“De laatste dagen van Hitler”, het scherpzinnige en provocatieve meesterwerk van historicus Hugh Trevor-Roper

In 1947 verscheen een opmerkelijk boek: The Last Days of Hitler, geschreven door de toen jonge Britse historicus Hugh Trevor-Roper (1914-2003). Het geeft een beschrijving van de wederwaardigheden in de Führerbunker in de laatste tien dagen van het leven van Hitler (20-30 april 1945) maar ook een haarscherpe analyse van het Derde Rijk dat Trevor-Roper omschreef als een polycratie van elkaar bestrijdende satrapen, slechts bijeengehouden door de onbetwiste leider Hitler. Het boek werd zeer goed ontvangen en de naam van Trevor-Roper was in een klap gevestigd. Toch veroorzaakte De laatste dagen van Hitler, zoals het in het Nederlands werd vertaald en in een oplage van tienduizenden exemplaren werd verspreid, ook ophef en wel door de sterk anti-clericale toon die er onverhuld uit sprak. Ik besprak met Jos Palm dit boek overigens ook eens in een podcast, hier te beluisteren: https://www.nporadio1.nl/podcasts/het-laatste-woord/63661/afl-27-de-laatste-dagen-van-hitler

Het is decennia geleden dat ik De laatste dagen van Hitler voor het eerst las. Op de Ooievaarpocket uit 1958, de vijfde druk, stond een foto van een indringend in de camera kijkende Trevor-Roper in uniform. Ik wist toen al dat hij in het Britse leger had gediend tijdens de Tweede Wereldoorlog maar realiseerde me toen niet hoe toepasselijk deze foto was en welk direct verband er bestond met het boek.

Trevor-Roper kwam tijdens de oorlog te werken bij de Secret Intelligence Service (SIS), de inlichtingendienst die zich bezighield met het onderscheppen en onderzoeken van het reilen en zeilen van de inlichtingendienst van Nazi-Duitsland. Hij kwam daar te werken met tal van vooraanstaande intellectuelen die hij tijdens zijn studie in Oxford al had ontmoet. De meest befaamde onder hen zou later de filosoof Gilbert Ryle (1900-1976) worden, die in 1949 beroemd zou worden met zijn boek The Concept of Mind, een analyse van de verhouding tussen lichaam en geest. In handboeken over de geschiedenis van de filosofie van de 20ste eeuw heeft hij zijn plaats.

Trevor-Roper en de zijnen ontdekten tijdens de oorlog dat het Derde Rijk in het geheel geen monolithische dictatuur was maar een chaotische, door Führer Hitler bijeengehouden dictatuur. De Duitse Abwehr, geleid door admiraal Wilhelm Canaris (foto), was een van de diensten die de ogen van Trevor-Roper en de zijnen openden. Canaris werd in de nasleep van de aanslag op Hitler (op 20 juli 1944) door kolonel Von Stauffenberg opgehangen in Flossenburg op de dag (9 april 1945) dat daar ook de bekende theoloog Dietrich Bonhoeffer de strop kreeg.

Tegen het eind van de oorlog had Trevor-Roper de rang van majoor. Zijn leidinggevenden waren onder de indruk van zijn rapportages over Hitler-Duitsland. Daar zou het bijgebleven zijn als de Russen geen rookgordijn hadden opgetrokken over Hitlers dood.  Eenheden van de Russische geheime dienst hadden op 1 mei de lijken van Hitler en Eva Braun aangetroffen in de tuin van de Rijkskanselarij in Berlijn. Ze waren verkoold na overgoten te zijn geweest met benzine maar toch zo intact dat identificatie mogelijk was.

De immer wantrouwige Stalin liet echter het fabeltje rondstrooien dat Hitler misschien was gevlucht en zich nog onder de levenden bevond. Onder de indruk van zijn analyses opperde Dick White (foto), een leidinggevende van veiligheidsdienst MI5, dat Trevor-Roper de juiste man zou zijn om ter plaatse onderzoek te doen en (hoge) nazi’s te interviewen die tot het laatst in de omgeving van Hitler verkeerden.

Trevor-Roper toog kort na het einde van de oorlog naar Duitsland. Tien jaar daarvoor, in 1935, had hij tijdens een lentevakantie als student Nazi-Duitsland al eens bezocht omdat hij goed Duits wilde leren spreken. Hij ontmoette Duitsers die zonder uitzondering veel enthousiasme aan de dag legden voor het naziregime dat werkgelegenheid en toekomst zou hebben verschaft. Dit enthousiasme werkte averechts bij de toch al sceptisch aangelegde Trevor-Roper: hij kreeg een grondige afkeer van het Derde Rijk.

Enkele jaren later ergerde hij zich aan de lankmoedige opstelling van de Britse premier Neville Chamberlain nadat die in september 1938 thuisgekomen was met de boodschap dat hij bij de Conferentie van München in overleg met “Herr Hitler” de vrede had gered (foto). Dat Trevor-Roper het Duits beheerste kwam hem bij zijn tweede gang naar het land goed van pas. Hij bezocht de Führerbunker in Berlijn die verrassend genoeg door de Russen intact gelaten was: de kamers waren nog niet ontruimd en her en der slingerden papieren. Hij nam mee wat hem van pas kwam en begon een reeks van nazi’s te interviewen, die in Britse en Amerikaanse gevangenschap waren geraakt. Onder hen SS-dokter Karl Gebhardt, een jeugdvriend van SS-leider Heinrich Himmler, die in concentratiekampen medische experimenten uitgevoerd had op gevangen en in 1948 werd opgehangen.

Trevor-Roper woonde het Proces van Neurenberg bij waar de kopstukken van het Derde Rijk terecht stonden en raakte van een van hen, Albert Speer, onder de indruk – zoals zovelen. Speer had op 23 april 1945 nog een laatste bezoek aan Hitler gebracht en wist de buitenwereld (en het nageslacht) er lang van te overtuigen dat hij een ‘goede’ nazi was. Eerst de historici Matthias Schmidt en recent Magnus Brechtken ontmaskerden de architect, die diep betrokken bleek bij de Jodenvervolging als minister van Bewapening.

Trevor-Roper was een van de eersten die de intelligente (maar tevens sluwe) Speer als bron gebruikte bij zijn beschrijving van Hitlers laatste dagen. Hij omschreef hem in De laatste dagen van Hitler als een technocraat, die intellectueel en geestelijk ver verheven stond boven de andere nazi-kopstukken en apolitiek was.

Toch eindigt zijn boek met een veroordeling van Speer (foto) als de werkelijke misdadiger van het Derde Rijk, zij het op gronden die met de kennis van nu niet meer houdbaar zijn: ‘Tien jaar lang heeft hij in het centrum van de politieke macht gezeten; met zijn scherpe verstand ontleedde hij daar de mutaties in de nationaalsocialistische regering en haar politiek; hij zag en verachtte de figuren om zich heen; hij hoorde hun buitensporige bevelen en begreep hun fantastische eerzucht. Maar hij deed niets’. De betrokkenheid van Speer bij de misdaden ontging Trevor-Roper, zoals die ook de rechters in Neurenberg was ontgaan: in plaats van twintig jaar gevangenisstraf had Speer de strop evenzeer verdiend als de andere top-nazi’s.

Niet alleen uit het oordeel over Speer, ook uit dat over de Wehrmacht blijkt dat kort na de oorlog nog veel in het duister was gehuld. Trevor Roper oordeelde namelijk dat de Wehrmacht de enige macht in het Derde Rijk was die Hitler wist te weerstaan. Hij schreef dat ‘de Generale Staf niet bereid was, een bloot werktuig van zijn politiek te worden.’ Hitler, aldus Trevor-Roper, trachtte het leger wel te ondermijnen, vooral na de aanslag van 20 juli 1944. Die aanslag had al tijdens de oorlog grote, onvoorziene en voor de Wehrmacht ongunstige gevolgen: de aanslag versterkte de positie van de SS en verzwakte die van het leger.

Maar voor de beeldvorming over de Wehmacht na de Tweede Wereldoorlog had de aanslag gunstig gevolg: Trevor-Roper was niet de enige die meende dat de Wehrmacht tenminste als enige kracht in het Derde Rijk tenminste iets gedaan had tegen het nationaalsocialistische kwaad. Ongeveer tezelfdertijd (anno 1947) werden de memoires van de Duitse militair Fabian von Schlabrendorff gepubliceerd onder de titel Officieren tegen Hitler. Het versterkte de indruk dat de Wehrmacht had gefunctioneerd als tegenkracht – ook al beklemtoonde Schlabrendorff dat zijn herinneringen niet moesten worden opgevat als een poging de opstelling van de Wehrmacht tegenover het nazisme te rechtvaardigen.

Trevor-Roper zag in de Wehrmacht evenwel een lichtpunt in die duistere jaren, zij het dat hij in De laatste dagen van Hitler genadeloze portretten schetste van generaals als Jodl en Keitel (‘de kruiperige Keitel’). In genadeloze portretten blinkt Trevor-Roper sowieso uit. Neem wat hij schrijft over Rudolf Hess, enige tijd plaatsvervanger van Hitler. De man die naar Engeland vloog met de illusie ‘vrede’ tussen de beide landen te bewerkstelligen werd omschreven als ‘een onschadelijke, simplistische maniak met zijn besluiteloosheid en dwaze denkbeelden’. Hermann Göring (foto), sinds de Duitse inval in Polen (1 september 1939) plaatsvervanger van de Führer, kwam er wat beter van af maar niet veel beter: ‘een bekwaam en invloedrijk functionaris maar in politiek opzicht een lafaard’. Bovendien had Trevor-Roper een scherp oog voor het afnemende gezag van Göring vanwege het falen van zijn Luftwaffe tijdens de oorlog: corruptie begon te knagen aan ‘de zelfgenoegzaamheid van de arrivist’.

Logen deze beschrijvingen er al niet om, die over twee andere vooraanstaande nazi-leiders zorgden voor ophef in Engeland vanwege de anticlericale ondertoon die erin doorklonk. Joseph Goebbels, (‘de intellectueel van de nationaalsocialistische partij’) werd nadrukkelijk geschetst tegen de achtergrond van het Jezuïetenseminarie dat hij in zijn jonge jaren had bezocht. Hij zou, zo Trevor-Roper, zijn opvoeding tot het einde niet verloochenen: ‘hij kon altijd bewijzen wat hij wilde’.

Goebbels’ succes als propagandist en als redenaar schreef hij toe aan een ‘Latijnse helderheid van geest’ die vergezeld ging van een ‘Jezuïeten-slagvaardigheid’. En dan volgt een schitterende passage die het waard is integraal te citeren: ‘Zoals de Jezuïet zijn boeteling weet te overtuigen, dat alles in orde is, dat de hindernissen voor het geloof in werkelijkheid heel wat minder geweldig zijn dan het lijkt, zo wist Goebbels de Duitsers te overtuigen, dat hun nederlagen in werkelijkheid overwinningen waren’.

Zo mogelijk nog meer aanstoot gaf Trevor-Ropers vergelijking van SS-leider Heinrich Himmler met Robert Bellarminus (1542-1621), de later door de Kerk heilig verklaarde Italiaanse Jezuïet en wel met de bedoeling de bizarre nauwgezetheid van Himmler te typeren. Himmler zou een grootinquisiteur zijn, een ‘mysticus in de politiek’, voor wie het doel alle middelen heiligde, bereid de mensheid op te offeren voor een abstract ideaal. Typen als deze bestonden al langer: ze waren, zoals Bellarminus, zeer gewetensvol en uiterst nauwgezet. Met veel gevoel voor satire schreef Trevor-Roper: ‘Dikwijls waren zij angstvallig vriendelijk tegenover dieren, zoals Robert Bellarminus zaliger die weigerde de vlooien uit zijn kleding te verjagen’.

Deze afkeer van het rooms-katholicisme in het algemeen en van Jezuïeten in het bijzonder had een persoonlijke achtergrond. Toen Trevor-Roper in de jaren dertig in Oxford studeerde, doceerde de priester Martin D’Arcy er wijsbegeerte. D’Arcy (foto) was een charismatische Jezuïet, die er enigszins artistiek uitzag. Hij wist menig student met zijn kennis en charisma te winnen voor het katholicisme. Trevor-Roper had echter een diepe afkeer van D’Arcy en stond sceptisch tegen intellectuele apologeten van het christelijk geloof.

Dat hij zijn afkeer uitte in vileine vergelijkingen in De laatste dagen van Hitler zorgde voor woedende reacties. Hij ontving vele brieven van katholieken die protesteerden tegen zijn als infaam ervaren uitlatingen tegen de Jezuïetenorde. De schrijver Evelyn Waugh vroeg om rectificaties in nieuwe drukken van het boek en de classicus Maurice Bowra, onder wiens gehoor Trevor-Roper als student nog had gezeten, riep Waugh op de auteur van het gesmade boek te blijven achtervolgen met zijn kritiek.

Aan het succes van het boek deed de kritiek niets af. De laatste dagen van Hitler verscheen in een grote oplage en werd vele malen herdrukt en in verscheidene talen vertaald, in het Nederlands door Rob Limburg in een gebonden uitgave van de Haagse uitgeverij D.A. Daamen. Trevor-Roper werd direct beschouwd als kenner van Hitler en het nationaalsocialisme. Toch is hij nooit een specialist geworden zoals zijn leerling Richard J. Evans, schrijver een driedelig, ook in het Nederlands vertaald standaardwerk over de geschiedenis van het Derde Rijk.

Daarvoor was zijn interesse te breed: Trevor-Roper schreef eveneens over de geschiedenis van Engeland, vooral over 17e-eeuws Engeland. Daarnaast publiceerde hij (onder meer) over Sovjet-spion Kim Philby, die hij zelf had meegemaakt in zijn tijd bij de Britse geheime dienst en niet te vergeten over Edward Gibbon, schrijver van het 18e-eeuwse standaardwerk The Decline and Fall of the Roman Empire.

Gibbon was zijn grote voorbeeld tijdens het schrijven van De laatste dagen van Hitler: zoals Gibbon de ondergang van het Romeinse Rijk had beschreven, zo beschreef Trevor-Roper (foto) ‘Hitler en zijn hof’, zoals de titel van het eerste hoofdstuk van De laatste dagen van Hitler luidt: als een decadent, van moreel besef gespeend gezelschap, slechts gericht op laffe overleving na een ‘carrière’ die tot niets anders dan dood en verderf had geleid. Van dat gezelschap bleef Hitler tot zijn laatste dag heer en meester.

Trevor-Roper hoopte met De laatste dagen van Hitler herinnerd te worden als Gibbon. Dat is anders gelopen. Aan het eind van zijn carrière beging hij de blunder de vervalste Hitler-dagboeken voor echt te houden, iets dat zijn reputatie danig beschadigde. (over die vervalsing en de blunder van Trevor-Roper schreef ik hier: https://wimberkelaar.wordpress.com/2021/04/19/de-hitler-dagboeken-of-hoe-nepnieuws-anno-1983-even-wereldnieuws-werd/ ). Ten onrechte: hij was een groot en breed georiënteerd historicus die geweldig schreef en persoonlijke oordelen niet schuwde. De laatste dagen van Hitler blijft, hoeveel meer we inmiddels ook over het Derde Rijk weten, een meesterwerk, dat lezing en bespreking blijft verdienen.