“Het wilde feest” (1952): briljante roman van Adriaan van der Veen over antisemitisme en de verhouding tussen Joden en niet-Joden

Hij schreef een groot aantal romans en verhalen maar is zo goed als vergeten: Adriaan van der Veen (1916-2003). Dat is niet terecht, want deze schrijver van sterk autobiografisch getinte romans was een fijnzinnig psycholoog die zichzelf en de mensen om zich heen scherpzinnig analyseerde en daarbij gecompliceerde thema’s niet schuwde. In zijn roman “Het wilde feest” (1952) stelde hij het thema antisemitisme aan de orde in de vorm van een kritisch zelfonderzoek. Het is een van de meest diepgaande romans over antisemitisme en over de omgang tussen Joden en niet-Joden die in de Nederlandse literatuur is geschreven.

Adriaan van der Veen (foto) komt er in de literatuurgeschiedenis wat bekaaid af. Er is wel een beknopte monografie over hem geschreven, er zijn wat recensies over zijn werk maar hij heeft toch niet de aandacht gekregen die hij verdient. Wellicht omdat Van der Veen geen polemist was en nooit echt betrokken raakte in een literaire vete. Terwijl hij toch in het oog van de storm zat toen een van de meest verwoede polemieken gevoerd werd, die over de koers van het literaire tijdschrift Criterium, van welke redactie hij deel uitmaakte samen met onder meer Adriaan Morriën en Willem Frederik Hermans.

Criterium ging ter ziele door te weinig abonnees, tot chagrijn van Hermans die het tijdschrift gebruikte als vehikel voor zijn literatuur. Het leidde tot een hevige polemiek met Adriaan Morriën die helemaal geen polemist was. Hij werd letterlijk en figuurlijk niet goed van de pennenstrijd met Hermans die hem in Mandarijnen op zwavelzuur affakkelde.

Ook Van der Veen kreeg daarin van onderuit de zaak. In ‘het meccanodoosje van Adriaan van der Veen’ trachtte Hermans (foto) hem belachelijk te maken als ‘zinnetjesschrijver’, nadat Van der Veen, inmiddels werkzaam als literair journalist bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant, Hermans bekritiseerd had als stuntelig schrijver. Hermans’ wraak (want dat was het) lijkt Van der Veen helemaal niet te hebben gedeerd – tot verbazing van Hermans, die niet kon vergeten en niet kon vergeven. Hoewel… in een vraaggesprek met Max Pam klonk in 1984 verhulde bewondering voor Van der Veen door: hij was tenminste schrijver van een reeks van romans, in tegenstelling tot de gehate Morriën, die ‘van de steun’ zou leven.

Dat Van der Veen vrij was van rancune jegens Hermans bleek ook uit het indringende en uitstekende portret dat hij van hem schetste in zijn autobiografie Blijf niet zitten waar je zit (1972), waarin hij Hermans beschreef als iemand die als een bezetene leefde voor de literatuur, veel meer dan zijn bentgenoten van Criterium. Dat Van der Veen hem zo goed typeerde, vrij was van de rancune die hem zelf zo eigen was en bovendien ongestoord doorschreef aan een heel eigen oeuvre heeft dan toch Hermans’ bewondering afgedwongen, ook al werd die wat zuinig verwoord.

In Van der Veens oeuvre is Het wilde feest een hoogtepunt. Het is een verhuld autobiografisch verhaal. Als 23-jarige vertrok Van der Veen in 1940 per boot naar de Verenigde Staten en kreeg daar verkering met een joods meisje van zijn leeftijd. In de roman ziet de naamloze hoofdpersoon haar zitten als hij een lezing geeft en is meteen gebiologeerd door ‘Vera Lopes’. Zij houdt aanvankelijk de boot af maar geleidelijk wint hij haar voor zich, waarna ze heftig verlangt dat hij van haar houdt. Als de relatie enige tijd aanhoudt merkt ze onverwacht op Jodin te zijn. De reactie van de hoofdpersoon: ‘Ik vervloekte het antisemitisme, maar toen sterker nog verafschuwde ik het erover te moeten nadenken.’ De reden: hij zou stelling moeten nemen, iets dat hem zijn vrijheid (en zijn vrijblijvendheid) zou afnemen en hem mogelijk in conflict zou brengen met vrienden die een afschuw van Joden hadden die hij altijd zonder commentaar had laten passeren.

Nu kan hij dat niet meer, zo blijkt als hij opgezocht wordt door zijn oude vrienden Heini en Jeanne. Hij hoort hun antisemitische tirades een tijdlang aan maar kan die, nu hij verkering heeft met Vera, niet meer verdragen. Hij spreekt hen tegen, raakt hen kwijt en voelt zich leeg door een engagement dat hem eigenlijk vreemd is. Zijn engagement wordt ook nog betwist door Frank, de neef van Vera. Hij is het buitenbeen van de familie Lopes. Anders haar vader, die geforceerd-optimistisch is over het lot van de Joden tijdens de inmiddels uitgebroken Tweede Wereldoorlog, kijkt Frank cynisch naar dat lot. Hij verwacht ook niet dat de Joden na een eventueel einde van de oorlog met open armen zullen worden ontvangen na terugkeer.

Tegelijk ontkent Frank dat ‘het Joodse vraagstuk’ bestaat, het zou door de nazi’s met (letterlijk) alle geweld zijn gecreëerd. ‘Ik zie het niet, ik zie alleen maar mensen die naar allerlei voorwendsels zoeken om elkaar te mogen haten.’ En: ‘denk je soms dat uit elkaar gerukt te worden bij de bombardementen van Duitse steden minder erg is dan de vergassingskampen?’ Frank wantrouwt de betrokkenheid van de hoofdpersoon. Die betrokkenheid is juist zeer gewild door Vera’s moeder die hem meetroont naar bijeenkomsten van Joodse vluchtelingen, waar hij met open armen wordt ontvangen maar als goj ook op een voetstuk wordt geplaatst, wat hem hoogst ongemakkelijk doet voelen.

De spanning houdt de hele roman aan. Tot de catharsis aan het eind: de politie doet een inval bij een van de bijeenkomsten, waarop de aanwezige hoofdpersoon protesteert en zich verzet en wordt gearresteerd. Als een politieman hem tijdens een verhoor als Jood beschouwt, voelt hij zich eindelijk een van hen. Dat, terwijl hij kort tevoren nog zo’n afschuw van zichzelf had gekregen omdat Vera hem had verteld dat ze ooit was verkracht. Hij vrijt vervolgens met haar zonder haar duidelijke instemming, waarop hij zich evenzeer als een verkrachter beschouwt. Maar nu de buitenwereld – in de vorm van de politie – hem ook als een verafschuwde Jood beschouwt, kiest hij eindelijk vol overgave voor het engagement en wil hij Vera – de oorlog is inmiddels door de geallieerden gewonnen en beëindigd – blijvend beschermen. Dat belooft hij zichzelf tijdens het wilde bevrijdingsfeest dat losbarst en dat hem angstig stemt: ‘ik dacht: het loopt altijd op moorden uit, altijd weer, wij willen de moord, de beulen, de brandstichters en het bederf.’

De roman eindigt met feestgedruis, waarbij de hoofdpersoon Vera ontwaart, haar in zijn armen neemt en zichzelf nu weer – maar met meer overtuiging – belooft haar te beschermen. ‘Zo was het nu, dacht ik, en met haar en voor haar zou ik alles weerstaan.’ Het redderssyndroom, waar hij aanvankelijk mee worstelde, wordt omgezet in vastberaden engagement.

Maar bij de lezer beklijft vooral de moeizame relatie tussen Joden en niet Joden in de roman. De Joden koesteren of grote verwachtingen van de niet-Jood of ze wantrouwen zijn engagement. De niet-Jood op zijn beurt voelt de zwaarte van het eeuwenoude antisemitisme dat hem het gevoel geeft verantwoordelijk te zijn voor Vera en haar familie. Hij lijdt aan een redderssyndroom en zet zijn aanvankelijke weerzin tegen het engagement dat hem zwaar maakt om in een overtrokken beschermingsdrang. Nergens in de roman is de verhouding tussen de Joden en niet Joden werkelijk ontspannen en juist die spanning maakt de kracht van het boek uit en stemt tot nadenken.

Het wilde feest werd gemengd ontvangen. Het communistische dagblad De waarheid, dat in 1952 nog aan de leiband van de antisemiet Stalin liep, meende dat de roman suggereerde dat de oplossing van antisemitisme zou liggen in het zionisme. Dat was voor de communisten destijds geen aanbeveling, aangezien Stalin (foto) Israël als onderdeel van het kapitalistische Westen beschouwde. Bovendien zou het boek te ‘burgerlijk’ zijn, omdat het ‘zielkundige conflicten’ centraal zou stellen en dan ook nog conflicten van intellectuelen waar geen arbeider aan te pas kwam. Het Algemeen Dagblad daarentegen sprak van een roman over een ‘subtiel probleem’, te weten de verhouding tussen Joden en niet-Joden.

Jan Greshoff (foto), overigens een van zijn bevorderaars na Van der Veens debuut in de letterkunde, schreef in Het Vaderland: ‘Ik heb Het Wilde Feest” driemaal gelezen en steeds dieper werkte op mij in het gevoel, dat Van der Veen, heeft willen uitdrukken, het gevoel van machteloosheid, van de verschrikkelijke machteloosheid van het goed tegenover het kwaad, de waarheid tegenover de leugen, het witte, tegenover het zwarte ideaal.’ In Het Parool schreef criticus Hans Gomperts: ‘Het Joodse vraagstuk is onoplosbaar, omdat het menselijk zelfrespect in zoveel gevallen de verachting van anderen nodig blijkt te hebben. Het antisemitisme is de duidelijkste verschijningsvorm van deze verachting die toeneemt met de in onze cultuur groeiende onzekerheid. Adriaan van der Veen, die een gave en boeiende roman aan het verschijnsel heeft gewijd, gaat dan ook terecht uit van die psychologische wortel van het antisemitisme.’

In het Nieuw Israëlitisch Weekblad huiverde de anonieme bespreker (vermoedelijk Lies van Weezel) bij de beschrijving van de ‘christenman’ die zich ontfermt over de joodse vrouw om toch te constateren dat de auteur ‘niet meer (wilde) geven dan de reacties van mensen tijdens de oorlog in het veilige Amerika op de gebeurtenissen toen. En hierin is de schrijver wonderwel geslaagd.’

Het diepst van alle recensenten groef de classicus Joseph Melkman in zijn boek Geliefde vijand. Het beeld van de Jood in de naoorlogse Nederlandse literatuur (1964). Melkman, die in 1957 naar Israël emigreerde en daar jarenlang directeur was van Yad Vashem, roemde het boek omdat het niet gemakzuchtig antisemitisme bij anderen beschreef maar uitblonk in ‘eerlijke auto-analyse’. De hoofdpersoon, aldus Melkman, kan zich pas met de Joden identificeren als hij door de politie als Jood wordt beschouwd. Maar dat brengt hem niet nader tot zijn geliefde Vera.

Zoals Melkman schrijft: ‘Het wilde feest doet ons geen oplossing aan de hand en troost ons niet met algemeenheden.’ Dat is ook niet de taak van een schrijver: hij stelt ongemakkelijke vragen, aan zichzelf en aan zijn lezers. Dat deed Adriaan van der Veen in Het wilde feest. De roman, dit jaar precies 70 jaar geleden verschenen, stemt anno 2022 nog evenzeer tot nadenken als die in 1952 deed. Meer lof kan men een schrijver en een boek niet geven.