In herinnering: de bijzondere theoloog Rudolf Boon (1920-2014) en zijn studie over de opkomst van het West-Europese atheïsme

Al bijna twintig jaar geleden interviewde ik, samen met vriend Koos van Noppen, de theoloog Rudolf Boon voor het radioprogramma Nieuw Protestants Peil. In december 2008 waren we te gast bij de toen al hoogbejaarde Boon in zijn prachtige woning in Amsterdam (in drie afleveringen uitgezonden: https://soundcloud.com/hdcvu/npp-afl-51 en volgende twee delen). De aanleiding voor ons bezoek was zijn in 1976 verschenen studie Het christendom op de tocht. Een onderzoek naar de opkomst van het West-Europese atheïsme. Daarin ging Boon diep én diep verontrust in op de secularisatie die hij alom om zich heen zag grijpen, ook in het dorp Landsmeer, waar hij decennia lang voorging als hervormd predikant. Met zijn boek voegde Boon zich in een traditie van theologen – juist theologen – die in de jaren zeventig studie maakten van het atheïsme. Recent las ik zijn postuum verschenen autobiografie en verdiepte me nog eens in zijn werk over het atheïsme, een onderwerp dat me sterk boeit.

Toen Koos en ik Boon interviewden over zijn leven en werk was zijn autobiografie nog niet verschenen. Die verscheen postuum bij de tot 2017 bestaande uitgeverij Narratio onder de titel Op weg naar het onbekende. Autobiografische aantekeningen. Het is een boek dat mij onverwacht emotioneerde, misschien ook omdat ik me er deels in herkende. Dat deel betrof zijn bijzondere liefde voor zijn ouders, in het boek consequent en liefdevol ‘vader’ en ‘moeder’ genoemd.

Boon is geboren en getogen in Amsterdam. Dat is in twee opzichten beslissend geweest voor zijn leven: hij zag joodse vriendjes van de middelbare school afgevoerd worden, wat zijn aandacht vestigde op de bijzondere positie van joden, door de nazi’s geïsoleerd en als baarlijke duivels afgeschilderd. En hij zag dat de secularisatie in het Interbellum om zich heen greep in de hoofdstad en dus veel eerder begon dan in de jaren ’60, zoals dikwijls ten onrechte wordt aangenomen.

Theologie als studie was niet in het blikveld van het enig kind met liefdevolle ouders. Zij hadden elkaar leren kennen via Christian Science, een sektarisch genootschap dat natuurwetenschappen verdacht maakte en meende dat gebed beter doet genezen dan wetenschap. Zoon Rudolf vond het daar niet. Hij kwam tot het geloof door de ‘vijfde evangelist’ Bach en andere christelijke muziek. Hij deed midden in de oorlog (op 14 maart 1943) op 22-jarige leeftijd in de Willem de Zwijgerkerk belijdenis van zijn geloof ten overstaan van de daar toen predikende theoloog K.H. Miskotte (foto), wiens werk Boon later zou hoogachten maar van wiens persoon hij geen hoge dunk had. In zijn autobiografie noemt hij diens naam niet maar schrijft: ‘De dienst tijdens welke ik met enkele volwassenen de doop ontving, heb ik, achteraf beschouwd, als een diepe teleurstelling ervaren.’ De predikant ‘deed’ dan wel de doop maar hij had nooit een woord met de dopelingen gewisseld. ‘Hij kende ons niet’, schrijft Boon enigszins verontwaardigd.[1] In het interview dat Koos en ik 65 jaar na dato met hem hadden, noemde hij de naam van Miskotte, anders dan in het boek, wel en was zijn verontwaardiging nog niet verdwenen.[2]

Het stak Boon achteraf vooral omdat hij zich als theoloog en dominee uitgebreid zou bezighouden met liturgie: de doop was voor hem een belangrijke handeling, die met alle zorgvuldigheid voor en interesse in de gedoopte persoon moest worden verricht. Boon was lang vrijgezel en beleefde de dood van zijn ouders (foto) als alleenstaande. De pagina’s die hij schrijft over de dood van zijn ouders zijn aangrijpend. Zijn vader stierf toen Boon 38 was. ‘Vaders heengaan heeft mij heel diep geraakt. Het is een van de innerlijke verwondingen, welke nooit meer genezen.’ Zijn moeder stond hem toen bij in de pastorie. Zij stierf enkele jaren, waarna hij in ‘hete tranen’ uitbarstte.

Boon ontmoette zijn vrouw Riet Schilling na de dood van zijn ouders. Het kinderloos gebleven echtpaar vormde een hecht stel, sterk verbonden door hun gemeenschappelijke interesses. Hij had haar leren kennen op een reis. Reislustig was Boon van jongs af aan, hij verbleef voor de theologische studie lang in New York en Engeland. Enigszins verongelijkt schreef hij – die het aan een scherp en snel gekwetst karakter niet ontbrak – dat zijn theologische interesses niet op waarde werden geschat. Hij promoveerde in 1951 op een proefschrift over de organisatie van kerken in Massachusetts[3], een onderwerp dat toen geen theoloog interesseerde, zoals de later befaamde hervormde theoloog H. Berkhof openlijk tegen hem zei na de promotieplechtigheid.

In een tijd van modernisering en secularisering in de protestantse kerk (ook in zijn hervormde kerk) greep Boon juist terug op de liturgie van eeuwen, vroeg hij om eerbied voor de traditie in een tijd dat sommige predikanten hun toga aan de wilgen hingen en in pak op de kansel verschenen. En de oecumene met de katholieken, waarvoor Boon warm liep, ontstond wel op het grondvlak maar Rome hield alle veranderingen tegen via zetbaas kardinaal Simonis (foto), door Boon omschreven als ‘een welwillende onzekere man, doodsbang voor wat hij aanzag als vrijzinnigheid in zijn kerkprovincie.’[4]

Boon zou ook graag hoogleraar zijn geworden maar een academische carrière zat er tot zijn chagrijn niet in. Scherp liet hij zich uit over het ‘operette-professoraat’ dat hem uiteindelijk dan toch vergund werd: bijzonder hoogleraar Liturgiewetenschap aan de VU, op zich wel passend bij zijn deskundigheid. Maar de inmiddels emeritus-predikant Boon zou de functie maar twee jaar bekleden.

Zijn belangrijkste publicaties kwamen dan ook niet tot stand in een academische omgeving maar in de pastorie. De hervormde gemeente van Landsmeer bood hem niet alleen inspiratie voor de liturgie in de kerkdiensten maar gaf hem ook te denken, vooral over secularisatie. Die had hij als jongeman in Amsterdam in het Interbellum al waargenomen maar zag hij in de jaren ’70 om zich heen grijpen. Hij was de enige theoloog niet die in die jaren studie maakte van het ongeloof. De befaamde katholieke theoloog Hans Küng schreef de vuistdikke studie Bestaat God?, terwijl de productieve Leidse filosoof R. F. Beerling in zijn laatste levensjaar Niet te geloven publiceerde, ‘wijsgerig schaatsen op godgeleerd ijs.’

Maar terwijl Beerling zich liet kennen als agnost, daar toonde Boon zich geëngageerd christen in Het christendom op de tocht.[5] In zijn autobiografie schreef hij: ‘Ik voelde mij als theoloog en pastor uitgedaagd om de achtergronden van het verschijnsel “secularisatie” op te sporen. Ik wilde voor mijzelf hierover een helder inzicht krijgen. Dan kon ik mijn gemeenteleden duidelijk maken waarom hun kinderen hen niet volgden waar het kerk en geloof betrof.’[6]

De titel werd overigens door zijn uitgeverij Kok verzonnen om lezers te trekken. Boon vond niet dat de titel de lading dekte, het christendom stond anno 1976 naar zijn mening niet op ‘de tocht’. Volgens hem verbleef het christendom allang in ‘een felle storm.’ Het gaf nog eens zijn inzet aan: voor de christen Boon was secularisatie een van de grote thema’s van zijn tijd. Boon gaf in een boek van 258 pagina’s een eigenzinnige kijk op de geschiedenis van het atheïsme van oudheid tot heden. Boon had veel van de besproken auteurs (in de Oudheid Epicurus, Lucretius en de Stoa, in later tijd Locke, Shaftesbury, Kant, Hegel, Feuerbach, Marx en de Franse Verlichtings-philosophes [d’Holbach, Voltaire, Diderot]) in de originele talen gelezen. Zij kunnen overigens zeker niet allemaal als atheïsten worden beschouwd: Kant, Hegel en Voltaire bijvoorbeeld hielden er wel een Godsbeeld op na maar dan een ver verwijderd van het klassieke godsbeeld, waarin God zijn enige zoon Jezus naar de wereld had gezonden om de mensheid met Hem te verzoenen.

Boon ging een eind mee met de kritiek van de critici op het christendom. Die richtten de pijlen vaak op het verschil tussen leer en leven: het al te aardse misbruik van het christendom voor eigen doeleinden, dikwijls van machthebbers om hun macht en geweld te kunnen legitimeren. (Zou Boon nu geleefd hebben, hij zou gegruwd hebben van het gebruik dat in de VS [“God’s own Country”] gemaakt zou worden van het christendom, zoals hij ook niets zou moeten hebben van de “vrome” Poetin en zijn misbruik van de Russische Orthodoxie).

Maar van de kritiek op het Jodendom moest Boon niets hebben. Voordat hij Het Christendom op de tocht schreef, had Boon het al uitgebreid verdedigd tegenover de critici, onder meer in een uitgebreid artikel, getiteld Emancipatie van de joden: de (ver)loochening van een wezenskenmerk uit 1973. En ook daarvoor had hij al met veel sympathie over (het godsdienstig) Jodendom geschreven, onder meer in De joodse wortels van de christelijke eredienst’ (1970) en in Ontmoeting met Israël. Het volk van de Torah. Dat Immanuel Kant betoogde dat God in het oude Israël slechts als wereldlijk heerser werd vereerd en gediend, stuitte Boon tegen de borst, zoals ook Hegels opvatting dat Joden zich met hun godsvoorstelling buiten de volkerengemeenschap hadden geplaatst en Feuerbachs stelling dat de joodse godsdienst een ‘egoïstische’ religie zou zijn, geheel gericht op ‘eigen volk eerst’, met uitsluiting van andere volkeren.[7] In de epiloog van Het christendom op de tocht riep Boon atheïsten op zich in ‘Bijbel en Israël’ (hier bedoeld als het Israël zoals beschreven in de Bijbel) te verdiepen: ‘Zou een open en oprecht atheïsme, ontvankelijk voor kritiek en bereid tot zelfkritiek, in het falen van zijn eigen kritiek soms niet een uitdaging zien om die ontdekkingstocht alsnog te ondernemen?’[8]

Met deze vraag zinspeelde Boon allereerst op de veronderstelde zelfvoldaanheid van vele atheïsten, neerkijkend op ‘achterlijke’ gelovigen die nog in sprookjes geloven. En zeker, die atheïsten zijn er, wat een vruchtbare discussie tussen gelovigen en ongelovigen vaak bij voorbaat blokkeert. Tegelijk toont de vraag hoezeer Boon zelf in de ban was van de Bijbel, in het bijzonder van het Oude Testament, waarin de lotgevallen van het oude Israël en zijn God beschreven staan. In zijn autobiografie voerde Boon een anekdote op, waarin de Pruisische koning Frederik de Grote (afbeelding) een geleerde vroeg om een bewijs van Gods bestaan, waarop deze zou hebben geantwoord: ‘Majesteit, de Joden’.[9]

Maar waarom zouden atheïsten aannemen dat er een door God ‘uitverkoren volk’ bestaat als ze al niet aan het bestaan van God(en) geloven? Hier overschatte Boon de betekenis van het Jodendom voor niet-gelovigen. Je kunt je daarnaast afvragen waarom iemand in (bijvoorbeeld) Botswana of Vietnam een boodschap zou hebben aan het Jodendom, landen immers met een andere culturele en godsdienstige achtergrond waarin het Jodendom geen rol speelt. Wat Boon dan wel weer siert: dat hij, anders dan christenen eeuwenlang deden, het ‘eerstgeboorterecht’ van het Jodendom waardeert. De Bijbel is – ook het Nieuwe Testament, met daarin als centrale figuur Jezus van Nazareth – een door en door Joods boek en Boon wil dat honoreren.

Christenen volgen hem daarin de laatste decennia, soms schoorvoetend, steeds meer na, zeker de ‘christelijke theologie na Auschwitz’. Voor atheïsten is het Joodse volk een volk als alle andere volkeren, zij het – treurig genoeg – tussen de volkeren opmerkelijk, juist ook door de afkeer en vervloeking die het lang van christelijke zijde heeft ondervonden.[10] Denk aan de Jodenhaat van reformator Maarten Luther of van ‘christelijk-sociale’ antisemieten als Adolf Stöcker (1835-1909, foto) en Abraham Kuyper (1837-1920).

Zo bezien heeft dit terzijde toch met atheïsme te maken, dat – als het goed is – geen enkel volk een bijzondere positie toekent. Juist door het etiket ‘uitverkoren volk’ zijn joden dikwijls (ten onrechte) voorwerp van jaloezie en haat geweest en hebben ze hun bijzondere positie in de geschiedenis (mede) verkregen. Boon had daarvoor te weinig oog in zijn verder uitstekende en met veel persoonlijk engagement geschreven studie over de opkomst van het West-Europese atheïsme.


[1] Rudolf Boon, Op weg naar het onbekende. Autobiografische aantekeningen (Gorinchem 2014), 232.

[2] Rudolf Boon over leven en werk, https://soundcloud.com/hdcvu/npp-afl-51

[3] Rudolf Boon, Het probleem der christelijke gemeenschap. Oorsprong en ontwikkeling der congregationalistisch geordende kerken in Massachusetts (Amsterdam 1951)

[4] Boon, Op weg naar het onbekende, 171.

[5] Rudolf Boon, Het christendom op de tocht. Een onderzoek naar de opkomst van het West-Europese atheïsme (Kampen 1976).

[6] Boon, Op weg naar het onbekende, 180.

[7] Boon, Het christendom op de tocht, 182-189.

[8] Boon, Het christendom op de tocht, 240.

[9] [9] Boon, Op weg naar het onbekende, 68.

[10] Vanaf de 19e eeuw ging het christelijke antisemitisme een noodlottig verbond aan met het sociaal-darwinistisch racisme, waarin Joden niet alleen wegens hun godsdienst werden gediscrimineerd en vervolgd maar ook als ‘ras’ werden bestempeld, met als treurige en schandalige apotheose de massamoord op de joden door de nazi’s.
Overigens moet hier bedacht worden dat talrijke christenen zich ook met gevaar van eigen leven ingezet hebben om Joden te redden. Dat is al vaak uitvoerig beschreven, recent en indrukwekkend nog door kerkhistoricus Geert Hovingh en emeritus-predikant in Verberg de verdrevenen. Predikanten die Joden hielpen 1940-1945 (Amersfoort 2026)