
Het boek verscheen al in 2013, stond het jaar daarop op de nominatie van de Socrateswisselbeker, maar was mij tot dusver ontgaan: De Verlichting als kraamkamer van filosoof en vertaler Jabik Veenbaas. En daar miste ik wat aan, want wat een geweldig boek heeft Veenbaas geschreven. Hij sluit naadloos aan in de rij van de grote Verlichting-interpreten als Peter Gay, Norman Hampson en Isaiah Berlin. Veenbaas schetst een zeldzaam evenwichtig portret van een tijdperk waarvan tegenwoordig een karikatuur wordt gemaakt, als zouden de Verlichtingsfilosofen primitieve rationalisten zijn, die eenvoudig geloofden in een maakbare samenleving en zo verantwoordelijk waren voor de totalitaire dictaturen in de twintigste eeuw. Veenbaas toont overtuigend aan dat de meeste ‘Verlichters’ juist teleurgesteld waren in het optimistische rationalisme dat hun 17e-eeuwse voorgangers kenmerkte.

In augustus zette de mij verder onbekende Amerikaanse denker Richard V. Reeves een interessant staafdiagram op twitter met als aanhef: ‘Non-living philosophers most identified with’. Met afstand op nummer 1 stond de Schotse filosoof David Hume (1711-1778). Nu is terughoudendheid met dit soort oppervlakkige enquêtes natuurlijk geboden maar toch zegt het iets. Op het eerste gezicht mag het verrassend heten dat Hume zo hoog eindigt, hoger dan bekendere denkers als Kant, Nietzsche en Marx. Maar wie Veenbaas’ boek De Verlichting als kraamkamer heeft gelezen hoeft dit niet te verbazen. Hume heeft een centrale plaats in zijn boek: hij is de filosoof waarmee alle tijdgenoten zich verstaan. Sommige Verlichtingsfilosofen verzetten zich tegen Humes scepticisme, anderen poogden dat te overwinnen – maar geen van hen kon om hem heen.

Hume deelde de onvrede van zijn tijdgenoten over het rationalisme dat hij bij 17e-eeuwse voorgangers als Descartes en Spinoza (afbeelding) aantrof. Vooral die laatste naam is in dit verband opmerkelijk, aangezien de Britse historicus Jonathan Israel Spinoza in zijn vele geschriften op het schild heeft geheven als de ware voorloper van de (radicale) Verlichting. Hume keerde zich tegen Spinoza en Veenbaas zelf doet in een glashelder betoog goed uitkomen hoezeer Spinoza als kind van zijn tijd moet worden beschouwd. Jonathan Israel haalde Spinoza naar voren als voorloper van het modernisme, omdat Spinoza’s opvattingen over godsdienst haaks stonden op de in zijn tijd levende opvattingen.
Maar je zou hem, betoogt Veenbaas met goed recht, ook kunnen beschouwen als een uitloper van de Middeleeuwen, aangezien hij evenals de christelijke filosofen voor hem, met Godsbewijzen trachtte te komen. Alternatieve Godsbewijzen misschien en ook een alternatieve God, maar toch: Godsbewijzen. Wellicht daarom dat Spinoza tegenwoordig zo populair is bij ex-christenen die – als afzonderlijke lezers of als leden van Spinozakringen her en der in den lande – van hun klassieke godsbeeld afscheid hebben genomen maar God nog wel in de natuur zoeken.

Hoe dit ook zij, Hume (afbeelding) kon er in de achttiende eeuw al niet veel meer mee. En hij stond daarin niet alleen: Veenbaas toont aan dat vrijwel alle Verlichtingsfilosofen, hoe uiteenlopend ze ook dachten, veeleer pessimistisch dan optimistisch dachten over de mogelijkheden van de mens de wereld te kennen en te beheersen. Zeker, er waren radicalen onder hen, zoals Thomas Paine en Condorcet, maar zelfs zij verloren hun kritische zin over mens en wereld niet. Hoe konden ze ook? Aanvankelijk enthousiast over de Franse Revolutie, werden beiden als critici van het schrikbewind van Robespierre gearresteerd en ontkwamen ternauwernood aan de guillotine.

Van degenen die tegenwoordig als voorlopers van de verderfelijk geachte Franse Revolutie worden beschouwd, kan er vrijwel geen een beschuldigd worden van een geloof in de maakbare samenleving, waarin met mensen naar believen kan worden geschoven. Integendeel, Voltaire (afbeelding) was een scepticus bij uitstek en keerde zich ook al tegen een 17e-eeuwse voorganger (Leibniz) en tegen de door hem verkondigde gedachte dat we in de best mogelijke wereld leven. En ook iemand als Montesquieu was in wezen de gematigdheid zelve. Hij zou, had hij nog geleefd, gegruwd hebben van de ontsporing van de Franse Revolutie en oefende met zijn pleidooi voor een scheiding der machten kritiek op het Franse absolutisme waarin hij groot werd.

Ook Edmund Burke (afbeelding), naar wie tegenwoordig een stichting is genoemd en die door zelfbenoemde conservatieven in Nederland als de verpersoonlijking van al hun bezwaren (en bijna haat) tegen de Verlichting wordt opgevoerd, is een typische representant van de gematigdheid die veel van de Verlichtingsfilosofen kenmerkt. Natuurlijk had deze stroming zijn stiefkinderen, van wie vooral Markies de Sade met zijn antigodsdienstige, wellustige en wrede leven en literatuur het voorbeeld is. Maar Sade belichaamt ook en juist de somberheid over de menselijke natuur, die zoveel ‘Verlichten’ kenmerkte en kan dus toch wel degelijk als lid van de Verlichtingsfamilie worden beschouwd.
Veenbaas toont overtuigend aan dat niets waar is van het beeld dat tegenwoordig door conservatieven en marxisten wordt opgehangen als zou de Verlichting naïef zijn, geloven in een maakbare samenleving en uit op (totalitaire) beheersing. Het befaamde hoefijzermodel, waarin uiterst rechts en uiterst links elkaar raken ondanks de schijnbare tegenstellingen, gaat ook hier op. Zoals conservatieven de Verlichting voorstellen als bron van alle huidige kwaad, zo doen ook (neo)marxisten dat.

In zijn mooie boek valt Veenbaas één keer uit en wel waar hij opmerkt ‘de pest’ te hebben aan Dialectiek van de Verlichting, het roemruchte werk van ‘Frankfurters’ Theodor Adorno en Max Horkheimer, die de Verlichting verantwoordelijk hielden de ‘beheersing’ van de mens en hun pijlen daarbij ook richtten op het naoorlogse Amerika. Het is kritiek die hun geestverwant Herbert Marcuse ook zou leveren: de Amerikanen (lees: de Westerse open samenlevingen) mogen dan wel in een democratie leven, het is een democratie tussen vraagtekens, want in werkelijkheid wordt die mens ingepakt door de vele verleidingen van het kapitalisme en raakt hij zichzelf kwijt. ‘Buitengewoon wrang en onrechtvaardig’ oordeelt Veenbaas terecht over dit vonnis, aangezien de heren gastvrij door diezelfde verderfelijke kapitalistische democratie Amerika werden opgenomen nadat ze moesten vluchten door de nazidictatuur.

Er is geen ontkomen aan de Verlichting, ook conservatieven en marxisten zijn er schatplichtig aan. De marxisten omdat ze met hun godsdienst- en maatschappijkritiek in de traditie van de Verlichting staan, conservatieven omdat ze juist willen behouden wat door Verlichtingsfilosofen werd voorgestaan: de scheiding der machten en de representatieve democratie.
Een echte conservatief als NRC-columnist J.L. Heldring (foto) wist deze verworvenheden van de Verlichting nog op waarde te schatten, nieuwbakken conservatieven als Andreas Kinneging en (tegenwoordig) Thierry Baudet niet. Zij zijn dan ook geen conservatieven maar veeleer revolutionairen. ‘Alles moet anders’, dat is het optimistische vaandel waaronder zij marcheren. De realistische en soms ronduit pessimistische Verlichtingsfilosofen zouden hierover het hoofd hebben geschud, ook trouwens over de karikatuur die er tegenwoordig door extreem links en extreem rechts van hun opvattingen wordt gemaakt. Die karikatuur te hebben aangetoond en weerlegd is de niet geringe verdienste van Jabik Veenbaas.