
Een jaar geleden verwierf ik via een vriend een grote collectie boeken van Simon Carmiggelt. Ze stonden bij zijn vader, een neerlandicus, in de boekenkast. Een antiquaar toonde geen belangstelling, want wie leest nu nog Carmiggelt? Goeie vraag, ik deed het eigenlijk ook niet. Tot nu. Het afgelopen jaar verdiepte ik me tussen de bedrijven door in het werk van de glimlachende melancholicus die zichzelf eindeloos kon relativeren maar die toch tegen de klippen op schreef omdat hij niet anders kon. En die een grimmige kant had die zijn werk deed flonkeren.
Lees verder
Dezer dagen las ik Zijn eigen land, het boek dat uitgever Robbert Ammerlaan in 2016 over Harry Mulisch publiceerde. Een intrigerend en bij vlagen boeiend boek, al roept het heel wat vragen op, niet alleen over de hoofdpersoon maar ook over het boek zelf. Zijn eigen land is geen klassieke biografie, maar biedt een staalkaart aan vondsten in de werkkamer van Mulisch. Intussen heeft Ammerlaan met dit boek een hoop gras voor de voeten van een mogelijke biograaf weggemaaid, met alle mogelijke weetjes over Mulisch’ jeugd en huwelijksleven. En tegelijk verhult Zijn eigen land van alles, vooral over de laatste jaren van de stilgevallen schrijver, die fel gekant was tegen de islam.
Op verzoek van André Zwartbol, redacteur Opinie van het Nederlands Dagblad, schreef ik een artikel over de jaren zestig. Wat is de erfenis van die roemruchte jaren, nu we een halve eeuw later leven dan ‘Mei 1968’? Het werd vandaag in de krant gepubliceerd onder de kop ‘Hoe de “gewone burger” door de sixties veranderde’. Dat is een goede kop die de lading van het artikel dekt. Zelf had ik het ingestuurd onder een andere titel, die hier boven staat. Omdat artikelen van het Nederlands Dagblad achter een betaalmuur schuilgaan en voor buitenstaanders digitaal slechts gedeeltelijk te lezen zijn, publiceer ik het artikel hierbij op mijn website.
Een van de boeiendste boeken die ik de afgelopen tijd las was De pater en de filosoof. De redding van het Husserl-archief, geschreven door de Vlaming Toon Horsten. Het vertelt het bijzondere verhaal van de Franciscaner priester Herman Leo van Breda, die gegrepen werd door de fenomenologie van Edmund Husserl en zowel het archief als de weduwe van de filosoof in veiligheid wist te brengen. Horsten biedt meer dan een spannend verhaal: hij laat terloops zien hoezeer katholieke intellectuelen zich verstonden met de moderniteit, al blijft in nevelen gehuld waarom Van Breda het geloof trouw bleef terwijl hij tegelijkertijd zo aangeraakt werd door het nieuwe denken.
In de doorgaans bedaagde historische wereld van Nederland woedde twintig jaar geleden een ongekende pennenstrijd: een polemiek die aan de Vrije Universiteit losbarstte na de publicatie van het eerste deel van de Colijn-biografie die VU-historicus Herman Langeveld in 1998 publiceerde. Zoals een polemiek betaamt ging het er stevig aan toe, maar er stond dan ook wel iets op het spel: in hoeverre mag een historicus archiefstukken negeren om zo een positief beeld van zijn hoofdpersoon in stand te houden? Onderstaand artikel werd recent gepubliceerd op de website
Op 22 maart 2018 is hij dan toch gestorven, 107 jaar oud: J.W. (Johan Willem) van Hulst, de hervormde kweekschoolonderwijzer die hoogleraar pedagogiek werd aan de Vrije Universiteit. Als pedagoog zal hij niet herinnerd worden, zelfs de verwoede amateurschaker zal niet voortleven. Van Hulst zal voortleven als groot verzetsman, onderscheiden door de staat Israël omdat hij als directeur van de hervormde kweekschool aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam honderden joodse kinderen van een wisse dood heeft gered door hen tijdelijk onder te brengen op zijn school, vanwaar ze her en der in het land werden ondergebracht. Samen met journalist Koos van Noppen interviewde ik hem in 2008 voor het radioprogramma Nieuw Protestants Peil, Van Hulst was toen 97 jaar oud.
Vandaag publiceerde universiteitshistoricus Ab Flipse op zijn mooie website
Dit jaar is het honderd jaar geleden dat de opleiding geschiedenis aan de Vrije Universiteit werd opgericht. Daar wordt bij stilgestaan door een commissie, waarvan onder meer universiteitshistoricus Ab Flipse deel uitmaakt. Ab is de beheerder van de mooie website
Léon Degrelle was de leider van de Franstalige katholieke ‘tegenpartij’ Rex in België en vocht tijdens de Tweede Wereldoorlog met zijn Waalse legioen aan de zijde van SS aan het Oostfront. De legende Degrelle heeft altijd tot de verbeelding gesproken. In 2002 maakte Jonathan Littell van Degrelle een ‘oerfascist’ in zijn studie Het droge en het vochtige: Degrelle zou zijn blijven steken in gewelddadige kinderfantasieën zonder ooit volwassen te worden. Bij het lezen van zijn bestseller De welwillenden (2007) denk je als lezer onwillekeurig aan Degrelle, ook al was die geen homoseksueel, zoals de hoofdpersoon in dat boek. De recente biografie van de Belgische historicus Bruno Cheyns probeert deze typologie te doorbreken en reconstrueert nauwgezet het lange leven (1906-1994) van een man die uitgroeide tot de beruchtste Belg ooit.
Het boek verscheen in 2015 maar ik kwam er pas deze weken aan toe, omdat ik het las ter voorbereiding van een interview in het Verzetsmuseum op 18 januari jongstleden: God in de oorlog. De rol van de Kerk in Europa 1939-1945. Het boek beperkt zich niet tot Nederland maar bestrijkt heel Europa. God in de oorlog herinnert aan iets dat in de studie van de Tweede Wereldoorlog licht vergeten wordt: dat deze oorlog zich voltrok op een continent dat nog doordrenkt was van het christendom. Tot een eenduidige conclusie hoe christenen zich gedroegen tijdens de oorlog komt auteur Jan Bank terecht niet, daarvoor is hun opstelling te uiteenlopend geweest.