
Dezer dagen brengt Theater Utrecht Caligula van Albert Camus op de planken. Voordat ik een voorstelling in de Stadsschouwburg in Utrecht bijwoonde herlas ik het toneelstuk en werd wederom getroffen door de zeggingskracht van Camus’ werk. Hij is de schrijver van een klein, overzichtelijk oeuvre dat in alle beknoptheid stem geeft aan zowel nihilisme als humanisme. Zijn oeuvre lijkt de tand des tijds vooralsnog te kunnen doorstaan. Camus stierf bijna zestig jaar geleden maar nog altijd wordt er naar zijn werk gewezen en inspireert hij zowel schrijvers als lezers. Caligula behoort tot zijn vroege werk en kan gelezen worden als onderdeel van een drieluik met het essay De mythe van Sisyfus en de roman De vreemdeling. Het verbeeldt het inzicht dat de dood de enige zekerheid in het leven is. En het verbeeldt de eis meer te willen dan er op deze wereld te vinden is, een eis die ook door een Nederlandse schrijver is verwoord.
Lees verder
Vorig jaar, om precies te zijn op 13 april 2018, stierf Martin van den Heuvel, Rusland- en Oost-Europa-deskundige. Hij werd (ten onrechte) geassocieerd met het typetje dr. Clavan van Kees van Kooten. Van den Heuvel was een serieuze wetenschapper en journalist die iets presteerde dat schrijver Willem Frederik Hermans pretendeerde: hij had altijd gelijk. Zijn beheerste maar niet minder polemische autobiografie Uit het leven van een anticommunist (1998) toont aan hoe velen (politici, predikanten) in Nederland heulden met het ‘reëel bestaande socialisme’ in Rusland en Oost-Europa, dat in werkelijkheid een totalitaire dictatuur was. Ik herdacht hem op 30 december 2018 al kort in het historisch radioprogramma OVT (
Het is alweer tien jaar geleden dat de Russische schrijver en voormalige Sovjet-dissident Alexander Solzjenitsyn stierf, 89 jaar oud. En het is honderd jaar geleden dat hij werd geboren. Solzjenitsyn was een uiterst omstreden figuur, niet alleen bij de Sovjet-autoriteiten, maar ook onder zijn mede-dissidenten. Hij is – althans in Nederland – nu vrijwel vergeten, niet alleen omdat de Sovjet-Unie al bijna dertig jaar ter ziele is, maar ook vanwege zijn christelijk geloof, zijn kritische en volgens sommigen antisemitische houding tegenover de vooraanstaande rol van veel Joden tijdens de Russische Revolutie en niet te vergeten vanwege zijn sympathie voor Poetin, die hem in zijn laatste levensjaren opzocht en wiens herstel van de Russische ‘waardigheid’ door Solzjenitsyn hogelijk bewonderd werd na de chaotische jaren negentig ten tijde van Boris Jeltsin. Poetin herdacht en eerde Solzjenitsyn op diens honderdste geboortedag op 11 december 2018 postuum opnieuw en spande de schrijver zo nog eens handig voor zijn imperialistische karretje. Hoe intussen Solzjenitsyn werkelijk te herdenken? Als de moedige dissident of als de enghartige nationalist, zoals Poetin doet? Of als allebei? Bij al zijn Russische engagement was en bleef Solzjenitsyn ook een ongrijpbaar, moeilijk toegankelijk individualist. Ik publiceerde onderhavig artikel na zijn dood in 2008 in het Historisch Nieuwsblad, maar plaats het hier opnieuw, omdat Solzjenitsyns leven larger than life was. Er kan nooit genoeg over hem worden nagedacht.
In oktober 2016 schreef ik op deze website een artikel over de theoloog H. M. (‘Harry’) Kuitert. Ik had me in zijn werk verdiept als opmaat naar een symposium dat op 24 november 2016 werd georganiseerd door de Vrije Universiteit, mijn werkgever. Kuitert was toen 92 jaar en zou het jaar daarop sterven. In zijn laatste levensjaar liet Kuitert delen van zijn archief overbrengen naar het Historisch Documentatiecentrum en na zijn dood kwam het hele archief over dankzij dochter Lisa. Dat archief is fascinerend omdat het de ontwikkelingsgang in het denken van Kuitert laat zien. Op de publicatie van ieder boek ontving hij brieven met zowel commentaar als bijval. En daarnaast bevat het archief tal van gedrukte stukken: krantenartikelen over en interviews met hem. Ze tonen dat Kuitert nog lang gelovig is gebleven en dat hij pas laat atheïst werd. Dit artikel is een licht bewerkte versie van een bijdrage die ik recent in een vriendenbundel publiceerde.
Heeft er ooit zo’n imponerende tweeling op aarde rondgelopen als de gebroeders Medvedev? Ik denk het niet. De historicus Roy (links) en de biochemicus Zjores (rechts) hebben samen en afzonderlijk een enorm oeuvre bij elkaar geschreven, voornamelijk over de misstanden in de Sovjetunie. Ze werden ieder op eigen wijze ook zelf slachtoffer van het totalitaire communistische systeem, maar waren niet klein te krijgen. En niet van elkaar te scheiden, hoe ver ze ook uit elkaar woonden. Tot de dood Zjores op 15 november jongstleden hen scheidde, een dag na hun beider verjaardag. Die vierden ze in Londen vierden ten huize van Zjores, die daar na zijn verbanning uit de Sovjetunie decennia woonde en bleef wonen, ook al had de laatste Sovjetleider Michail Gorbatsjov hem in 1990 het staatsburgerschap weer teruggegeven. Roy bleef, lang geschaduwd door de geheime dienst KGB, in Moskou. De geschiedenis van beide broers laat zich lezen als een persoonlijke geschiedenis van de Sovjet-tragedie, waarin zij zich – zo kan zonder terughoudendheid worden gesteld – bijzonder heldhaftig gedroegen.
Wie mocht denken dat de Tweede Wereldoorlog zo langzamerhand – ruim zeventig jaar na het einde ervan – bestudeerd kon worden als de Franse Tijd of de Tachtigjarige oorlog zal opgekeken hebben van de heuse affaire die ontstond na de publicatie van het boek Oorlogsouders van Isabel van Boetzelaer. Maar ook zonder die affaire blijkt telkens weer dat de oorlog mensen voor keuzes stelde die ook ons, van (ver) na de oorlog, steeds weer doet denken in termen van goed en fout, hoeveel nuances en begrip voor de historische omstandigheden daarbij ook in rekening worden gebracht. Deze gedachten drongen zich aan me op na lezing van De rechtvaardigen, het boek dat Jan Brokken recent publiceerde over de Nederlandse consul Jan Zwartendijk, die in 1940 in Litouwen duizenden visa verstrekte aan Poolse en Litouwse Joden die daarop konden ontkomen aan de Holocaust.
Hoe Hitler op 30 januari 1933 de macht verwierf is een inmiddels veel beschreven geschiedenis. Maar zo gedetailleerd als de jonge Duitse historici Rüdiger Barth en Hauke Friederichs de laatste winter van de Weimarrepubliek beschrijven had ik het nog niet eerder gelezen. Hun boek De grafdelvers leest als een roman maar is grondig gebaseerd op dagboeken, krantenberichten en persoonlijke archieven van de diverse hoofdrolspelers. Terwijl de aandacht tot dusver vooral uitging naar Hitler, Franz von Papen en Paul von Hindenburg werpen Barth en Friederichs licht op de rol van charmeur en intrigant generaal Kurt von Schleicher, de man die 56 dagen rijkskanselier was voordat hij uit het ambt verdreven werd. De grafdelvers is een verhaal van leugens, bedrog en vooral opportunisme, waarbij slechts één hoofdrolspeler wist wat hij wilde: Hitler.
Hij is altijd een wat schimmige figuur gebleven, hoewel hij in de jaren zeventig naast voetballer Johan Cruijff gold als een van de meest bekende Nederlanders in het buitenland: Willem Adolf Visser ’t Hooft (1900-1985), die gedurende de hoogtijdagen van de Koude Oorlog de Wereldraad van Kerken leidde. Hij heeft nu eindelijk zijn biografie. Die geeft te denken over de machteloosheid van het christendom in de twintigste eeuw. Visser ’t Hooft hoopte door de kerken met één stem te laten spreken het christendom tot een morele kracht te maken in de wereldpolitiek. Maar zijn diplomatie en vredesoproepen waren tevergeefs. De wereldleiders hoorden hem geduldig aan en de kerken bleven, al zijn inspanningen ten spijt, even verdeeld als zij altijd al waren.
Onlangs maakte ik in een tweegesprek met Jos Palm voor het historisch radioprogramma OVT van de VPRO een podcast over Voorbij de verboden drempel. De Shoah in ons geschiedbeeld van H.W. von der Dunk. Ik beschouw dit als een van zijn beste boeken. Waarom? Omdat hier geen simpele beschrijving wordt geboden van het drama dat zich tussen 1940 en 1945 voltrok. Voorbij de verboden drempel is een scherpzinnige doordenking van de Jodenvervolging en de Holocaust. Het boek neemt in de toch uitgebreide geschiedschrijving over de Jodenvervolging een heel eigen plaats in. (De OVT-uitzending in de serie ‘Het laatste woord’ is overigens hier terug te luisteren:
Op woensdag 22 augustus stierf H.W. von der Dunk, 89 jaar oud. Hij was een van de meest spraakmakende historici van zijn generatie. Maar binnen die generatie was hij een eenling, vooral omdat hij – hoe ironisch en vilein hij soms ook schreef – ten diepste geen ironicus was. Terwijl zijn generatiegenoten grote woorden schuwden, schroomde Von der Dunk die niet. Hij begon als contemporain historicus maar zijn hart lag eigenlijk bij de cultuurgeschiedenis en – nog meer – bij de geschiedfilosofie. In de laatste tien jaar van zijn leven verschenen almaar uitdijende boeken over de herinnering, over de grote historische vragen en over de verambtelijking van het (academisch) leven. De geschiedfilosofie behoort niet tot het beste deel van zijn werk en is terecht bekritiseerd, evenals zijn legendarische slordigheid. Maar zijn onafhankelijke geest, zijn veelzijdige belangstelling en zijn onverschrokkenheid vormen een blijvende bron van inspiratie.