
Dat de Japanse aanval op Pearl Harbor (7 december 1941) de Verenigde Staten definitief bij de Tweede Wereldoorlog betrok is bekend maar dat de nazi’s bij die aanval via spionage de nodige hulp verleenden is dat minder. Het boek Spionnenfamilie werpt daarop een indringend licht en schetst tevens een beeld van een gezin dat verscheurd raakte door uiteenlopend en tegenstrijdig engagement dat lang verborgen bleef voor het grote publiek en ook voor de eigen familie.
De vader van schrijfster Christine Kuehn kon fantastische verhalen vertellen maar over zijn eigen leven en familie was hij, als het erop aankwam, vaak zwijgzaam. En daar was reden toe. Eberhard Kuehn werd in 1926, in de relatief rustige jaren van de Republiek van Weimar, in Berlijn geboren als zoon van Otto Kuehn (foto) en Friedel Birk. Het leven van zijn vader Otto kende echter geen rust. Diens moeder was al jong gestorven en Otto groeide op als middelste van drie broers met een vader die zonder zijn vrouw als ‘stuurloos’ wordt omschreven. Hij werd tijdens de Eerste Wereldoorlog gerekruteerd als piepjong bemanningslid van een oorlogsschip dat in 1915 werd getorpedeerd door de Engelsen, waarna hij de rest van de oorlog gevangen zat in Schotland. Na de oorlog teruggekeerd naar Duitsland kwam hij erachter dat zijn oudere broer in de oorlog was omgekomen en ook zijn vader was gestorven.
Otto had een aardje naar zijn vaartje: hij had een baken nodig in zijn leven en vond die in zijn vrouw Friedel, die al twee kinderen uit een eerder huwelijk had. Samen kregen Otto en Friedel (foto) ook nog twee kinderen: naast Eberhard, de vader van de schrijfster, ook zoon Hans. Otto had maatschappelijk weinig succes, wat hem in de crisistijd van de Republiek (1929-1932) vatbaar maakte voor de opkomst van Hitler. Samen met zijn stiefzoon Leopold bezocht hij propagandabijeenkomsten van de NSDAP en werd lid van de partij.
Omdat de nazi’s na hun verkiezingsoverwinningen in die periode dringend verlegen zaten om personeel ter versterking van de partij, de SA en de SS leek Otto Kuehn snel carrière te kunnen maken. Hij werd zelfs uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek bij SS-leider Heinrich Himmler om als diens rechterhand te functioneren. Een succes werd dat gesprek niet: Himmler mocht hem niet en gaf de voorkeur aan Reinhard Heydrich (foto), de latere architect van de Holocaust.
Maar dat Otto Kuehn tot dat gesprek werd uitgenodigd geeft aan hoe gezien hij was en hoezeer hij door het nationaalsocialistische virus besmet was. En hij niet alleen: zijn fanatieke vrouw Friedel werd lid van vrouwenorganisatie Bund Deutscher Mädel en stiefzoon Leopold trad na de machtsovername van de nazi’s toe tot het propagandaministerie van Jozef Goebbels.
Daarmee was de link tussen Goebbels en de familie Kuehn nog niet volledig, want rond 1938 werd de womanizer verliefd op Ruth Kuehn, de jongere zus van zijn medewerker. De kortstondige affaire leidde echter een voorlopig einde in van de nationaalsocialistische idylle van het gezin Kuehn. Ruth was, als telg uit het eerste huwelijk van moeder Friedel en een man van Joodse komaf, half-joods. Ze werd daarom uit de kring van Goebbels gestoten. Omdat ook stiefvader Otto uit de gratie lag bij Himmler leek het zaak de Kuehns zover mogelijk uit de buurt te houden van het machtscentrum in Berlijn.
Aangezien Otto enige tijd in dienst was geweest van de geheime dienst bedacht Goebbels het plan om het gezin Kuehn in te zetten voor Japan. Dat land was onderdeel van het zogenoemde driemogendhedenpact dat in september 1940 was ondertekend en inhield dat de ‘asmogendheden’ Duitsland, Japan en Italië elkaar zouden steunen in het geval van een conflict met een ander land. Japan was na de agressieve inval in China in de jaren dertig een bedreiging gaan vormen voor de Amerikaanse belangen in Azië. De Verenigde Staten stelde daarom een economische blokkade in. Japan zon op wraak en besloot in het diepste geheim de Amerikaanse vloot bij Pearl Harbor voor het eiland Oahu (onderdeel van de staat Hawaï) aan te vallen.
Ter voorbereiding was het handig witte buitenlanders als spionnen in te zetten. Japanners zouden immers veel meer in het oog lopen op het eiland. Zo kwam het dat de familie Kuehn zich vestigde in Honolulu, de hoofdstad van Hawaï. Onopvallend gedroeg het echtpaar Kuehn zich echter bepaald niet: ze hingen de rijke buitenlanders uit, gaven in hun huis extravagante feesten, reisden voor de aanval op Pearl Harbor regelmatig naar Japan om daar grote bedragen op te halen die verborgen in koffers en kleding Hawaï werden gesmokkeld. Bovendien werd op hun huis een dakkapel gebouwd met goed uitzicht op de haven Pearl Harbor vanwaar foto’s worden gemaakt van de ligging van de schepen en van de bemanning.
De FBI ontging hun luidruchtige aanwezigheid niet. Directeur J. Edgar Hoover (foto) stuurde een vertrouweling naar Hawaii om het echtpaar in de gaten te houden. Hoewel het wantrouwen van de FBI tegen het echtpaar Kuehn en de ook bij de spionage betrokken dochter Ruth rees, greep de inlichtingendienst niet in.
De aanval op Pearl Harbor was verwoestend: talrijke schepen werden getorpedeerd en honderden matrozen kwamen om. Pas toen – toen het te laat was – werd het gezin Kuehn gearresteerd. Niet alleen het schuldige echtpaar en dochter Ruth maar ook zoon Eberhard, in 1942 16 jaar oud, en zelfs zoon Hans, destijds 9 jaar. Hij werd al snel vrijgelaten maar Eberhard werd nog enige tijd vastgehouden, omdat ook hij verdacht werd van betrokkenheid. Dat was niet het geval. Integendeel, Eberhard ontpopte zich tot Amerikaans patriot en trad toe tot het Amerikaanse leger, vast van plan zijn geboorteland te bevrijden van de nazi’s.
Otto en Friedel Kuehn werden langdurig verhoord. Friedel, de onverzoenlijkste en fanatiekste van de twee, ontkende alle beschuldigingen ondanks alle overvloedige bewijzen. Otto brak ten slotte en bekende alles. Hij werd door een militair tribunaal veroordeeld tot de doodstraf voor het vuurpeloton maar omdat de spionage zich had afgespeeld in vredestijd besloot het hooggerechtshof de straf om te zetten in vijf jaar zware dwangarbeid.
Friedl, Ruth en jongste zoon werden geplaatst in een interneringskamp in Texas. Via een gevangenenruil kwamen ze vrij en keerden in januari 1945, dus nog voor het einde van de oorlog, terug naar het geliefde Nazi-Duitsland dat inmiddels een gewelddadige doodsstrijd vocht. Friedels grote verdriet was niet de gevangenschap van haar echtgenoot Otto, met wie ze afgesproken had elkaar na diens gevangenschap weer te treffen, maar het achterblijven van haar zoon Eberhard die niets van de nazi’s moest hebben. Otto kwam in 1948 vrij. Hij kwam niet meteen terug naar Duitsland, waar de geallieerden (vooral de Amerikanen) een denazificatiecampagne waren gestart maar verbleef jaren in Buenos Aires. Pas in 1955 was hij terug naar West-Duitsland. Niet voor lang: zeven jaar later, in 1962, stierf hij.
Het weerzien met Friedel en de kinderen kon intussen geen succes worden genoemd. Er was teveel gebeurd in deze familie om nog normaal te functioneren, constateert Christine Kuehn die een pakkend boek (oorspronkelijke titel: Family of Spies) schreef dat hier en daar soms iets van een stuiverroman heeft, vooral in die passages over haar eigen emoties (veel huilbuien bij weer een ontdekking over haar nazi-familie). Maar is dat ook dan de enige kritiek op dit goede en inzichtelijke boek over een belangrijke episode uit de Tweede Wereldoorlog.






