Blijf verzetsmensen gewoon verzetshelden noemen

Op 7 december van dit jaar (2022) publiceerde ik onderstaand opinieartikel in het Nederlands Dagblad. Ik werd om dit artikel gevraagd na een bijdrage aan het radioprogramma Dit is de Dag, waar ik in discussie met de conservator van het Verzetsmuseum in Amsterdam betoogd had dat verzetsmensen het predicaat Verzetshelden verdienden. Niet dat verzetshelden onfeilbaar zijn. Het zijn veeleer karakters, mensen met eigenwijze opvattingen. Maar juist door dat karakter konden ze in de Tweede Wereldoorlog uitstijgen boven veel andere Nederlanders en brachten ze de moed op zich belangeloos in te zetten voor in het nauw gedreven medemensen. Ik publiceer dit artikel nu ook hier op mijn eigen website.

Er is de laatste weken ophef over het begrip verzetshelden, dit in relatie tot de Tweede Wereldoorlog. De aanleiding was de vernieuwde tentoonstelling van het Verzetsmuseum, waarin, aldus directeur Liesbeth van der Horst, ‘nieuwe perspectieven werden geboden en nieuwe accenten werden gelegd’. Meer dan voorheen worden in de vernieuwde opzet verzetshelden en hun vervolgers naast elkaar gezet en is er ook aandacht voor de daders.  ‘Juist door de andere keuzes die werden gemaakt te tonen, laat je zien dat het verzet niet makkelijk was, en een moedige keuze’, aldus Van der Horst. Een nobel streven waarmee niets mis is.

De media meenden evenwel dat dit betekende dat het museum van koers veranderd was en de term ‘verzetshelden’ niet meer wenste te gebruiken. Een misverstand: het museum gebruikte die term nooit en deed dat vooral niet omdat verzetsmensen zelf niet als held wensten te worden betiteld: zij deden wat hun geweten hun ingaf, dat hoefde geen heldenverhaal te worden genoemd.

Diverse media doken op de vernieuwde tentoonstelling en vroegen zich af of verzetsmensen niet ook helden kunnen worden genoemd. Ook mij, historicus en dikwijls schrijvend over de oorlog, werd die vraag gesteld. Anders dan de conservator van het Verzetsmuseum en ook anders dan Niod-onderzoekster Ismee Tames schuw ik die term niet. Tames merkte in 2016 op dat we ‘weg moeten van de drang de mensen van toen zo te beoordelen dat wij ons goed kunnen voelen’. Maar dat is, met permissie, grote onzin. Iemand die over een verzetsheld nadenkt, denkt niet meteen dat hij of zij zelf ook een held is.

Integendeel, nadenken over verzetshelden stemt juist bescheiden. Hun leven en werken doen je beseffen dat ze beschikten over eigenschappen die hen in de bijzondere tijd die de Tweede Wereldoorlog was boven anderen deed uitstijgen. Die eigenschappen zijn moreel instinct dat ‘goed’ van ‘kwaad’ onderscheidt, belangeloos opkomen voor anderen met gevaar voor eigen leven en de moed om dat te doen. Dat onderscheidt verzetshelden direct ook van andere ‘helden’, zoals voetballers of popsterren die beter idolen dan helden kunnen worden genoemd.

Een ander bezwaar tegen de term verzetshelden, ingebracht door Karlien Metz, conservator van het Verzetsmuseum, in een discussie met mij voor het radioprogramma Dit is de Dag, gaat ook niet op. Zij betoogde dat de term ‘verzetshelden’ snel doet vermoeden dat deze mensen ‘onfeilbaar’ zijn. Een groot misverstand. Verzetshelden waren doorgaans mensen met karakter en dat impliceert dat ze geharnaste opvattingen en meningen hadden en niet zelden botsten met mensen in hun omgeving, voor, tijdens en na de oorlog (als ze die overleefden). Enkele voorbeelden: H.M. van Randwijk (1909-1966, foto), de gereformeerde onderwijzer die tijdens de oorlog een van de grote mannen was van verzetsblad Vrij Nederland, was wat ze noemen ‘quite a character’ die ruzie maakte met gereformeerde verzetsmensen die niet meegingen in zijn oecumenisch streven en niets moesten hebben van een ‘doorbraak’ in de naoorlogse Nederlandse politiek. Bovendien was hij wat kleinerend tegenover vrouwen, zoals een andere verzetsheldin, Hebe Kohlbrugge (1914-2016), me eens vertelde. En toch was hij belangeloos moedig tijdens de oorlog.

En dat gold ook voor Hebe Kohlbrugge (foto). Deze moedige vrouw, overtuigd lid van de hervormde kerk (in 2004 opgegaan in de Protestantse Kerk in Nederland) was met haar zus Hanna een van de verspreiders van het pamflet Bijna te laat van predikant Jan Koopmans (1905-1945), waarin hij al vroeg waarschuwde tegen het ondertekenen van de ‘Ariërverklaring’, waarmee de bezetter een onderscheid aanbracht tussen Joden en niet-Joden. Koopmans sprak zich uit tegen de Jodenvervolging en zou Joden tot zijn tragische dood in 1945 daadwerkelijk helpen. Koopmans en zeker Hebe Kohlbrugge waren karakters, zoals ik van de laatste uit eigen ervaring weet: gezegend met moreel instinct, met de moed om belangeloos voor een ander op te komen en te waarschuwen voor gevaar.

Dat geldt ook voor iemand als Johan van Hulst (1911-2018), tijdens de oorlog onderwijzer en directeur van de hervormde kweekschool in Amsterdam en mederedder van honderden Joodse kinderen uit de Hollandsche Schouwburg aldaar. Waren dit gewone mensen? Ja. Waren ze onfeilbaar? Nee. En toch waren dit verzetshelden, want ze overwonnen hun angst die anderen weerhield van acties tegen de bezetter. Blijf hen dus gewoon verzetshelden noemen.