
Onlangs vroeg het historisch radioprogramma OVT me een historisch boek te bespreken in de serie ‘Het laatste woord. Boeken die geschiedenis maakten’. Het gekozen boek moest nadrukkelijk een historische studie zijn. Ik koos onmiddellijk voor Alan Bullocks Hitler. A Study in Tyranny (1952), een jaar later in het Nederlands uitgegeven door Bruna onder de titel Hitler. Leven en ondergang van een tiran. Het programma is hier terug te luisteren: https://www.nporadio1.nl/podcasts/het-laatste-woord/13088/afl-1-hitler-leven-en-ondergang-van-een-tiran Ik las zijn Hitler-biografie als beginnend student en was direct gegrepen door de krachtige stijl, heldere oordelen en de onovertroffen epiloog. Voor de gelegenheid verdiepte ik me nog eens in het oeuvre van Bullock, die zich vooral toelegde op de geschiedenis van zijn eigen tijd, de 20e eeuw. Hoewel hij zijn roem oogstte als biograaf van Hitler (en Stalin) is een ander deel van zijn werk betrekkelijk onbekend. Bullock schreef uitgebreid over de humanistische traditie in het Westen en hechtte aan de ‘vitaliteit van de Westerse beschaving’, om met de titel van de afscheidsoratie van Pieter Geyl te spreken. Bullock wees niet alleen op de donkere maar ook op de lichte zijde van de afgelopen eeuw, die gekenmerkt werd door deportatie en massamoord maar ook door enorme technische vooruitgang en welvaart.
Lees verder
Wie kent haar nog? Henriëtte Boas, de kleine vrouw met de enorme bos wit haar en levendige ogen die je scherp konden aankijken. Boas bemoeide zich met alle grote naoorlogse kwesties en bestookte kranten zo dikwijls met haar ongezouten opvattingen dat ze er de bijnaam ‘kampioen ingezonden brievenschrijfster’ aan overhield. Die brieven gingen, enkele uitzonderingen daargelaten, vooral over het Jodendom. Iedereen, maar in het bijzonder Joden, werd de maat genomen als iets gedebiteerd werd dat ze onjuist achtte over de Joodse geschiedenis of over de politiek van de staat Israel. Ze had dikwijls (zij het niet altijd) gelijk, maar gelijk hebben is nog iets anders dan gelijk krijgen, zo leert de voortreffelijke biografie De waarheidszoekster. Een leven voor de Joodse zaak, die Pauline Micheels op 25 mei jongstleden presenteerde.

Met Friedrich Nietzsche onderhoud ik een haat-liefde verhouding. Soms denk ik: wat een geëxalteerde auteur, vol van heftige gedachten over de Duits-christelijke cultuur waarin hij groot werd, gedachten die almaar extremer werden naarmate zijn (zelfverkozen) isolement groter werd. Dat hij er nooit in slaagde een gangbare seksuele relatie met een vrouw aan te gaan hielp ook niet mee: het leidde tot grote frustratie en wekt enig medelijden op – medelijden, een begrip waar Nietzsche van gruwde. Maar daar staat heel wat tegenover: wat kon die man prachtig schrijven, wat een diepzinnige mensenkennis zit er in dat werk verborgen, wat is het leesbaar. Na hem een tijd ongelezen te hebben gelaten vond ik hem onlangs weer terug via een geweldig boek van de Britse schrijfster Lesley Chamberlain, dat alweer twintig jaar geleden werd gepubliceerd en in Nederlandse vertaling verscheen onder de titel Nietzsche in Turijn. Een intieme biografie.
Wie weet nog wie Sal Tas (1905-1976) is? Deze obscure linkse activist voor de Tweede Wereldoorlog vond na 1945 tienduizenden lezers als verslaggever buitenland van Het Parool. Tas bood die lezers een venster op de wereld. Na zijn dood raakte hij vrijwel onmiddellijk in de vergetelheid. Maar zie: historica Tity de Vries, die eerder schreef over Amerikaanse en Nederlandse intellectuelen in de jaren vijftig, richtte vorig jaar een bescheiden monument voor hem op in haar voortreffelijke boek Een onwrikbaar geloof in zijn gelijk. Sal Tas, journalist van de wereld, dat onderdak vond bij uitgeverij Aspekt. Ze schetst het portret van een man die rake journalistieke stukken schreef maar die tevens een stil verdriet met zich meedroeg: zijn boeken werden nooit op waarde geschat, terwijl het werk van zijn vriend Jacques de Kadt (1897-1988) inmiddels wel tot de grote politieke literatuur wordt gerekend.
Er zijn niet veel Nederlanders die na de Tweede Wereldoorlog een boek over Hitler publiceerden. Recent schreef Sjoerd de Boer met De Hitler mythes een goed boek, waarin hij beoogt hardnekkige misverstanden over Adolf Hitler te verklaren en naar de mestvaalt van de geschiedenis te verwijzen. Zoiets kan alleen als je een grondige kennis van de literatuur over Hitler hebt en die kennis heeft De Boer, al leunt hij sterk op een aantal gidsen, van wie Hitler-biograaf Ian Kershaw de belangrijkste is. Het is een nuchter boek, geschreven door iemand van ver na de oorlog, waarmee overigens niet denigrerends is gezegd. Nederlandse tijdgenoten schreven met minder afstand over de man die hun leven op een negatieve manier beïnvloedde.
Enkele weken geleden werd ik geattendeerd op het boek Weerloos voor de rechtbank van de rede. De Bijbel en het vrije denken in Nederland 1855-1955, geschreven door de mij tot dusver alleen van naam bekende emeritus hoogleraar C. Houtman, die Oude Testament doceerde aan de inmiddels verdwenen opleiding in Kampen van de Protestantse Theologische Universiteit. Ik kende zijn naam wel maar had vrijwel niets van hem gelezen. Ik vroeg het Nederlands Dagblad, niet langer een exclusief vrijgemaakt-gereformeerde maar een ‘christelijk betrokken’ krant (waar een goede vriend werkt), of die iets zag in een bespreking van mijn hand. Die bespreking verscheen op vrijdag 26 februari jongstleden. Hier ga ik nog wat dieper en uitgebreider in op dit boek. Weerloos voor de rechtbank van de rede is dat waard. Het is in veel opzichten voorbeeldig.
Op zondagochtend 31 januari trof ik Hermans-biograaf Willem Otterspeer bij het historisch radioprogramma OVT. Otterspeer sprak daar over de verfilming van de roman Nooit meer slapen, een film onder regie van Boudewijn Koole. Ik zei hem bij die gelegenheid dat hij met zijn tweedelige biografie al bij al een indrukwekkende prestatie heeft geleverd. Hoe nu? Ik had toch kritiek op het eerste deel (De mislukkingskunstenaar) van deze tweedelige biografie? Zeker: ik vond en vind dat Otterspeer Hermans’ op zijn zachtst gezegd opportunistische optreden tijdens de oorlog teveel met de mantel der liefde bedekte en de schrijver ook verder onnodig groter maakte dan hij in werkelijkheid was (‘Nederlands grootste schrijver’) . Zie daarover de bijdrage ‘Een krans bij een standbeeld’ op deze website van januari 2015. Maar kritiek op een boek sluit waardering niet uit, integendeel. Ik las het tweede deel (De zanger van de wrok) al enige tijd geleden en maak hier mijn balans op: Otterspeers interpretatie van Hermans’ levensgang is uiteindelijk overtuigend.
Vorige week woensdag, 27 januari 2016, hield ik tijdens de zogenoemde Holocaust Memorial Day aan de Vrije Universiteit een lezing over het verzet van VU-studenten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat verzet kon bestaan uit actieve bestrijding van de bezetter maar ook uit hulpverlening aan Joden die met de dood werden bedreigd. Dat mag opmerkelijk heten, aangezien gereformeerden voor én tijdens de oorlog tweeslachtig tegenover Joden stonden. Om die reden mag de inzet van VU-studenten om Joden te redden bijzonder heten.