
Gistermiddag sprak ik aan de Theologische Universiteit Utrecht onderstaande lezing uit bij de presentatie van het boek Verberg de verdrevenen. Predikanten die Joden hielpen 1940-1945 van kerkhistoricus en emeritus-predikant Geert Hovingh. Hij heeft in de loop der jaren veel gegevens bijeengebracht over protestantse predikanten die joden hielpen onder te duiken in de Tweede Wereldoorlog. In zijn overzichtswerk staan maar liefst 606 predikanten vermeld die hun leven – en dat van hun gezinnen – waagden voor hun medemensen. Een verbijsterend aantal. Het vormt een correctie op de schuldbelijdenis (in 2020) van de Protestantse Kerk in Nederland over de ‘nalatigheid’ van de kerk als christelijke gemeenschap ten aanzien van de Jodenvervolging. Als Hovings boek iets duidelijk maakt, dan is het dat althans protestantse ‘Dienaren van het Woord’ niet gefaald hebben. Veeleer integendeel: predikanten van allerhande protestantse denominaties hebben zich, uitzonderingen daargelaten, doorgaans zeer moedig gedragen.
Dames en heren, in de eerste plaats natuurlijk beste Geert,
Toen George me vorige maand belde en polste om te spreken bij deze boekpresentatie had ik het boek nog niet gezien. Ik zegde meteen toe, want hoe jou en mijn goede oud-collega George, met wie ik zoveel jaar heb samengewerkt, iets weigeren? Daarbij, ik zeg het hier maar ronduit: ik mag jou, Geert, heel graag, ben zeer op je gesteld en heb grote waardering voor je werk.
Dat werk kende ik, als meer mensen, dankzij de website van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands protestantisme (tegenwoordig: HDC Centre for Religious History), waarvan ik tot voor vorig jaar medewerker was. Ik wist dat je van plan was een dissertatie te wijden aan het onderwerp. In het Ten Geleide bij de huidige uitgave schrijf je dat je daarvan in verband met je gezondheid van moest afzien. Dat is wellicht spijtig voor jou en voor de wetenschap. Maar – en dit is natuurlijk vloeken in een ook nog christelijke universiteit – ik betreur dit niet. Je werk zou in het geval van een dissertatie namelijk geen ruim duizend pagina’s beslaan maar vermoedelijk 400 a 500, vol van analyses en interpretaties.
Allemaal zeer belangrijk maar het boek had nooit zoveel indruk op althans deze lezer gemaakt als nu, nu het in de huidige vorm voor ons ligt onder de mooie titel Verberg de verdrevenen. Predikanten die Joden hielpen 1940-1945. De eindeloze opsomming van de 600 predikanten – en niet te vergeten: de predikantsvrouwen en hun gezinnen – maakt juist indruk door de sobere opsomming van hun lotgevallen en van die van de ondergedoken joden.
Het maakt op mij dezelfde grote indruk als het Digitaal Joods Monument, maar dan spiegelbeeldig: terwijl het Digitaal Joods Monument de slachtoffers van de Shoah weer namen en gezichten geeft, brengt jouw onderzoek veel overlevenden en hun redders in beeld. In beide gevallen gaat het om een herinnering, aan iets dat niet vergeten mag worden. Wat dat aangaat betoon je je met deze uitgave als een (kerk)historicus par excellence, want wat is een historicus in wezen anders dan dat hij ‘de vorigen’ (een term van de historicus en essayist Menno ter Braak, foto) aan de vergetelheid ontrukt en hen in alle betekenissen van het woord herdenkt?
Een analyse van al het hier geleverde werk is in gecomprimeerde vorm bovendien te vinden in de tekst die George aan Verberg de verdrevenen vooraf liet gaan. En in bredere zin is de Joodse onderduik geanalyseerd door, naast Geert Hovingh, dé deskundige op dit gebied, de Groningse historicus Bert Jan Flim, wiens ouders zelf betrokken waren bij de onderduik. Flim deed het in zijn doctoraalscriptie in 1987 en in zijn proefschrift in 1995 en zeer recent in zijn nieuwste boek, getiteld De verborgen generatie Regionaal overzicht van de Joodse onderduik in Nederland (1941-1945), zoals vermeld in het Archief oorlogspleegkinderen.
Flim signaleert daarin dat drie grote onderduikorganisaties tijdig in actie kwamen ter bescherming van de joden: de Amsterdamse Studentengroep en het Utrechts Kindercomité, dat gemengde gezelschap van gelovigen (denk aan de hierbij betrokken Johan van Hulst, al was hij als directeur van de hervormde kweekschool wat ouder) en dikwijls ongodsdienstige studenten, zoals Piet Meerburg (foto) en zijn verloofde Hansje van Loghem. Daarnaast de gereformeerde familie Boogaard, die op de boerderij in de Haarlemmermeer wel zeventig onderduikers herbergde en ten slotte dominee Leendert Overduin en zijn medewerkers die in eendrachtige samenwerking met de Joodse Raad van Enschedé honderden joden het leven redde.
Gezien de hiërarchie in de rooms-katholieke kerk, zo analyseert Flim, hadden pastoors en kapelaans minder ruimte dan protestantse predikanten die een relatief grote keuzevrijheid hadden. Hij schrijft (ik citeer): ‘Dit maakte, dat de ene dominee wel en de andere niet opriep om de bedreigde Joden te helpen’. En om ook zelf te helpen bij de onderduik.
Flim spreekt verder het vermoeden uit dat er nog een onbekende grote groep onbekende gastgevers van de ongeorganiseerde onderduik in en om de grote steden bestond, waaronder zich relatief veel sociaaldemocratische vrienden en bekenden van de Joodse onderduikers bevonden. Hij acht nader onderzoek daarnaar terecht gewenst. Eén van de sociaaldemocraten die onderdook was Jaap van Praag (foto), na de Tweede Wereldoorlog samen met onder meer Jan Brandt Corstius, de vader van de veelzijdige pestkop Hugo Brandt Corstius, oprichter van het Humanistisch Verbond.
Van Praag zat tijdens de oorlog ondergedoken in het gezin Brandt Corstius en bij F. van den Berkhof, de eerste administrateur van het Verbond. Wat zal het motief van deze onderduik zijn geweest? Voor zover we weten: allereerst de vriendschap die hen bond en daarnaast verzet tegen het onrecht, de bedreiging en vervolging van Van Praag. Dat hij jood was mocht dan essentieel zijn in de ogen van de hem vervolgende nazi’s, maar bij de humanisten die Jaap van Praag verborgen hielden speelde zijn jood-zijn een ondergeschikte rol.
Hoe zat dat bij de predikanten die in Verberg de verdrevenen beschreven worden? Mij interesseren hun motieven. Is daarvan iets terug te vinden in het boek dat een staalkaart biedt van predikanten van uiteenlopende denominaties: van vrijzinnig en midden-orthodoxe predikanten uit de hervormde kerk, Kuyperiaanse gereformeerden, gereformeerden in Hersteld Verband (nazaten van de gereformeerde kerkscheuring in 1926), en van hen die zich op hun beurt in 1944 vrijmaakten van de synodale besluiten uit 1942 tot aan doopsgezinden en enkelingen uit de Gereformeerde Gemeenten. En dan vergeet ik ongetwijfeld nog een denominatie te noemen. Al deze mensen: helden, wat ook hun motieven waren.
Niettemin: ik zocht in de ‘hooiberg van Hovingh’ naar spelden van motieven. Voor christenen – zeker voor protestantse christenen – waren en zijn joden immers ‘Gods volk’ of zoals het in Johannes 4 vers 22 staat: ‘het heil is uit de joden’. Gods volk had een theologisch streepje voor op andere volkeren. Niettemin zou ook Gods volk, als alle volkeren, Jezus als Messias dienen te aanvaarden. Ongecompliceerd was de verhouding tussen christenen en joden dus niet altijd: er was liefde van christelijke zijde maar niet altijd onbaatzuchtige liefde. Is er in Verberg de verdrevenen iets terug te vinden van deze speciale relatie of domineerden onder de predikanten algemeen humanitaire motieven?
Professor Aalders (foto), hervormd hoogleraar dogmatiek in Groningen, betoogde tegenover de bezetter onder verwijzing naar Paulus’ brief aan de Galaten dat allen – Griek en Jood – één zijn in de voor allen gestorven Christus. Dominee Douwe Hoornstra antwoordde op een vraag van iemand wat te doen in de oorlog met een wedervraag: ‘Ben ik mijn broeders hoeder?’, als om aan te geven dat algemene humaniteit hier de doorslag moest geven. Professor P. A. H. de Boer zat op hetzelfde spoor. Het ging niet in de eerste plaats om geloof maar om verzet, ‘om de geestelijke gezondheid van ons volk’, zo wordt hij geciteerd omdat hij in Leiden speciale jongerendiensten organiseerde tijdens de oorlog. Vanuit die motivatie lijkt hij zich ook ingezet te hebben voor de joden.
Dit sluit aan bij wat dominee J.J. Buskes (foto) schreef in zijn autobiografie Hoera voor het leven: ‘de Bijbel als boek dat van begin tot eind opkomt voor de waarachtige menselijkheid, de ware humaniteit’. Buskes voegde eraan toe: ‘In de oorlogsjaren heeft de kerk een aantal geestelijke waarden, verworvenheden, verdedigd – gerechtigheid, waarheid, vrijheid, barmhartigheid – die ook door de humanisten verdedigd werden. Zo had de kerk een woord samen met anderen’.
Vaak echter waren Jodenzending en liefde voor Gods volk onontwarbaar met elkaar verbonden, zoals bij ds. Roelof Bakker, die zowel betrokken was bij een zendingsblad voor joden als bij de onderduik. Het kon nog ingewikkelder: ds. Roelof Cornelis Harder die meende dat Israël was “weggevallen” toen het de Messias niet had aanvaard maar die – toen het er in de oorlog op aankwam – toch bad dat dit volk waarin Jezus was geboren onder Gods genade bleef vallen. En meer nog: Harder was bij betrokken bij de onderduik van joden. Voor Harder bleven de Joden “Gods oogappel”, een overtuiging die ook de evangelist J.C. van Gaalen toegedaan was. Harder was de enige niet: bij meer predikanten liepen jodenzending en joden redden in elkaar over.
Nog een motief springt in het oog in Verberg de verdrevenen: de tegenstelling christendom-heidendom, hier verwoord door de gereformeerde predikant Rinze Douma. Na de oorlog zou Abel Herzberg dit pregnanter en juister formuleren in Kroniek der Jodenvervolging door te stellen dat het nationaalsocialisme ten diepste een opstand was tegen de Tien Geboden, door de Joden bedacht en door de christenheid geadopteerd. Het is op grond van Verberg de verdrevenen niet uit te maken welke motieven overwogen bij de predikanten die joden onderduik boden.
Overwoog de algemene humanitaire barmhartigheid? Of werden de Joden vooral gedreven door het motief Gods volk te redden? Of gingen deze motieven in de meeste gevallen hand in hand? Misschien zult u zeggen: de motieven zijn niet van belang, het feit dat de joden gered werden door deze predikanten is van belang. Dat is natuurlijk waar. En toch zou ik een nader onderzoek naar die motieven op basis van dit imponerende werk van Geert Hovingh graag zien. Verberg de verdrevenen draagt er de bouwstenen voor aan en is daarbij een diep menselijk boek dat toont waar mensen ook ten goede toe in staat zijn.







