
Terwijl de meeste mensen in de vergetelheid raken als ze heel oud worden, lag dat anders bij anarchist en documentalist Arthur Lehning (1899-2000). Op zijn tachtigste verjaardag werd hij geëerd door een kring van bewonderaars met een vuistdikke feestbundel en gaf hij tal van interviews. En op zijn honderdste verjaardag werd hem de PC Hooftprijs toegekend en een bundel uitgebracht waarin een aantal van zijn essays werden herdrukt. Lehning werd gevierd als een groot man die cultuur en politiek verbond door in zijn jonge jaren grote namen bijeen te brengen in het tijdschrift I10 (1927-1929) en die nooit in de val getrapt was van de totalitaire verleiding die het communisme vormde. Maar rond de toekenning van de PC Hooftprijs klonk ook voor het eerst echt openbare kritiek op de man met de onwrikbare politieke standpunten en levensovertuiging.
Wat is de biografie van de man die, zoals menigmaal is gezegd, in drie eeuwen leefde? Hoewel er tal van biografische schetsen van dat leven bestaan zijn er nog steeds hiaten, vooral omdat die schetsen nogal hagiografisch getoonzet zijn. Paul Arthur Müller-Lehning werd op 23 oktober 1899 geboren in het Duitse Elbersfeld als tweede zoon van Paul Lehning en Paula Schübler. Dat hij lang als Müller-Lehning door het leven ging, heeft als reden dat hij de naam van zijn stiefvader aannam. Die stiefvader was lidmaat van de Hernhutters, die merkwaardige protestantse gemeenschap uit Bohemen en Moravië, eigenzinnig teruggaand op reformator Luther.
Dit alles staat te lezen in iedere biografische schets. Dat hij een vier jaar oudere broer had in Hans-Werner Müller-Lehning wordt vaak wel zijdelings vermeld, maar meer wordt er meestal niet over gezegd. Dat deed wel historicus en geestverwant van Lehning, Bert Altena (1950-2018). Hij schreef in zijn necrologie in de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde dat de broers helemaal mee gingen in het destijds heersende nationalisme en de verrichtingen aan het front van Wilhelminisch Duitsland vanuit Zeist op de voet volgden.
Waar je echter nooit over leest: hoe was de verhouding tussen de broers, in hoeverre gingen zij met elkaar om? De weduwe en tevens biografe Toke van Helmond-Lehning (nooit een goed idee: een weduwe die een biografie schrijft over haar betreurde echtgenoot, maar dit terzijde), noemde in een uitvoerig artikel over Lehnings Berlijnse jaren in de jaren twintig (gepubliceerd in De Parelduiker) wel een paar keer de naam van broer Hans-Werner maar tot een echte analyse van hun verhouding kwam het daarin niet.
Terwijl die verhouding toch wel interessant is als je ziet welke verschillende politieke wegen de twee gingen bewandelen. Arthur Lehning trok na een studie aan de Economische Hogeschool te Rotterdam naar Berlijn, verzamelde als jongeman een reeks van vooraanstaande kunstenaars en intellectuelen om zich heen en richtte het tijdschrift I10 op, daarbij geholpen door zijn te jong gestorven vriendin Annie Grimmer die daarvoor nooit echt het krediet kreeg dat ze verdiende – een terugkerend thema in het leven van Lehning, zoals we zullen zien. Dat Lehning mensen als J.J.P. Oud, Piet Mondriaan en anderen aan zich bond mag een verdienste van hem worden genoemd, zeker omdat de meeste contribuanten aan I10 minstens twee keer zo oud waren als hij. Dankzij die contacten ontstond een vliegwieleffect: de gerenommeerde medewerkers trokken weer andere kunstenaars van naam en faam aan.
Nadien werd het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) zijn bestemming. Oprichter N.W. Posthumus (foto), een geboren initiatiefnemer en organisator, bood zijn voormalig student in 1935 er een baan. Een gouden greep, want de uiteindelijk met de P.C. Hooftprijs bekroonde Lehning was niet in de eerste plaats de essayist waar de jury hem in 1999 voor hield maar een documentalist. Hij had dat al bewezen voordat hij deze betrekking kreeg. In zijn jonge jaren bewaarde hij alles wat zijn jeugdvriend Hendrik Marsman schreef en drukte hij diens gedichten toen Marsman nog geen uitgever had gevonden. De bundel Verzen (1923) zou een sensatie worden in de toenmalige poëziewereld en van Marsman een aanvoerder maken van ‘vitalistische’ dichters. Ook vroeg werk van Slauerhoff werd dankzij Lehning publiek. Hij werd kortstondig ‘makelaar in literatuur’ en zette zijn eigen beperkte dichtersambities in de ijskast.
Anders dan zijn leeftijdgenoot en anarchistisch geestverwant Anton Constandse (foto), politiek nimmer een conservatief en al snel atheïst, kostte Lehning het meer moeite zich los te maken van zijn (Duits-nationalistische) milieu. Wellicht onder invloed van zijn stiefvader F.J. Müller hield hij er nog enige tijd een vaag soort christendom op na. Je moet hem intussen nageven dat hij zijn vriend Marsman, die in de jaren twintig dweepte met het katholicisme en fascisme, goed partij bood in een befaamde discussie over politiek en cultuur. Hoewel dat wat Lehning tegenover Marsmans ‘kerken en kathedralen’ stelde maatschappelijk gezien geen serieus alternatief was. Toch is hij dat alternatief – syndicalistisch anarchisme -zijn leven lang trouw gebleven. Lehning is nimmer de wanhopige zoeker naar ‘bezield verband’ geweest die zijn vriend Marsman was: hij wist altijd al.
Altijd lastig uit te maken: is de talentvolle, onzekere zoeker Marsman (foto) te prefereren boven Lehning, die na de jaren ’20 eigenlijk nimmer meer van mening veranderde? Dat had namelijk ook zo zijn schaduwzijde: zonder enige twijfel levenslang anarchistisch syndicalist blijven in een eeuw waarin het bolsjewistisch experiment in Rusland miljoenen levens eiste, het Derde Rijk dood en verderf zaaide en tijdens de Koude Oorlog de machtsblokken van de Sovjetunie en de Verenigde Staten grimmig tegenover elkaar stonden. Wetend dat er van dat anarchistisch syndicalisme nooit iets komt maar wel leven met de innerlijke zekerheid van de eigen, onbezoedelde overtuiging. Zelf beschouwde Lehning de utopie als ‘een lamp voor zijn voet en een licht op zijn pad’, om het Bijbels uit te drukken.
Als medewerker van het IISG kon hij van dat utopisch gedachtengoed letterlijk werk maken. Al ging daar nog een avontuur aan vooraf: na het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog reisde Lehning spoorslags af. Even tevoren koesterde hij hoge verwachtingen van de progressieve krachten in Spanje en verwachtte een sociale revolutie. In zijn Spaans dagboek schreef hij: ‘De werkelijke strijd zal als de contrarevolutie is neergeslagen pas beginnen. De boeren en arbeiders zullen in deze strijd niet halverwege blijven staan. Ze houden geweer bij de voet. De sociale revolutie staat opnieuw op de Spaanse agenda.’
Er kwam niets van: stalinisten vielen anarchisten en Trotskisten in de rug aan en generaal Franco zou na een verwoede strijd een dictatuur vestigen die tot 1975 in het zadel bleef. Tot zover het ‘reëel bestaande anarchisme’, als het in die drie jaar van oorlog al levensvatbaar was. Een tragedie, ook in de ogen van Lehning, die – anders dan andere anarchisten – niet of nauwelijks terugblikte op deze anarchistische ‘zomer’. Maar helemaal vruchteloos waren de jaren niet voor hem geweest. Want de netwerktijger had er weer de nodige contacten opgedaan om materiaal te verzamelen voor het IISG. Waar hij ook kwam, wat er ook gebeurde: altijd ontstonden er – al dan niet instrumentele – vriendschappen ten behoeve van archivalia.
Zijn belangrijkste contact is wel de Oostenrijkse anarchistische verzamelaar-en historicus/chroniqueur Max Nettlau (foto) geweest. De man – een bezield en gelovig anarchist – bracht een enorme verzameling anarchistica bijeen die mede dankzij Lehning onder de aandacht van Posthumus kwam. Zijn oud-student bewees zijn waarde en zou dat nog meer doen bij zijn oversteek naar Engeland een maand voor de Duitse bezetting. Hij ontkwam zo zelf aan de nazi-tirannie en werd ‘managing director’ van het IISG in Engeland. En hoewel het eerste jaar na het uitbreken van de oorlog niet gemakkelijk voor hem was (hij werd op grond van zijn Duitse afkomst maandenlang geïnterneerd) kon hij na de oorlog met opgeheven hoofd terugkeren naar Nederland.
Hoe anders verging het leven van broer Hans Werner Müller-Lehning (foto). Hij bleef het nationalistische Duitse spoor volgen dat hij met veel enthousiasme voor hemzelf en zijn jongere broer had uitgezet met als consequentie dat hij als nationaalsocialist eindigde. Tijdens de oorlog was hij geen kleine vis. Integendeel, hij werd hoofd Commissariaat van Niet-Commerciële Verenigingen en Stichtingen en in die functie verantwoordelijk voor de gelijkschakeling en de leegroof van Joodse organisaties.
Bij gebrek aan een biografie weten we niet veel meer over deze tot nu toe schimmig gebleven figuur dan wat Loe de Jong in zijn standaardwerk over de Tweede Wereldoorlog over hem schreef: een carrièrist en opportunist die zich omhoog werkte, niet schroomde zijn ellenbogen te gebruiken en daardoor ook bij de nazi’s zelf niet goed lag. Incidenteel slaagde hij erin verenigingen en stichtingen naar Duits model gelijk te schakelen, veel vaker lukte dat niet. Pas toen de Sicherheitspolizei verboden uitvaardigde ging zijn Commissariaat met succes over op liquidatie, aldus De Jong, Hij liet deze constatering volgen door een prachtige zin: ‘Men zou kunnen zeggen dat Müller-Lehning de hyena werd van het politieke slagveld: wat daar aan cadavers kwam te liggen, werd door hem aan stukken gescheurd.’
Beeldspraak die weinig aan de verbeelding overlaat. Behalve de vraag: hoe dacht Arthur Lehning over deze broer, die na de Duitse nederlaag in mei 1945 zelfmoord pleegde? Het enige zichtbare teken van verwijdering is dat hij de naam Müller na de oorlog niet meer zou gebruiken. Maar van een terugblik op het leven van zijn broer is (mij) niets bekend. Wellicht wilde Lehning niet meer aan hem herinnerd worden, begrijpelijk in de naoorlogse jaren waarin iedere associatie met het nazisme – hoe onverdacht iemand zelf ook was – liefst vermeden werd. Maar voor een goed begrip van zijn leven zal ook deze foute broer, die zo van invloed was op de eerste twintig jaar van Lehnings leven, een plaats moeten krijgen in zijn biografie.
Lehnings ondubbelzinnige en niet meer betwijfelde keuze voor syndicalistisch anarchisme kwam hem dus weer te stade: in de jaren twintig was hij niet vatbaar voor Mussolini’s fascisme, in de jaren dertig immuun voor Hitlers nationaalsocialisme. En niet te vergeten, zijn keuze was na de oorlog nog goed voor iets anders: zijn reputatie. Ik ben niet de eerste die dit signaleert. Historicus Rob Hartmans schreef in 1999 bij de toekenning van de PC Hooftprijs aan Lehning een voortreffelijk artikel in De Groene Amsterdammer (in 2000 gebundeld in Vaarwel dan! Intellectuelen en hun illusies) waarin hij wees op Lehnings populariteit onder linkse intellectuelen. Zij beseften (de een overigens meer dan de ander) dat het ‘reëel bestaande socialisme’ niets dan dictatuur bracht maar zagen ook niets in de reformistische, ‘burgerlijke’ sociaaldemocratie en wilden coûte que coûte revolutionair denken. En dan was de keus voor de enige revolutionaire stroming met schone handen snel gemaakt.
Zo werd Lehning een held van onder meer Vrij Nederland-journalist Jan Rogier (foto), zoon van de grote en zeer productieve historicus L.J. Rogier. Hij schreef in 1975 in De Gids een lovend artikel bij de toekenning van een eredoctoraat aan Lehning aan de Universiteit van Amsterdam en prees de wetenschappelijke verdiensten van de laureaat. Erepromotor was Frits de Jong Edz. (1919-1989), tussen 1966 en 1978 directeur van het IISG en duidelijk onder de indruk van zijn twintig jaar oudere collega. Die had zich na zijn terugkeer in Nederland (en bij het IISG) toegelegd op het bezorgen van het volledige werk van zijn held, de Russische anarchist Michail Bakoenin (1814-1876). Van de Archives Bakounine waren bij de toekenning van het eredoctoraat vijf delen verschenen, er zou in 1977 nog een zesde deel verschijnen, maar nadien werd het te begrotelijk voor het Instituut. Een zevende deel verscheen nog in 1982 maar toen was inmiddels een wrange soap rond de dan bijna 83-jarige Lehning ontstaan op het IISG.
Enkele jaren eerder leek alles nog koek en ei. In 1979 was hij tachtig geworden en die verjaardag werd luister bijgezet door een comité bestaande uit bewonderaar Jan Rogier, collega en minnares Maria Hunink en Lehnings medewerker Jaap Kloosterman. Zij zochten een keur van medewerkers bij elkaar die een vuistdik monument van eer optrokken in de vorm van een feestbundel onder de onmogelijk lange titel Over Buonarotti, internationale avant-gardes, Max Nettlau en het verzamelen van boeken, anarchistische ministers, de algebra van de revolutie, schilders en schrijvers. Het was een werk waarin de bewondering voor Lehning van de pagina’s spatte.
Rond deze tijd verschenen interviews met en publicaties over Lehning. De Vlaamse filosoof Frans Boenders interviewde hem en liet het interview voorafgaan aan een ronkende inleiding, waarin onder meer de ‘harde werker’ Lehning werd bewierookt. Hij behoorde tot een ‘categorie intellectuelen zonder vaste baan, denkers die zichzelf een opdracht hebben gegeven. Aangezien niemand ze vertelt wat ze moeten doen, zijn ze niet het slachtoffer geworden van de een of andere maffe, want tot mislukking gedoemde arbeidsdeling. Ze werken uit een soort innerlijke noodzaak.’
De werkelijkheid was een geheel andere. Lehning had sinds 1935 een vaste baan met uitzicht op pensioen en hoefde zich, zacht gezegd, ook niet erg in te spannen. Kunsthistorica en museumdirecteur Victorine Hefting, die in de jaren ’60 en ’70 twaalf jaar lang een relatie met Lehning had, relativeerde zijn arbeidsproductiviteit in gesprekken met Nienke Begemann: ‘Hij had weinig of geen zelfkritiek, werkte aanzienlijk minder hard dan algemeen werd aangenomen en was daarbij buitengewoon ijdel, een combinatie die ongunstige gevolgen had.’
Ze doelde met dat laatste op zijn herhaling van standpunten, inderdaad zichtbaar in de rond 1980 herdrukte bundel ‘essays en commentaren’ De draad van Ariadne, voor het eerst gepubliceerd in 1966. Die herhaling treft ook in de andere bundel Ithaka, eveneens in 1980 gepubliceerd. Naast de dikwijls aardige, beknopte herinneringen aan de vele mensen die zijn levenspad kruisten, bevatten de bundels de stokpaarden anarchisme en marxisme – en vooral de superioriteit van de eerste stroming boven de laatste. Bakoenins inzicht dat het marxisme zou uitmonden in een dictatuur als het ergens aan de macht zou komen keert bij Lehning steeds terug. Dat Rusland door de Oktoberrevolutie van 1917 in een marxistische dictatuur veranderde, zag hij als het grote gelijk van Bakoenin. Terwijl in die tijd tal van andersdenkenden ook al zagen dat het marxisme de mensheid het heil niet zou brengen.
Nu Victorine Hefting is genoemd lijkt een tweede vergelijking met geestverwant Anton Constandse op zijn plaats. Godsdienstig kenden ze al een heel andere start in het leven hoewel ze beiden eindigden bij het atheïsme, zij het Constandse veel uitgesprokener dan Lehning. Ook op liefdesgebied leidden ze heel andere levens. Anton Constandse ging na een kortstondig eerste huwelijk een relatie aan met Gerda van der Gaag, die hij tot zijn dood (in 1985) trouw bleef en verzorgde. Van Frauengeschichten was in zijn verdere leven geen sprake meer, al sprak en schreef (Eros. De waan der zinnen) Constandse geregeld over seksualiteit. Lehning uitte zich in geschrifte en bij spreekbeurten nauwelijks over dit thema maar was in het dagelijks leven een enorme womanizer. Hij oefende op mysterieuze wijze grote aantrekkingskracht op het andere geslacht. Annie Grimmer, kunstenares Charley Toorop, museum-directeur Victorine Hefting, IISG-medewerkster Maria Hunink, en ten slotte Toke van Helmond kwamen in zijn ban – en dan zal ik ongetwijfeld nog enkele vrouwen zijn vergeten.
Als de levensherinneringen van Victorine Hefting representatief zijn voor de omgang van Lehning met vrouwen dan is het des te mysterieuzer waarom hij zoveel aantrekkingskracht uitoefende. Ze omschreef hem als een ‘mol’ die haar onder de grond trachtte te verzwakken door af te geven op haar vrienden, geen interesse te tonen in haar werk en nooit complimenten te maken. Maar dat was toen ze was veroverd, want om het veroveren lijkt het Lehning te zijn gegaan: Hefting omschreef zijn hofmakerij als ‘zeer intens’ (ze kwam uit een moeizame scheiding met de alcoholistische uitgever Bert Bakker [1912-1969] en was vatbaar voor zijn troost en verzorging).
Dit liefdesleven bleef natuurlijk in het verborgene voor de buitenwereld, al zal zijn relatie met de befaamde schilderes Charley Toorop zijn reputatie bij zijn linkse bewonderaars beslist niet hebben verminderd: hier was een man die niet alleen consequent en onbezoedeld links was voor, tijdens en na de oorlog, via hem waren zij die hem omringden slechts een handvol verwijderd van de beroemde medewerkers aan I10 en van mensen als Charley Toorop.
Dit alles leidde tot overschatting van Lehning en onderschatting van hen die wat kritischer (of gereserveerder) tegenover zijn werk stonden. Een goed voorbeeld vormt in dit opzicht wederom de Vlaming Frans Boenders. In zijn interview werd niet alleen ronkend over Lehnings werk gesproken, ook werden buitenlandse bewonderaars van de Archives Bakounine uitgelicht met hun bewondering. Zo werd de productieve (en linkse) Britse historicus Edward Hallett Carr met instemming aangehaald. Daarentegen werd misprijzend gesproken over ‘ene Z.R. Dittrich’ (foto), die in het Tijdschrift voor Geschiedenis in 1965 wat gereserveerd bericht zou hebben over de Archives Bakounine. ‘Ene Z.R. Dittrich’: hoe kreeg iemand het anno 1980 uit zijn pen? Dittrich was toen allang en breed gerespecteerd hoogleraar Oost-Europese geschiedenis in Utrecht en kenner van het land van geboorte van Bakoenin, Rusland. Maar het tekent nog eens de overdreven verering van Lehning, die niet alleen niet zo hard werkte als door zijn jongere bewonderaars werd verondersteld maar in het werk dat hij verrichtte ook zwaar leunde op medewerkers, zoals genoemde Jaap Kloosterman.
Een jaar nadat de feestbundel-met-de-onmogelijk lange titel was aangeboden klom Kloosterman, samen met zijn collega Els van Daele (die ook nauw betrokken bij de bundel was geweest), in de pen en schreef Lehning ‘er genoeg van te hebben te moeten werken in een sfeer waarin iedere, ook voorzichtig geformuleerde kritiek onzerzijds min of meer als een persoonlijke belediging wordt opgevat’. Ik ontleen dit citaat aan het boek Het virus van de betrokkenheid. Het internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis 1935-1989, dat Huub Sanders, zelf lang medewerker van het Instituut, over het IISG schreef. Aan de brief ging natuurlijk een noodzakelijke loyaliteitsbetuiging vooraf, want anarchisme of niet: tussen de twee medewerkers en de meer dan veertig jaar oudere Lehning bestond een duidelijke machtsverhouding.
Niet (meer) gewend aan tegenspraak, zocht Lehning steun bij de directie, de goedhartige maar ook zwakke Rein van der Leeuw. Maar het compromis dat bedacht werd kan gelezen worden als een nederlaag voor Lehning en zijn medewerker/minnares Maria Hunink: deel 8 van Archives Bakounine zou verzorgd worden door Kloosterman en Van Daele, waarbij Lehning en Hunink hen alle documentatie dienden te verschaffen. Toch probeerde Lehning in 1984 (hij was zelf toen al bijna 85) nog, met steun van Van der Leeuw, te voorkomen dat Kloosterman zijn opvolger zou worden. Het mocht niet baten, integendeel: de rollen werden omgedraaid: Kloosterman (40 in 1984) mocht blijven, het dienstverband van ‘de intellectueel zonder baan’ werd beëindigd. Maar dat de soap zich enkele jaren had voortgesleept had volgens Instituuts-biograaf Sanders te maken met de enorme reputatie van Lehning in binnen- en buitenland.
Die reputatie was hem natuurlijk niet komen aanwaaien: Lehning had niet alleen talent voor vriendschap, hij maakte op die vrienden van betekenis (van Marsman tot de medewerkers van I10) de indruk iets te vertellen te hebben. Dat hij over gelijkwaardige vriendschap ook mooi kon schrijven, bewees hij met De vriend van mijn jeugd. Herinneringen aan H. Marsman (1954). Koloniaal historicus Carel Gerretson oordeelde onbillijk toen hij het boek afdeed als ‘ijdelheids-étalage’. Lehning was geen ‘onbelangrijk’ man die pronkte met Marsman – dat doet deze ook voor Marsman belangrijke vriendschap geen recht. (Trouwens, de verzuchting dat hij hoopte dat een eeuw na zijn dood maar weinig van hem bekend zou blijven, was een klassiek staaltje hypocrisie van de ijdele Gerretson).
Kwaliteiten had Lehning dus zeker, als intelligent netwerker, ondernemend avonturier en als memorialist. Maar de grote wetenschapper, essayist en originele geest die zijn linkse adepten in de jaren ’70 van de inmiddels bejaarde documentalist wilden maken klopt niet. Hartmans heeft gelijk: een echte essayist was Lehning niet, een originele geest ook niet. Diepgaande, persoonlijke en confronterende essays schreef hij niet, zijn essays zijn veeleer inventariserend van aard. Als wetenschapper is Lehning bovendien vooral hobbyist gebleven door een half leven lang zijn held Bakoenin (afbeelding) over het voetlicht te brengen. De Archives Bakounine waren een persoonlijk project, al werd het werk op den duur vooral gedaan door assistenten. Anderen naast zich een plaats onder de zon gunnen was niet Lehnings eerste kwaliteit: hij wilde zelf schitteren. De herinneringen van Victorine Hefting hebben laten zien dat Lehning ook in liefdesrelaties nummer een wilde zijn. Dat lukte hem lang, de vele eerbewijzen, de interviews en de feestbundel-met-de-onmogelijke-titel bewijzen het.
Zijn aantrekkingskracht school in zijn leeftijd, dat hij zoveel belangrijke mensen had gekend, onmiskenbaar over charisma beschikte en niet te vergeten: in zijn anarchisme. Daar blijft een zekere bekoring vanuit gaan, tenminste voor wie uitgaat van de stelling dat het niet de bedoeling kan zijn dat de ene mens door de andere mens (en door menselijke instellingen) overheerst wordt. Maar de realiteit leert anders, ook de realiteit van Lehning die een mooie baan in de wetenschap had en jarenlang heerste als een vorst in zijn Bakoenin-universum met knechten en waterdragers. Het heeft zijn reputatie lang niet geschaad.


















