Over de Frankfurter Schule, dat ontluisterende gezelschap van elitaire en arrogante denkers dat de Nederlandse medewerker Andries Sternheim genadeloos aan zijn lot overliet

Ik heb al veel over de Frankfurter Schule gelezen maar dan vooral over hun denkbeelden, dikwijls abstract en wat moeizaam geformuleerd. Hun werk wordt vaak positief geduid, aangezien de meeste auteurs over deze ‘school’ met hun inzet sympathiseerden en sympathiseren. Wellicht doet ook de socioloog Bertus Mulder dat. Al kan dat uit zijn biografie niet meteen worden afgelezen: hij was lang (en wellicht nog steeds) betrokken bij de Partij van de Arbeid die hij in het noorden des lands vertegenwoordigde. Maar uit zijn boek Andries Sternheim (1890-1944). Vergeten binnen de Frankfurter Schule spreekt in elk geval weinig sympathie voor de Frankfurters. Integendeel, Mulder oordeelt terecht zeer kritisch over het elitaire denken maar vooral over hun dubieuze opstelling tegenover de Nederlandse socioloog, vermoord in Auschwitz.

Wie de vele eerbiedige inleidingen op en uitleggerij van de Frankfurters leest, komt vrijwel niets te weten over hun persoonlijkheden. Me beperkend tot Nederland: in 1973 publiceerde de socioloog H. Hoefnagels onder de titel Kritische sociologie een inleiding op dit denken zonder een woord te wijden aan de persoonlijkheden.[1] Een aantal jaren later, in 1981, volgde de Utrechtse hoogleraar filosofie Willem van Reijen met een wat uitgebreidere en diepgaander bespreking van hun denken.[2] Maar ook bij hem geen woord over de personen en hun handelen voor en (vooral) achter de schermen.

In de mooie reeks Elementaire deeltjes van Amsterdam University Press schreef Thijs Lijster een beknopte en knappe inleiding op de Frankfurter Schule[3] maar ook hier: tamelijk weinig over de mensen die dit instituut droegen. Het is alsof de Frankfurters vooral uit denkende hoofden bestonden en geen mensen van vlees en bloed waren, met hun hebbelijkheden en onhebbelijkheden.

En juist die onhebbelijkheden, zo niet onaangename eigenschappen, komen in het boek van Bertus Mulder ruimschoots aan bod. Mulder, die met anderen al eerder over Andries Sternheim publiceerde, werpt licht op de onthutsende hiërarchie binnen de School, waarin Max Horkheimer (foto) en Friedrich Pollock de dienst uitmaakten. Horkheimer wordt getypeerd als een charmant man met een heftig, soms boosaardig temperament, Pollock juist als een man die zijn emoties zo min mogelijk toonde.

Deze twee mannen maakten vanaf 1930 de dienst uit binnen het Frankfurter Institut für Sozialforschung, zoals het later onder de naam Frankfurter Schule bekend geworden instituut heette. Het Instituut ontstond in 1923 dankzij kapitaal van graanhandelaar Hermann Weil en (vooral) diens zoon Felix. De School bewandelde aanvankelijk twee wegen: de samenleving kritisch doordenken maar dan wel op basis van (ook) empirisch onderzoek.

En daarbij kwam de Nederlandse socioloog Andries Sternheim in beeld. Sternheim was een ‘selfmade man’ die groot werd in de wereld van de diamantbewerkers. Hij begon op zijn vijftiende als leerling en werd enkele jaren later lid van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond (ANDB) waar hij onder invloed kwam van de grote man, Henri Polak (foto). Hij zag al snel de waarde van de vakvereniging in en werd aansluitend ook lid van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP).

De intelligente Sternheim ontpopte zich als schrijver en onderzoeker. Daarbij ging zijn belangstelling uit naar onderwerpen die destijds bepaald nog niet courant waren: de rol van vrouwen en van vrije tijd in het arbeidsproces. Mulder schrijft die belangstelling toe aan de gezinssituatie waarin Sternheim opgroeide: zijn moeder moest voor de kost zorgen na de scheiding van haar man, een mislukt zakenman en kroegtijger.

Sternheim werd gegrepen door het vakbondswerk en trad in dienst van het Internationaal Verbond van Vakverenigingen. Zijn werkzaamheden daar vielen de prominente Franse socialist Albert Thomas (foto) op[4], directeur van de in Genève gevestigde Internationale Arbeidsorganisatie. Hij bracht Sternheim in contact met Max Horkheimer, die Sternheim aantrok voor onderzoekswerk en het houden van enquêtes.

De eerste jaren van zijn werkzaamheden in Genève leek Sternheim op waardering te mogen rekenen van Horkheimer, met wie hij intensief contact had, ook nog na het vertrek van de (meeste) Frankfurters naar New York na de machtsovername van Hitler. Uit de briefwisseling, waaruit Mulder rijkelijk citeert, sprak waardering van Horkheimer voor zijn medewerker, die echter een tweederangspositie bleef innemen in de school, niet te vergelijken met die van Erich Fromm (die zich, eenmaal in New York, snel van de Frankfurter Schule losmaakte), Herbert Marcuse en coming man Theodor Adorno.

Treft die bizarre hiërarchie al onaangenaam, dat doet ook het achterbakse geroddel, vooral van de arrogante Adorno (foto), die neerkijkt op Sternheim en hem tegenover zijn directeur Horkheimer (bij wie hij zich in likt) in 1937 als een onbenul beschrijft.[5] Hij onderschatte niet alleen Andries Sternheim maar – minstens zo opvallend – ook het nationaalsocialisme. Mulder citeert Adorno’s brief aan Horkheimer en het is goed de centrale zin hier integraal weer te geven : ‘Sternheims pure kennis van de situatie in de totalitaire staten is ook uitermate ontoereikend en net als al deze mensen overschat hij de ideologie enorm en vat hij die veel helderder op dan ze is.’

Nazi-Duitsland is dan al vier jaar ‘in bedrijf’ en had het ideologische visitekaartje deels al afgegeven door de ene pijler waarop de ideologie berustte: ongekende en niets ontziende haat tegen Joden, (toen nog) uitmondend in pogroms, stelselmatige discriminatie en achterstelling. En ook van die andere pijler van de ideologie, Lebensraum, waren de contouren al zichtbaar door de toegenomen bewapening, de inname van het Rijnland en het uittreden uit de Volkenbond. Trouwens, Adorno had de ideologie, waar Hitler – al zijn tactische wendingen ten spijt – nauwgezet aan vasthield, al kunnen lezen in Mein Kampf.

Maar nee, de Frankfurters – ook de directeuren Horkheimer en Pollock – hielden vast aan de primitieve marxistische ideologie die het nationaalsocialisme (en het fascisme in het algemeen) voorstelden als politieke uitingsvorm van het monopoliekapitalisme, daarbij de geheel eigen aard van fascisme en nationaalsocialisme miskennend. Hoewel de meeste leden van de Frankfurter Schule van joodse komaf waren en in dodelijk gevaar verkeerden, onderschatten ze het antisemitisme door er met een marxistische bril naar te turen. Horkheimer verbond het antisemitisme met – niet verrassend na het voorgaande – het liberale kapitalisme. Alsof het antisemitisme niet (ook) dronk uit andere giftige bronnen, zoals het eeuwenlange christelijke antisemitisme en (vanaf de 19e eeuw) het sociaal-darwinistische racisme.

Sternheim (foto) had de nazi’s en hun antisemitisme veel beter door. Horkheimer was tot 1938 zijn beschermheer maar het achterbakse gestook van Adorno deed zijn werk. Horkheimer, diep onder de indruk van Adorno en gecharmeerd van diens scherpte, vatte het plan op om met hem na de oorlog het succes van fascisme en nationaalsocialisme en het falen van de arbeidersklasse en hun vertegenwoordigers te analyseren. Dat betekende dat het tweesporenbeleid dat Horkheimer aanvankelijk voorstond (kritische analyse van de samenleving hand in hand te laten gaan met empirisch sociaal-wetenschappelijk onderzoek) werd losgelaten.

De toch al elitaire intellectuelen raakten los van de realiteit, koesterden minachting voor de arbeidersklasse en begonnen vanuit een (vrijwel) theoretisch-marxistisch standpunt aan hun ‘kritische theorie’. ‘Moderne’ marxisten gaven en geven die ‘kritische theorie’ veel gewicht en beschouwen die als een grote sprong voorwaarts in de marxistische theorievorming maar kijkend naar de zeer gebrekkige en primitief-marxistische analyse van fascisme en nationaalsocialisme zijn daar flinke vraagtekens bij te plaatsen.

Erger is de werkelijk schandalige, ook nog sluwe wijze waarop Horkheimer en Pollock (foto) Sternheim aan zijn lot hebben overgelaten. Vooropgesteld: ze waren natuurlijk niet schuldig aan zijn dood in Auschwitz, dat waren uitsluitend de nazi’s. Maar ze brachten hem wel in (letterlijk) hopeloze problemen door allereerst de standplaats van het instituut in Genève in het neutrale Zwitserland op te heffen, vervolgens zijn salaris te halveren en hem naar het inmiddels bedreigde Nederland te laten vertrekken.

Horkheimer kon of wilde niet geloven dat er oorlog zou uitbreken en onderschatte, opnieuw anders dan Sternheim, wederom de agressie van Nazi-Duitsland. Hij bleef wel informeren naar de twee zoons van Sternheim maar Bertus Mulder betwijfelt terecht hoe oprecht zijn belangstelling was. Wrang bij dit alles was ook nog dat terwijl Sternheim financieel werd afgeknepen en slechts op de been bleef door zijn oude kameraden van de vakbeweging, Horkheimer en Pollock zichzelf als ware kapitalisten eind jaren dertig ‘beloonden’ met bedragen van rond de tienduizend dollar per jaar, terwijl de rotte (oog)appel Adorno beloond werd met het jaarsalaris van een toenmalig hoogleraar (3400 dollar).

Je houdt een vieze smaak over aan dit overigens voortreffelijke boek dat je definitief anders naar deze dikwijls zo hooggeschatte intellectuelen doet kijken. Moreel vallen Horkheimer c.s. door de mand: het waren, bij al hun kritische zin, benepen en stiekeme kleinburgers die goed voor zichzelf zorgden. En die ‘kritische theorie’ valt ook met een slak zout te nemen. Die is (niet eens zo) vermomde marxistische ideologie, die weinig tot niets bijgedragen heeft aan ons begrip van fascisme en nationaalsocialisme. De onderschatte en uiteindelijk miskende Andries Sternheim doorzag dit veel beter. Zo onrechtvaardig is de geschiedenis, die ‘mad man’s tale told by a drunken idiot’ (zoals Shakespeare Macbeth laat zeggen): terwijl Horkheimer en (vooral) Adorno alom bekendheid en aanzien genieten, is Sternheim nagenoeg vergeten. Gelukkig was er Bertus Mulder die hem uit de vergetelheid haalde en hem zijn verdiende plaats weer toewees.  


[1] H. Hoefnagels, Kritische sociologie. Inleiding tot het sociologische denken der Frankfurter Schule (Alphen aan den Rijn 1973).

[2] Willem van Reijen, Filosofie als kritiek. Inleiding in de kritische theorie (Alphen aan den Rijn 1981).

[3] Thijs Lijster, Frankfurter Schule (Amsterdam 2023).

[4] Aan Thomas heeft de uit een ‘rood’ milieu stammende historicus B.W. (‘Bertus’) Schaper zijn dissertatie gewijd: B.W. Schaper, Albert Thomas. Dertig jaar sociaal reformisme (Assen 1953)

[5] Adorno had eveneens een hekel aan andere leden van de Frankfurter Schule, zoals Erich Fromm, Leo Löwenthal en Siegfried Krackauer en uitte die afkeer eveneens tegenover Horkheimer.