Het blijft, in al zijn eenvoud, een prachtige uitspraak: ‘Alle spreken van Boven komt van beneden, ook de uitspraak dat iets van Boven komt’. De uitspraak werd in 1974 gemunt door theoloog H.M. Kuitert en relativeert ieder spreken namens God. Ik moest er weer eens aan denken na lezing van de Nederlandse variant van de Nashville-verklaring, waarin 200 orthodoxe christenen een banvloek over ‘gender-ideologisch’ Nederland uitspraken. Het manifest van de ondertekenaars van ‘Nashville’ lijkt quasi-eerbiedig, maar de waarschuwingen uit naam van God over de seksuele zedeloosheid in Nederland waren bepaald stellig. De ‘Nashvillers’ zijn trouwens niet de enige christenen die denken God in hun binnenzak te hebben. Een aantal jaren geleden startte de progressieve remonstrantse theoloog Tom Mikkers (foto) een bizarre reclamecampagne om zijn zieltogende kerk op te krikken. Hij deed dat met slogans als ‘Mijn God doet niet aan dogma’s’, ‘Mijn God dwingt me tot niets’ en ‘Mijn God trouwt ook homo’s’. Mikkers wist kennelijk even goed als zijn orthodoxe tegenvoeters wat God zou bewegen. Het is van een merkwaardige hoogmoed, dit spreken namens God.
Iets van die hoogmoed is ook terug te lezen in de triomfalistische studie van de Britse theoloog Alister McGrath, een christen die in The Twilight of Atheism: The Rise and Fall of Disbelief in the Modern World (2004) vergenoegd constateerde dat het geloof in God wereldwijd toeneemt en dat het atheïsme iets van een (ook nog slinkende) minderheid is. Dat is zonder meer waar, maar doet dat iets af aan atheïsme? Ironisch genoeg leert juist McGraths studie onbedoeld hoe redelijk en vitaal de argumenten voor atheïsme eigenlijk zijn. Ik publiceerde dit artikel eerder elders maar beschouw het, naar de titel, nog steeds als actueel.
Alister McGrath (1953, foto) is een veelzijdig theoloog, die daarnaast ook nog doorkneed is in de natuurwetenschappen. En hij is een theoloog die prikkelende uitspraken doet en het debat niet schuwt. Zo voorspelde hij de ondergang van het klassieke protestantisme, dat het zou moeten afleggen tegen de opkomende pinksterbeweging en de rooms-katholieke kerk. Door beeld en verbeelding van het ‘heilige’ te schuwen en alleen met het Boek te leven, zouden protestanten van God een afwezige God maken, die als vanzelf uit de cultuur verdween. Zo zou het protestantisme ongewild de deur openen voor het atheïsme.
Menig theoloog zou het bij die constatering laten en met een boog heenlopen om dat verafschuwde en gevreesde atheïsme. Zo niet McGrath. Hij zoekt nadrukkelijk het debat en vindt dat ook, omdat de in Oxford werkzame geleerde de naaste collega is van figuren als Richard Dawkins (foto),
de evolutiebioloog die wel bekend staat als ’s werelds bekendste atheïst. Dawkins’ bestseller The God Delusion (2006), in het Nederlands vertaald als God als misvatting, werd door hem beantwoord met The Dawkins Delusion? (2007) Eerder al boog hij zich over het atheïsme in de diepgaande studie The twilight of atheism: the rise and fall of disbelief in the modern world (2004), dat in 2006 bij uitgeverij Ten Have onder de titel De ondergang van het atheïsme verscheen. Ik had het al eerder in handen gehad, maar kwam er pas onlangs toe het geheel te lezen.
Het is een boeiende studie geworden, één van de meest diepgavende die ik over dit onderwerp ken. McGrath heeft een verdienste die wel meer christenen kenmerkt: hij verstaat zich diepgaand met zijn onderwerp, probeert atheïsten oprecht te begrijpen en neemt hun kritiek serieus. Je zou wensen dat atheïsten zich op hun beurt ook zo inlevend zouden tonen in christenen en andere theïsten. Doorgaans houden zij geharnaste preken voor eigen parochie zonder ook maar iets van het christendom te (willen) begrijpen. Die lof neemt niet weg dat ik verscheidene bezwaren tegen McGraths studie heb.
Maar laat ik eerst de grote verdiensten noemen. Na een beknopt overzicht van het atheïsme in de Oudheid (Epicurus, Lucretius) zoomt de Britse theoloog in op het vrijdenken vanaf de achttiende eeuw, dat na de Franse Revolutie uitmondt in het twintigste-eeuwse modernisme, dat drinkt uit de bron van drie negentiende-eeuwse denkers: Ludwig Feuerbach (foto), Karl Marx en Sigmund Freud. Alledrie bezagen godsdienst (in hun tijd: het alom aanwezige christendom) als een kinderlijk en hinderlijk stadium in de geschiedenis van de mensheid. Godsdienst zou overwonnen moeten worden, wilde de mens vrij en volwassen worden.
McGrath toont scherpzinnig aan dat de drie zich al evenzeer aan cirkelredeneringen bezondigden als de Middeleeuwse theoloog Thomas van Aquino (afbeelding), die de wereld trakteerde op een aantal Godsbewijzen: zij begonnen hun redenering vanuit het standpunt dat God niet bestaat en maakten de cirkel rond via intellectuele redeneringen, zoals Thomas van Aquino omgekeerd deed in de Middeleeuwen.
Sterk vind ik ook McGraths bezwaar tegen de Darwiniaanse atheïsten, die tegenwoordig de trom roeren. Richard Dawkins is al genoemd. Zijn voornaamste Nederlandse apostel was voor zijn politieke loopbaan de bioloog Ronald Plasterk. Zij menen dat sinds het optreden van hun ‘heilige’ Darwin het laatste zinnige woord over God is gesproken. Onzin, meent McGrath in navolging van de bioloog en vrijdenker Stephen Jay Gould (foto): uit het ontstaan van de soorten is geen zinnige bewering af te leiden over het al of niet bestaan van God.
Bezwaarlijker wordt het als McGrath het atheïsme koppelt aan het modernisme. Die stroming, tussen 1920 en 1970 dominant in wetenschap, literatuur, beeldende kunst en muziek, zou gedreven worden door een vooruitgangsgeloof en door de gedachte dat de mens bevrijd moet worden uit de kluisters van de hem onderdrukkende godsdienst. Als belangrijkste politieke pendant van het modernisme ziet McGrath het communisme, dat godsdienst tot opium van het volk verklaarde en fanatiek bestreed.
Ik begrijp wel wat McGrath bedoelt: het christendom is door atheïsten vaak geloofsdwang verweten, maar toen atheïsten in Rusland en Oost-Europa tot 1989 de scepter zwaaiden waren ze geen haar beter. Dat is wel waar, maar daarmee wordt niet alle atheïsten recht gedaan. Hoogstaande figuren als de filosofen Bertrand Russell (foto) en Albert Camus, door McGrath ook besproken, leefden ten tijde van het modernisme, maar waren tegelijkertijd zeer kritisch over de gedachte dat de mens nu op de troon moest worden gezet, zoals de communisten voorstonden.
Maar dat is, zoals dat heet, klein bier. Het gaat echt mis waar McGrath het postmodernisme bejubelt als een breuk met het modernisme, een breuk die het godsgeloof weer ruimte geeft. Dat zit zo: het postmodernisme gelooft niet meer in ‘grote verhalen’, zoals communisme (en fascisme) die vertelden: verhalen die de mens een paradijs op aarde beloofden zonder godsdienst. Door niet meer in dit soort aardse ‘grote verhalen’ te geloven zouden postmodernistische denkers ruimte hebben gebaand voor een opleving van godsdienst.
Dat is misschien waar, maar McGrath is blind voor het gevaar dat het postmodernisme voor het monotheïsme vormt. Het postmodernisme reduceert ieder groot verhaal, ook het christelijke of om het even welk monotheïsch verhaal ook, tot een van de vele verhalen. Daar kan geen monotheïstische godsdienst gelukkig mee zijn. Zeker het christendom niet, met zijn exclusivistische betoog dat het ‘de weg, de waarheid en het leven’ is. Het is daarom onbegrijpelijk dat de christen McGrath zo optimistisch is over het postmodernisme. Het geeft voeding aan atheïstisch denken, dat eens grote verhalen verkondigde maar die ook sterk kan relativeren. Zie opnieuw filosofen als Bertrand Russell en Albert Camus.

Ten slotte: McGrath verwijt atheïsten ‘statisch’ te denken en citeert de Amerikaanse schrijver John Updike (foto), die eens stelde: ‘Een van de kanten van het atheïsme die me tegenstaan is dat het zo buitengewoon oninteressant is als intellectuele standpuntbepaling.’ Wie veel over atheïsme leest, begrijpt wat hier bedoeld wordt: het hameren op aloude stellingen heeft iets irriterends en kan dor en statisch worden gevonden.
Maar hebben atheïsten daarom ongelijk? McGrath keert zich dan wel tegen een aantal argumenten tegen de godsdienst, maar laat verscheidene andere onbesproken. Hoe zou McGrath bijvoorbeeld denken over de belangwekkende uitspraak van Kuitert (foto) die hiervoor al werd geciteerd: ‘Alle spreken van Boven komt van beneden, ook de uitspraak dat iets van Boven komt’?
Die uitspraak wordt door een nieuwe generatie van theologen dikwijls als een vorm van cynisme beschouwd, maar breng er maar iets tegen in… Het zijn immers uitsluitend mensen die over God spreken. Sommigen stellen zich daarbij zelfs op als stellige ‘zaakwaarnemers’ van God, zonder dat er enige twijfel in hun redeneringen doorklinkt. Bij McGrath geen woord hierover.
En hoe zou hij denken over ‘godservaringen’? McGrath prijst weliswaar de sterk groeiende pinksterkerken aan als bewijs van herlevend christendom, maar je bent benieuwd of hij oog heeft voor de op zijn minst gecompliceerde kant van dat verschijnsel. Het zijn immers mensen die zich op die godservaring beroepen.
Tot welke gekkigheid dat kan leiden, bewees de serie over religieuze ervaringen die godsdienstsocioloog Koert van der Velde (foto) jarenlang in dagblad Trouw had. Daarin spraken geïnterviewden over hun ‘godservaringen’, die echter zo grillig en op zichzelf gericht waren, dat die vooral iets zeiden over de verregaande navelstaarderij van de moderne religieuze mens.
Is iedere monotheïst intussen niet ook een atheïst? Alister McGrath spreekt over geloof en ongeloof, maar bedoelt met geloof het christendom. Over de islam, hindoeïsme en Jodendom bij hem geen woord. Geen wonder, want diep in zijn hart beschouwt hij die als minderwaardig aan zijn eigen christelijk geloof. Of erger: als valse godsdiensten.
Moslims en Joden gaan op hun beurt eveneens dikwijls uit van het adagium: ‘eigen godsdienst eerst.’ Zelfs binnen hetzelfde monotheïsme bekijkt men elkaar dikwijls als vreemden, zoals rooms-katholieken en protestanten, orthodoxe en liberale Joden en soennieten en sjiieten binnen de Islam dagelijks bewijzen. Ik had bij McGrath willen lezen hoe hij hierover denkt.
McGrath gaat evenmin in op de bezwaren die ongelovigen tegen de Abrahamitische God koesteren, tot uitdrukking komend in menselijke, al te menselijke trekken als jaloezie, boosheid en wraakzucht. Ten slotte is er een belangrijk historisch argument tegen godsdienst in te brengen, een argument dat McGrath eveneens onbesproken laat: godsdienststichters als Jezus, Paulus of Mohammed (hier getekend door de Noord-Nederlandse schilder Lucas van Leyden) zijn historische figuren die voorafgegaan zijn door de polytheïstische godsdiensten van de oude Egyptenaren, Grieken en Romeinen. Hoe deze geschiedenis valt te rijmen met de waarheidsclaim van de joodse, christelijke en islamitische godsdienst is nooit goed beantwoord door monotheïstische geleerden, ook niet door McGrath.
De ondeugden der atheïsten mogen door de Britse theoloog dan uitstekend zijn beschreven, zijn boek zou nog aan kracht hebben gewonnen als hij al deze argumenten tegen de godsdienst grondig zou hebben gewogen. Nu blijft het boek steken in de triomfalistische conclusie dat het atheïsme getalsmatig op de terugtocht is, maar verzuimt hij de bezwaren tegen de godsdienst te ontkrachten. Zodoende blijft het atheïsme onverminderd actueel en heeft het nog altijd zeggingskracht.