
Er is over het Friese verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog al heel wat geschreven maar dat verzet is niet eerder in verband gebracht met voetbal. Journalist Jaap Visser doet dat in zijn boek Bontebok. Onderduik en verzet in het land van Abe Lenstra wel. Het boek is van alles tegelijk: het schetst een beeld van zijn familiegeschiedenis, van voetballen in oorlogstijd en van onderduik en verzet in eigenzinnig Friesland. Dit is een lichte bewerking van een artikel dat eerder in de VPRO-Gids is gepubliceerd.
Hoewel geen Fries, kende ik wel het bij Heerenveen gelegen dorp De Knipe (waar ik ooit de daar woonachtige marxistische historicus Ger Harmsen [foto] interviewde) maar niet het dorp Bontebok. Ook mijn uit Wommels afkomstige buurman, een echte Fries wiens hart nog altijd verpand is aan zijn geboortegrond, had nog nooit van Bontebok gehoord. Beide dorpen zijn onderdeel van de gemeente Heerenveen, waar Jaap Visser onderzoek deed naar zijn familiegeschiedenis, naar het Friese verzet en naar de oorlogsgeschiedenis van de gelijknamige voetbalclub waarvan Abe Lenstra (1920-1985) de grote ster was. Visser is een groot kenner en liefhebber van het Nederlandse voetbal en schreef eerder over onder meer Willem van Hanegem, Johan Cruijff en Piet Keizer. Dat hij ook eens zou schrijven over de Friese voetballegende Lenstra lag wellicht voor de hand. Maar dat hij diens voetballoopbaan – en het Nederlandse voetbal in het algemeen – verweeft met de rol van het Friese verzet tijdens de oorlog is verrassend.
Visser legt al meteen aan het begin van het boek zijn kaarten op tafel: hij is vol bewondering voor het mienkip (de gemeenschapszin) die de Friezen tijdens de oorlog aan de dag hebben gelegd. Daar heeft hij goede redenen voor. De historica Meike Jongejan constateerde in 2013 na onderzoek dat onderduikers in Friesland een goede kans hadden te overleven. Dat gold ook voor de velen die Visser in zijn boek heeft beschreven, om te beginnen met familieleden van zowel vaders- als moederskant. Zijn vader Roef Visser groeide op in een gereformeerd gezin in Hoek van Holland, waar diens vader werkzaam was in de vleesverwerkende industrie. Streng in de gereformeerde leer was het gezin niet, traditioneel wel, zoals velen destijds: moeder de vrouw was huisvrouw. In de meidagen van 1940 kreeg het gezin het zwaar voor de kiezen: hun huis werd vernietigd door een bombardement van de Luftwaffe.
Omdat een zus van zijn vader in het Friese Warns woonde logeerde de 16-jarige Roef Visser in het eerste oorlogsjaar in Friesland. Hij werd er smoorverliefd op Hinny Klijnstra, die de moeder van de schrijver zou worden. Zij was de jongste van tien kinderen en stamde uit een opmerkelijk gezin waarvan de goedmoedige vader al voor de oorlog op betrekkelijk jonge leeftijd was gestorven. Het grote gezin werd geleid door weduwe Trijntje, die in de oorlog een rol van betekenis had in het verzet door onderduikers te herbergen op de grote herenboerderij in Warns. Ook enkele kinderen, van wie vooral zoon Feite veelvuldig genoemd en geroemd wordt, springen bij in het verzet.
Visser vertelt met merkbare bewondering over de vele verzetsactiviteiten in Friesland, variërend van het plaatsen van onderduikers tot wapentransporten en wapenopslag voor het gewapend verzet. Hij beperkt zich daarbij niet tot de lotgevallen van zijn eigen familie maar schrijft ook uitgebreid over tal van anderen die bij het verzet betrokken waren. Verscheidene onderduikers werden via de zogenoemde ‘Lemmerboot’ (foto) vanuit Amsterdam naar die plaats aan de kust van het IJsselmeer gebracht en vandaar verder ondergebracht in Friesland. De onderduik deed velen overleven, zoals het joodse gezin Klein dat deed met hulp van (overwegend) protestanten.
Hoe verschillend overlevenden de oorlog verwerkten laat Visser zien aan de hand van de broers Gerard en Hans Pieter Klein: terwijl Gerard tot op hoge leeftijd optimistisch door het leven ging, hield zijn broer Hans Pieter zijn leven last van zijn oorlogservaringen. De gebroeders Klein zijn maar enkelen van de velen wier spoor gevolgd wordt door Visser. Soms duizelt het de lezer weleens, zoveel mensen en hun lotgevallen komen voorbij. En dan verweeft Visser in dit verhaal ook nog het Nederlandse voetbal van destijds. Dat onderwerp lijkt er met de haren bijgesleept maar juist hier legt hij heel goed verbanden tussen voetbal en oorlog.
Voetbalclub Heerenveen was sterk en dominant in de oorlog, vooral dankzij Abe Lenstra die door de Duitsers werd bewonderd, een bewondering die de jonge Lenstra zich – tot ongenoegen van zijn verzetsvader – zich aanvankelijk graag liet aanleunen (later zou hij als ambtenaar van de gemeente Heerenveen ook enigszins bijdragen aan het verzet). Maar de Friezen hadden duchtige concurrentie vanuit Amsterdam, waar maar liefst vier clubs actief waren: DWS, Blauw Wit, De Volewijckers en Ajax. Van dat viertal imponeerde niet Ajax maar vooral arbeidersclub De Volewijckers, dat in 1944 landskampioen werd.
Hoewel de clubs en voetballers concurrenten waren, werd verscheidene talentvolle Amsterdamse spelers onderduik geboden in Friesland aangezien de Arbeitseinsatz hen, net als veel anderen, bedreigde. Zo werden er onder de onmiskenbare en zichtbare competitie draden van verzet gespannen tijdens de oorlog. De bezetter liet de voetbalcompetitie bestaan en beschouwde voetbal tot het laatste oorlogsjaar – toen de competitie werd stilgelegd – als een onschuldige uitlaatklep voor de bevolking.



