André Gide (1869-1951), eigenzinnig en ongrijpbaar individualist

Twintig jaar geleden was er ineens een kortstondige hype rond de Franse schrijver en Nobelprijswinnaar André Gide. Althans: verscheidene uitgeverijen (De Arbeiderspers, Atlas Contact) zagen brood in uitgaven van zijn (vooral autobiografische) werk. Zo verscheen Het innerlijk blauw, een keuze uit zijn dagboeken, zoals hij die tussen de twee wereldoorlog bijhield. En herinneringen onder de rake titel Niet als de anderen. En nee, als de anderen was deze uitgesproken individualist en homoseksueel niet. Ik schreef destijds een bespreking van nieuwe uitgaven van en over zijn werk voor het Nederlands Dagblad, die ik hier in enigszins gewijzigde vorm nog eens publiceer.

Eén van de grote raadsels in de (literatuur)geschiedenis is de vraag waarom iemand de tand des tijds doorstaat waar anderen in de vergetelheid geraken. Waarom lezen wij bijvoorbeeld nog altijd Willem Elsschot of Nescio en niet F. Bordewijk (foto) of S. Vestdijk? Ligt het aan de leesbaarheid van eerst genoemden of moet de moeilijkheidsgraad van het werk van Bordewijk en vooral Vestdijk als eerste reden worden genoemd? Of is de thematiek van Elsschot en Nescio ons meer verwant dan die van Bordewijk of Vestdijk? Men kan gissen wat men wil, het antwoord erop blijft duister. Hetzelfde raadsel geldt ook omgekeerd: waaraan dankt een schrijver zijn onverwachte populariteit, waarom wordt hij opnieuw uitgegeven of, als het een buitenlander betreft, waarom verschijnen ineens nieuwe vertalingen op de markt?

Deze vragen drongen zich aan me op tijdens het lezen van nieuwe vertalingen van het werk van Gide. Na een jarenlange stilte verschenen twintig jaar geleden achter elkaar een keuze uit zijn dagboeken en een vertaling van zijn jeugdautobiografie op de markt. Tegelijkertijd wijdde het onvolprezen literair-historische tijdschrift De Parelduiker een dubbelnummer aan Gide, waarin diverse schrijvers (onder wie de voormalige VVD-leider en Eurocommissaris Frits Bolkestein) hun licht laten schijnen over dit fenomeen. Een kroonjaar is niet te vinden, een andere speciale aanleiding ook niet. Het antwoord op de plotselinge (her)uitgaven van Gide is prozaïsch: die zijn te danken vertaalster Mirjam de Veth.

Met veel liefde heeft zij een keuze uit de dagboeken gemaakt en de autobiografie opnieuw vertaald. In de eerste helft van de vorige eeuw oefende Gide veel invloed uit op zowel de Franse als de Nederlandse literatuur. In Frankrijk verslonden de later op hun beurt invloedrijke existentialisten Albert Camus en Jean-Paul Sartre zijn werk, in Nederland toonden Menno ter Braak en Edgar du Perron (foto) zich zeer onder de indruk. Gide dankte zijn reputatie niet zozeer aan zijn stijl als wel aan de inhoud van zijn werk. Dat stond in het teken van voortdurende zelfwerkelijking. Gide kwam als enig kind ter wereld. Zijn vader stierf toen hij 11 jaar was, waarna hij achterbleef met een bevoogdende moeder, die hem een stringente moraal bijbracht, gevoed door haar protestantse overtuiging. Gide vatte een hevige liefde op voor zijn nicht Madeleine, met wie hij in 1895 ook trouwde.

In die tijd genoot Gide in nog betrekkelijk kleine kring een reputatie als schrijver, nadat hij, 21 jaar oud, zijn debuut had gemaakt met het verhuld autobiografische De geschriften van André Walter, en merkwaardig en geheimzinnig boek. Gide droeg ook een geheim met zich mee: hij was homoseksueel. Het taboe daarop wenste hij te doorbreken. Gide schrok daarbij niet terug voor bedrog: zijn huwelijk ten spijt ging hij zijn leven lang op zoek naar jonge jongens, vooral tijdens zijn vele reizen in de Arabische wereld rond 1900.

Toen zijn vrouw daarachter achter kwam door zijn brieven te lezen, ontstak ze in woede en wierp die brieven in de vlammen – een drama waar Gide, mogen we vertaalster Mirjam de Veth geloven, nooit overheen is gekomen. Die homoseksualiteit is een centraal thema in dit leven. In zijn almaar uitdijende dagboek keert het voortdurend verhuld terug. Verhuld, aangezien Gide banger dan ooit tevoren was dat zijn vrouw opnieuw achter zijn homoseksuele praktijken zou komen. In zijn autobiografie, die Gide de titel Als de graankorrel niet sterft meegaf, sprak hij daarentegen onomwonden over zijn homoseksualiteit.

Bijbelgetrouwe lezers zullen herkennen dat de titel ontleend is aan Johannes 12, vers 24: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort’. Vertaalster De Veth heeft de titel terecht niet letterlijk vertaald, want de titel Als de graankorrel niet sterft wijkt nogal af van de tekst uit Johannes. Dit bewijst twee dingen: Gide was een groot Bijbelkenner, maar hij sprong er tegelijkertijd heel eigenzinnig mee om. In zijn autobiografie schrijft hij de bijbel in zijn jeugd avond aan avond te hebben gelezen. Maar van het paulinische christendom zoals Gide dat opvat (een christendom dat strenge regels leert) moet hij niets hebben. Daarom begint hij aan een nooit voltooid boek onder de veelzeggende titel Het christendom tegen Christus.

Welbeschouwd bezag Gide Christus zoals even voor hem Nietzsche (foto) Christus zag: als Degene die gered moest worden uit handen van de schriftgeleerden, waartoe Gide ook Paulus rekende. Het tekent Gide: zo vrijmoedig als hij ‘theologiseerde’, zo vrijmoedig kwam hij ook uit voor zijn homoseksualiteit. De egocentrische wijze waarop hij die homoseksualiteit praktiseerde, met voorbij gaan aan de gevoelens van zijn vrouw, kan ik niet anders dan met gemengde gevoelens lezen. Maar toch bleef ik lezen, juist omdat Gide zelf ook worstelt met zijn bedrog en overspel. Als zijn knagende geweten inderdaad gestempeld is door het protestantisme, zoals zijn vertaalster veronderstelt, dan is zijn geloofsopvoeding niet voor niets geweest.