Gedachten over teruggevonden artikelen uit jonge jaren. Voor het vergeten komt: herinneringen (3)

Onlangs stuitte ik in mijn persoonlijke archief op enkele uitgaven van de jeugdsociëteit De Doofpot, gelegen naast Het Nieuwe Lyceum in Bilthoven. Het waren een viertal eenvoudig gestencilde bladen in de periode 1979-1983, die per nummer nooit meer (en soms zelfs minder) dan tien pagina’s telden. Naast de bekende aankondigingen van activiteiten, entreegeld, een puzzel en een baravond schreef ik artikelen over onder meer het anarchisme, Frank Zappa, Jean-Paul Sartre en de Baader-Meinhofbeweging, een terreurgroep die toen door de vele moorden en aanslagen in het middelpunt van de belangstelling stond. Veertig jaar na dato las ik die stukken van de begin twintiger die ik was terug en vroeg me af: denk ik nog (ongeveer) zoals toen?

Lees verder

Ved Mehta (1934-2021): briljant interviewer en journalist (van “The New Yorker”) die zijn handicap (blindheid) lang wegdacht

Zijn naam was me al jaren bekend en wel van een boek met een intrigerende titel: Fly and the Fly Bottle. De ondertitel van dit boek, gepubliceerd in 1961, luidt Encounters with British Intellectuals. Onder die Britse intellectuelen zat één Nederlander, een die mijn bijzondere belangstelling heeft: historicus Pieter Geyl. Ik kwam nooit aan het boek toe, ook omdat het in geen enkele bibliotheek in Nederland te vinden is. De auteur: Ved Mehta, een Indiër, zoals zijn naam al deed vermoeden. Wie was deze Indiër? Ik liet de vraag rusten tot ik een ander boek van hem tegenkwam in een boekenkastje in de Vrije Universiteit: Over God gesproken, een vertaling van The New Theologians (1965). Mehta volgde hierin hetzelfde procedé als in Fly and the Fly Bottle: hij zocht zijn gesprekspartners op en interviewde hen over wat hen bezighield, in het geval van de theologen een vraag naar God in een tijd van snelle secularisatie (de jaren ’60). Nu begon ik zijn werken te lezen, steeds meer geïntrigeerd door de vraag wie toch deze intelligente interviewer Ved Mehta was.

Lees verder

“De vrucht van maanden van avontuurlijke lectuur”. Pieter Geyl en de wording van ‘Napoleon. Voor en tegen in de Franse geschiedschrijving’

In 2006 vroeg Amsterdam University Press (AUP) me of ik een inleiding wilde schrijven bij de vierde druk van Napoleon. Voor en tegen in de Franse geschiedschrijving van historicus Pieter Geyl (1887-1966). De uitgeverij maakte er een eenvoudige (Printing on Demand) versie van. Niet zo vreemd, nu Geyl, destijds veertig jaar dood en nu al meer dan een halve eeuw niet meer onder ons, geen publieke figuur meer is. Mijn goede vriend Willem Bouwman, historicus en zeer gewaardeerd recensent van historische boeken voor het Nederlands Dagblad, bezorgde me dezer dagen een mooie uitgave van de tweede druk van het boek uit 1947 – ditmaal met de stofomslag, die bij mijn tweede druk ontbrak. Ineens dacht ik weer aan de inleiding die ik nu alweer achttien jaar geleden schreef. En besloot die op mijn website te presenteren aan een nieuw publiek. Bij deze.

Lees verder

Ieder zijn eigen Kafka. Over de vele uiteenlopende interpretaties van een fenomeen

Gisteravond, aan het eind van de langste dag van het jaar (21 juni), hield ik voor sociëteit Arti et Amicitiae onderstaande lezing op een Kafka-avond, georganiseerd door kunstenaar Henri Roquas, nu het een eeuw geleden is dat de schrijver stierf. Op deze avond werd nog eens duidelijk tot welke uiteenlopende interpretaties zijn werk inspireert. Een dichteres, die zich naar haar zeggen tussen haar 15e en 25ste levensjaar intensief met Kafka had beziggehouden, las enkele gedichten voor die ze verbond met het werk van de schrijver. ‘Voedselarcheoloog’ Roquas las fragmenten voor uit het verhaal Een hongerkunstenaar en verbond dat met een bredere kijk op de afkomst van de mens, die hij omschreef als ‘bannelingen in een vreemd en eenzaam universum.’ Juist over die vele uiteenlopende interpretaties van het nooit helemaal te doorgronden werk van Kafka ging mijn lezing.

Lees verder

“Geen grote woorden, niets uitleggen of toelichten maar slechts aanstippen.” Leo Frijda’s Kafka

Op donderdagmiddag 16 mei 2024 hield ik in de Stadsboekwinkel aan de Vijzelstraat in Amsterdam onderstaande lezing bij de presentatie van het boek ‘Mijn Kafka’. Schrijver en jurist, geschreven door Leo Frijda, jarenlang voorzitter van de Nederlandse Kafka-Kring. Frijda publiceerde al eerder over Franz Kafka, onder meer in Op het balkon van de elektrische tram (2015) en verder meerdere artikelen op de website van de Franz Kafka-kring, waarvan ik zelf sinds enkele jaren bestuurslid ben. In ‘Mijn Kafka’ brengt hij zijn kennis nog eens samen en plaatst hij de schrijver in ‘de bloedsomloop van de geschiedenis’. Een nadere beschouwing over de betekenis van Kafka voor Leo Frijda.

Lees verder

Een teruggevonden briefwisseling uit de studietijd. Voor het vergeten komt: herinneringen (2)

19 december vorig jaar was een vreugdevolle dag in mijn leven. Ik trof die dag een goede studievriend die ik 35 jaar niet had gezien en eerder, ondanks een speurtocht op internet, niet had kunnen traceren. Wij kwamen in september 1981 aan als twee van de circa 180 studenten geschiedenis aan wat toen nog het Instituut voor Geschiedenis van de Rijksuniversiteit Utrecht heette. De studenten werden verdeeld over 16 werkgroepen en het toeval wilde dat Willem Smit (afbeelding) en ik in dezelfde werkgroep belandden. Het aardige van studeren, toen en nu: je ontmoet mensen die je nooit anders zou hebben ontmoet. Hij kwam uit Vught, ik uit De Bilt, hoe zouden we elkaar anders ooit getroffen hebben?

Van meet af aan was er een klik, in het bijzonder op intellectueel gebied. We waren beiden geboeid door de geschiedenis (vooral van het Derde Rijk), filosofie en literatuur (Nietzsche, Sartre, Camus) en hoopten daar tijdens onze studie meer over te weten te komen. Maar dat viel de angry young men die we waren (Willem was in zijn 24ste, ik in mijn 23ste levensjaar) in de eerste jaren niet mee, zo blijkt uit een briefwisseling uit 1983. Ik had daar nooit meer acht op geslagen, totdat Willem me mijn brieven op 19 december teruggaf. Ik diepte daarop zijn brieven op en reconstrueerde (met instemming van Willem) wat de studenten van toen te berde brachten.

Lees verder

Albert Camus’ zoektocht naar ‘positieve waarden’ van het anarchisme

Gistermiddag sprak ik voor een klein maar geïnteresseerd publiek onderstaande lezing uit naar aanleiding van de publicatie van Albert Camus, Libertaire teksten. Ik schreef voor dat boek, uitgegeven door de kleine uitgeverij Kelder, de inleiding. Het is een huzarenstukje dat deze uitgeverij de rechten verwierf op deze teksten van Camus, nu de schrijver nog altijd veel gelezen wordt en ook geliefd blijft bij grote Nederlandse uitgeverijen. Vorig jaar verscheen bij uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep nog een nieuwe vertaling van de essays Bruiloft en De zomer. En in de befaamde reeks Privé-domein van De Arbeiderspers staan voor mei van dit jaar Laatste cahiers 1951-1959 aangekondigd. Dat Kelder de tot dusver – zeker in Nederland – onderbelichte verhouding van Camus tot het anarchisme en zijn vriendschappen met anarchisten voor ons taalgebied ontsloten heeft mag een grote verdienste worden genoemd.

Lees verder

Between Rigidity and Change: Why Reformation was such a Difficult Concept in Marxism

Tijdens het schrijven aan mijn lezing over het marxisme, Maarten Luther en de Reformatie, die ik 21 september 2017 gaf aan de Vrije Universiteit en hier onlangs publiceerde (https://wimberkelaar.com/2024/02/18/marxism-martin-luther-and-the-reformation-the-story-of-a-problematic-relationship/), raakte ik weer geïntrigeerd door de vele reformaties die het marxisme kende. Bij het werken aan die lezing viel in een notendop al op hoezeer marxisten in hun interpretatie van de 16e-eeuwse Reformatie hechtten aan de orthodoxie van hun interpretaties. Vrijwel allen die na hen kwamen bewezen op zijn minst lippendienst aan de aartsvaders Karl Marx en Friedrich Engels. De oorzaak was niet slechts gelegen in de kwetsbaarheid van de Duitse Democratische Republiek die in haar veertigjarig bestaan krampachtig zocht naar legitimatie. De hang naar orthodoxie stak dieper. Marx en Engels zelf zetten zich in de 19e eeuw al hevig af tegen de “utopisch socialisten” om hen heen en presenteerden zich als de ware, “wetenschappelijke” socialisten. Ik besloot me destijds nog eens te verdiepen in het ingewikkelde begrip ‘reformatie’, maar dan reformatie binnen het marxisme, met onderstaand artikel als resultaat. Wederom in het Engels geschreven en bedoeld voor de nimmer verschenen en vermoedelijk nooit te verschijnen bundel over het Reformatie-begrip bij uitgeverij Brill.

Lees verder

Marxism, Martin Luther and the Reformation: the story of a problematic relationship

Alweer jaren geleden, om precies te zijn op woensdag 20 en donderdag 21 september 2017, vond aan de Vrije Universiteit een tweedaags congres plaats onder de titel From Reformation to Reformations. Naast de klassieke 16e-eeuwse Reformatie, die naast het katholicisme het protestantisme in het leven riep, werd ook aandacht besteed aan het begrip reformatie in andere levensbeschouwingen. Daarbij opperde ik het idee ook te kijken naar de rol die het begrip ‘reformatie’ in het marxisme heeft gespeeld, allereerst in het denken over Maarten Luther en de Reformatie. Omdat het een internationaal congres was spraken we onze referaten in het Engels uit, met de bedoeling dat referaat uit te werken tot een artikel, te zijner tijd te publiceren bij uitgeverij Brill. Te zijner tijd…dat kwam er nooit van, wel vaker een slechte gewoonte na afloop van wetenschappelijke congressen. Niet getreurd: ik plaats dit artikel nu op mijn website. In het Engels, zoals ik het destijds aanleverde. Voor wie het kan boeien: een artikel over marxistische reacties op de 16e-eeuwse Reformatie. Reacties van vooral Friedrich Engels en – eeuwen later – van leiders en ideologen van de Duitse Democratische Republiek (1949-1989), die de opstandige monnik uit de 16e eeuw als hun voorganger claimden.

Lees verder

Hedonist en moralist: het ongedefinieerde nihilisme van Theo van Gogh

Jaap Cohen schreef een gedetailleerde, soms zelfs uitputtende biografie van Theo van Gogh (1957-2004), die ik onlangs met grote interesse las en voor het radioprogramma OVT kort besprak. Het boek is een kroniek van rijkeluiszoon Van Gogh, die nogal wat verleden met zich mee te torsen had: hij werd vernoemd naar de in de oorlog omgekomen broer van zijn vader. Ook zijn gelijknamige overgrootvader genoot een reputatie en wel als financier van diens broer, de befaamde schilder Vincent van Gogh. Uit de biografie komt naar voren dat Theo van Gogh zo min mogelijk te maken wilde hebben met de verering van Vincent van Gogh maar de financiële voordelen ervan (heimelijk) genoot. In zijn ruw afgebroken leven liet hij zich kennen als zelfbenoemd en niets ontziend ‘predikant van de nihilistische gemeente’. Zijn ongedefinieerde nihilisme wordt in de biografie wel gesignaleerd maar niet echt uitgewerkt. Een beschouwing.

Lees verder