was de schrijver, die zich wentelde in slachtofferschap, helemaal vreemd: hij vergeleek zijn eigen positie in gevangenschap met die van de Joden in de concentratiekampen. Céline was wel zo sluw om na de oorlog niet te keer te blijven gaan tegen de Joden. In plaats daarvan wees hij op ‘het gele gevaar’: de chinezen: ‘Zij (de Chinezen) hebben de hydra viva, het geboortecijfer, aan hun kant. Jullie zullen verdwijnen, jullie van het blanke ras. In de gele wereld verdwijnt iedereen in antropologische zin. Zo zit dat.’[14] Hij kon het niet laten mensen in te delen in rassen en hield zo vast aan het wereldbeeld dat hem thuis met de paplepel was ingegoten.

De schrijver die Frankrijk (en de wereld) een nieuwe (volks)taal gaf, bleek en bleef een ‘volkse’ denker en racist. En zijn Jodenhaat leek sprekend op de Jodenhaat van Hitler. Die naam valt niet graag bij Céline-bewonderaars, ook niet bij hen die hun ogen niet sluiten voor zijn weerzinwekkende denkbeelden, zoals Arnold Heumakers en Arnon Grunberg. Heumakers schrijft uitgebreid (en goed) over de Jodenhaat van Céline als zijnde verweven met het literaire werk, maar blijft weg van een nadere vergelijking met het denken van Hitler, tot wiens ideologische stoottroepen Céline hoorde, hoe excentriek de schrijver ook was (de door hem bewonderde Hitler was overigens niet minder excentriek).[15] Grunberg oordeelde dat er meer is dan antisemitisme dat aandacht en fascinatie in het werk van Céline verdient: de dood als alom aanwezig thema in zijn werk. ‘Tussendoor bevinden zich slechts, met dank aan de filosoof Pascal, divertissements.[16]

Alsof de Jodenhaat van Céline vermaak was en ondergeschikt in zijn leven en werk. Célines Jodenhaat was een centraal element in zijn leven, zoals die dat ook was bij Hitler. Er waren wel verschillen tussen Céline en Hitler: de laatste smeedde zijn Jodenhaat om tot een politiek programma, verbonden met het streven naar Lebensraum voor de ‘Arische’ mens. Céline was geen politicus en ‘slechts’ een kwaadaardig propagandist van Hitlers streven. Terwijl Hitler tot zijn laatste snik openlijk vasthield aan zijn haat en de wereld nog ‘verplichtte’ de Joden te blijven bestrijden, bleef Céline eveneens tot zijn laatste snik een Jodenhater, maar dan in het verborgene. Als racist verschoof hij zijn aandacht na de oorlog slechts van de Joden naar de Chinezen nu het na de Shoah niet meer courant was zich te afficheren als antisemiet. Hitler was een antisemiet tot in de dood, Céline een antisemiet die sluw en opportunistisch overleefde. In hun denken over Joden bestond geen principieel verschil.


[1] Arnold Heumakers, ‘Is de literaire genialiteit van de Franse schrijver Céline los te zien van zijn foute ideeën?’, in: NRC, 19 augustus 2021.

[2] Emanuel Kummer, Céline. Een briljante boef (Soesterberg 2006).

[3] Els Jongeneel en Matthijs Sanders, ‘Als een bom in twee literaire vijvers. Célines Voyage au bout de la nuit in Frankrijk en in Nederland, 1932-1934’, in: Nederlandse Letterkunde, jg. 29, nr. 1 (april 2024): https://www.aup-online.com/content/journals/10.5117/NEDLET.2024.1.002.JONG 

[4] E.Y. Kummer, Literatuur en ideologie: Proust en Ter Braak (Amsterdam 1985).

[5] Céline. Een briljante boef (Soesterberg 2006) 50.

[6] Céline. Een briljante boef, 50-51.

[7] Céline. Een briljante boef, 144.

[8] Geciteerd in Céline. Een briljante boef, 121-123.

[9] Arnold Heumakers, De erfenis van het fin de siècle. Over Céline en Drumont’, in: Arnold Heumakers, Schoten in de concerzaal. Over literatuur, politiek en kwaad (Amsterdam 1993) 67-83.

[10] Zeev Sternhell, Neither Right or Left. Fascist Ideology in France (Princeton 1986) 1.

[11] Dirk Ayelt Kooiman en Tom Graftdijk, ‘Willem Frederik Hermans, een vraaggesprek’, in: Frans A. Janssen, Scheppend nihilisme. Vraaggesprekken met Willem Frederik Hermans (Amsterdam 1983) 235-265, aldaar 238.

[12] Vgl. Ian Kershaw, Hitler. Vergelding 1936-1945 (Utrecht 2000) 235.

[13] Vgl. [13] Madeleine Chapsal, Envoyez la petite musique (Parijs 1984) Hier geciteerd naar de vertaling van Ernst van Altena: Het eigen muziekje (Baarn 1986) 61.

[14] Chapsal, Envoyez la petite musique (Parijs 1984) 64.

[15] Vgl. Arnold Heumakers, ‘Bevrijding aan de Theems’, voorwoord bij Louis-Ferdinand Céline, Londen (Amsterdam 2024)7-27.

[16] Vgl. Arnon Grunberg, Voorwoord bij  Louis-Ferdinand Céline, Oorlog (Amsterdam 2023) 7-20.