Nog eens: Joost Zwagerman, de schrijver die uiteindelijk zijn (noodlottige) thema vond

Tien jaar na zijn dood is de langverwachte biografie van Joost Zwagerman dan eindelijk verschenen. Ik las die, zoals veel anderen, zeer geboeid. Eerder al schreef ik over hem (https://wimberkelaar.com/2015/09/11/joost-zwagerman-de-schrijver-die-publiekslieveling-werd/), als ook over het indrukwekkende boek dat zijn ex-vrouw Arielle Veerman schreef over haar leven met Zwagerman (https://wimberkelaar.com/2020/03/17/arielle-veerman-de-vrouw-die-zichzelf-terugvond-na-een-leven-met-joost-zwagerman/). Zou de alomvattende biografie van Maria Vlaar het beeld veranderen van de schrijver die niet meer in zijn eigen schrijverschap geloofde nadat hij publiekslieveling was geworden? En hoe nu, een decennium na zijn zelfmoord, dit schrijverschap te wegen? Was het inderdaad te licht, te leeg en te gering van betekenis, zoals veel critici bij zijn leven opmerkten of had hij toch een thema in zelfmoord, een thema dat hem een obsessie en tenslotte zijn dood werd?

De eerste overweging toen ik de biografie in handen had was deze: had Zwagerman een 768 pagina’s tellende biografie gekregen als hij in 2015 geen zelfmoord had gepleegd? Hoogst onwaarschijnlijk. Maria Vlaar doet er – het siert haar – alles aan om aan die zelfmoord niet alles overheersend te laten zijn in haar biografie, onder meer door het boek daar niet mee te eindigen maar zich te concentreren op Zwagermans betekenis als beeldende kunst-duider in zijn laatste jaren, waarmee hij een groot publiek bereikte via het televisieprogramma De wereld draait door.

Maar zonder zelfmoord, zo valt veilig te concluderen, was Zwagermans leven nooit zo uitgebreid geboekstaafd. Hij was, hoewel hij zelf het gevoel had als schrijver te zijn mislukt, fysiek (ondanks de enkele jaren voor zijn dood ontdekte ziekte van Bechterew) nog in de kracht van zijn leven en bleef uit alle macht, zijn depressies en zwaarmoedigheid verhullend, publiceren. Wie zijn in omvang indrukwekkende productiviteit overziet, bemerkt dat hij vrijwel ieder jaar een boek publiceerde, hetzij een dichtbundel, hetzij een bundel essays, zij het steeds minder een roman – zijn grote verdriet.

Indrukwekkend genoeg maar uit de biografie rijst het beeld op dat hij tegen de klippen op publiceerde om innerlijke onzekerheid te onderdrukken, alsof het nooit goed genoeg was. Nu moet ik zeggen dat wat velen geweldig vonden – zijn duiding van al die beeldende kunstwerken – mij niet aansprak. Die was me vaak te verheven, te verheerlijkend soms ook en de ‘diepte’ die Zwagerman in al die werken suggereerde zag ik er met de beste wil van de wereld er niet in. Wel lagen die televisieverhalen in het verlengde van zijn bijzondere kwaliteit als schrijver: enthousiasme wekken voor werk van anderen, zoals hij eerder deed voor bewonderde vakgenoten.

Hoewel hij graag als dichter en (vooral) als romanschrijver erkenning zocht blonk hij vooral uit in het essay. Dezer dagen las ik veel van zijn wervende, soms iets te enthousiaste maar altijd onderhoudende en goed geschreven essays terug, over onder meer over Norman Mailer en John Updike (foto). Vooral de laatste werd door Zwagerman – afkomstig uit een buitenwijk in Alkmaar – bewonderd, aangezien Updike de alledaagse zorgen van de burgerman in buitenwijken beschreef. Je krijgt, Zwagerman lezend, zin om de boeken van Updike en anderen te lezen.

De kleinburgerlijke sores van de buitenwijkbewoners werd een thema in zijn werk, denk aan leraar Theo Altena in de roman De buitenvrouw. Daaraan gekoppeld de stad, die de immer buitenwijkbewoner gebleven Zwagerman thematiseerde in Vals licht. Dat boek over een jongen die een prostituee wil redden leek geschreven door een buitenstaander maar uit de biografie van Vlaar blijkt dat Zwagerman zelf een geregeld bezoeker was van prostituees en daadwerkelijk een prostituee in huis heeft genomen met de bedoeling haar te redden. Het is, met terugwerkende kracht, van een aandoenlijke wereldvreemdheid en tekenend voor de provinciaal die, betoverd door de verlokkingen van de grote stad, niet mee kon gaan met de daar heersende hardheid en onverschilligheid maar die oprecht en voorbij alle geilheid de ‘gevallen vrouw’ uit liefde probeerde te redden.

Thema’s had Zwagerman dus wel maar zijn belangrijkste thema bleef toch wel zijn schrijverschap. Hij streefde eerzuchtig naar erkenning en wilde boven op de apenrots staan, zoals door Vlaar en in navolging van haar door recensenten van de biografie al is gesignaleerd. Die ambitie leidde tot jaloezie en roddel over andere schrijvers en hing ongetwijfeld in de eerste plaats met zijn karakter samen. Maar die verraadt ook zijn ambitie, die groter was dan die van een generatiegenoot als Ronald Giphart, die altijd wat relativerend en ontspannen over het schrijverschap leek te denken.

Zwagerman keek dikwijls terug naar de vorige generatie, maar niet ontspannen zoals Giphart. Die besprak met genoegen het beste werk van ‘de Grote Drie’ (Hermans, Mulisch, Reve) en schreef aan het begin van zijn loopbaan gedurfde en geestige satire over collega-schrijvers.[i] Zwagerman daarentegen werd gedreven door de ambitie opvolger van de ‘Grote Drie’ te willen zijn. Toen zijn romanexplosie eind jaren negentig stilviel, klonk de frustratie door in Chaos en rumoer (1997), misschien wel zijn beste en in elk geval zijn meest onderschatte roman. In 240 bladzijden deed hij – zoals biografe Vlaar duidelijk maakt – nauwelijks verhuld autobiografisch verslag van writers block, al eindigde het boek hoopvol: Otto Vallei (de veelzeggende naam van de hoofdpersoon) wordt er door zijn tegenpool Ed Waterland toe geprikkeld zich opnieuw aan het schrijven te zetten en zijn radioavontuur bij Chaos en rumoer (in werkelijkheid het VARA-programma Ophef en vertier) achter zich te laten.

En toen, een jaar na de publicatie van Chaos en rumoer, deed zijn vader Jaap Zwagerman (1936-2016) een zelfmoordpoging, net gescheiden van zijn vrouw Ans Palmboom die hem bij toeval vond. Joost Zwagerman, die door Hanneke Groenteman en schrijfster Helga Ruebsamen in televisieprogramma De plantage over Chaos en rumoer (en eigenlijk zijn hele oeuvre tot dan toe) nog in een sandwich werd genomen en door zijn erkende vijanden Arjan Peters en Michael Zeeman gretig was neergesabeld, had zijn definitieve onderwerp te pakken. En wat voor een onderwerp…

De zelfmoordpoging van zijn vader doorbrak zijn writers block, het gaf hem het thema dat hem door alles heen bleef bezighouden. Het thema zelfmoord leek weliswaar naar de achtergrond te schuiven na de aanslagen op de Twin Towers en de opkomst van Fortuyn, maar dat was slechts schijn. Zijn laatste roman Zes sterren ging over zelfmoord en een hele afdeling in de essaybundel Het vijfde seizoen (2003) was gewijd aan het thema dat niet meer zou verdwijnen uit zijn oeuvre. Hij maakte zelfs een reeks interviews met schrijvers van wie een ouder zelfmoord had gepleegd.[ii] Het was tussen 1998 en zijn dood in 2015 zijn leidend thema, gevoed door sterke twijfels over zijn schrijverschap.

Ergens rond 2000 publiceerde Zwagerman het essay ‘Zeven manieren om nooit meer aan het werk te komen.’ Hij verstond zich daarin met een boek van de Britse criticus Cyril Connolly: Enemies of promise (1937), waarin deze een nogal naargeestig portret schetste van de redenen die schrijvers in een writers block deden vervallen: ze gingen aan politiek doen, stichtten een gezin, werden journalist, vluchtten in godsdienst of ideologie, verloren zich in een sexverslaving, drank of drugs.

Zwagerman, die net Chaos en rumoer had gepubliceerd en zijn eigen writers block te boven leek te zijn, bestreed Connolly (foto) destijds nog vol zelfvertrouwen en schreef zich aan al de door Connolly genoemden ‘zonden’ te buiten hebben gegaan, behalve ‘de kerkgang’.[iii] Maar dat hij zo’n uitvoerig essay wijdde aan dit thema geeft aan hoeveel belang hij hechtte aan het schrijverschap. Ook in dit opzicht was John Updike zijn grote voorbeeld: gevallen voor alle verleidingen maar ononderbroken en ongehoord productief.

Dat was en bleef ook Zwagerman in de jaren na de publicatie van het essay. Vrijwel ieder jaar verscheen er na 2000 wel een boek van hem, waarbij tussen dat jaar en ruwweg 2010 het maatschappelijk engagement in het werk leidend was. Stukken over Fortuyn, (het verval van) de PvdA, kritiek op oude columnisten als Jan Blokker die wel het christendom en niet de islam zou durven bekritiseren en natuurlijk de veelbesproken en beschreven vetes met Zeeman en Anil Ramdas bepaalden de toon, meer dan ook in dat tijdvak verschenen essays over popmuziek.[iv]  

Tijdens de laatste vijf jaar van zijn leven ruilde de schrijver dat engagement in voor zowel enthousiaste als verstilde kunstbeschouwingen. De beeldende kunst was altijd al een passie van hem, zo maakte biografe Vlaar duidelijk. Maar zijn toenemende schrijven daarover en zijn duiden ervan (op televisie) lijkt ook verband te houden met zijn onvermogen nog een roman te schrijven. Leraarszoon Zwagerman werd de laatste jaren van zijn leven zo alsnog de leraar die hij nooit had willen zijn. Of dit bijdroeg tot de depressie die hem in zijn laatste jaren trof is aannemelijk. Voor hem, die zich iedere kritiek hevig aantrok en zich in de bekende vetes vastbeet, leek rond 2010-2011 alles noodlottig samen te vallen.

Allereerst was daar de echtscheiding van zijn vrouw Arielle Veerman. Zij kwam er achter dat hij vreemd bleef gaan, had genoeg van zijn grilligheid en eisen en kreeg een andere geliefde in de vorig jaar gestorven acteur Hugo Koolschijn. Daarnaast liep ook de verkoop van zijn boeken terug. Geen van de titels die in dit millennium verschenen haalden de oplagecijfers van Vals licht of (vooral) De buitenvrouw. Het zorgde voor financiële stress omdat hij een nieuw onderkomen moest vinden, drie kinderen had te onderhouden en alimentatie diende te betalen (waar hij zoveel mogelijk onderuit probeerde te komen). De nieuwe geliefde bracht onbedoeld een nieuwe stressfactor in: haar zwangerschap die nieuwe verantwoordelijkheid voor weer een kind betekende.

Dat alles is erg genoeg om in een diepe depressie te geraken. Maar een diepe depressie zet niet iedereen aan tot zelfmoord. Dat was aanvankelijk ook de opvatting van Zwagerman die zijn demonen uit alle macht trachtte uit te drijven. Die demonen: het DNA van zijn vader te bezitten, erfelijk belast te zijn en dus ook geneigd tot zelfmoord. Met alles dat in hem zat bestreed hij Karin Spaink die meende dat ook jongeren die echt levensmoe waren een doodspil moesten kunnen krijgen. En hij schreef tegen de verheerlijking van de zelfmoord van Herman Brood [v], ook tijdens de jaren van zijn uitbundige maatschappelijk engagement.

Het is, met de trieste afloop in het achterhoofd, opmerkelijk hoeveel passages in zijn werk in die tijd al angstig vooruit lijken te wijzen naar zijn zelfgekozen einde. Dikwijls haalde hij een aforisme van Nietzsche (foto) aan: ‘Der Gedanke an den Selbstmord is ein starkes Trostmittel: mit ihm kommt man gut über böse Nacht hinwegs.’ Maar anders dan Nietzsche haalde Zwagerman geen troost uit deze gedachte: ‘Voor wie zich erfelijk belast weet is die geruststellende gedurende “een moeilijk ogenblik” omgeslagen in een blijvende en nauwelijks weg te redeneren vrees’, schreef hij.[vi]

Hij identificeerde zich, toen de depressie zich bij hemzelf nog niet had aangediend, met William Styron, befaamd auteur van Sophie’s Choice maar ook schrijver van Darkness Visible, over de diepe depressie die hem eens had getroffen: ‘Minutieus en illusieloos beschreef Styron zijn ziektegeschiedenis. Na al die jaren moest Styron “de angstaanjagende reikwijdte van de dodelijk kritieke situatie waarin ik mij bevind” dan eindelijk onder ogen zien. Hij kon die situatie niet meer “wegdenken”. Zijn brein was zijn grootste vijand geworden.’[vii]

Dat gold ook voor Zwagerman die zijn eerste diepe depressie te boven was gekomen, maar er die in zijn laatste jaar (2015) nog eens door getroffen werd. Terwijl de zelfmoordpoging van zijn vader in 1998 hem zijn definitieve thema deed vinden, dreef de zelfgekozen dood van twee andere naasten hem mede richting ‘de laatste deur’, vrij naar de boektitel van Jeroen Brouwers over schrijvers/zelfmoordenaars. Eerst de zelfmoord van zijn behandelend arts Nico Tromp, die naar Zwagermans eigen zeggen in Tuitjenhorn (waar hij na zijn scheiding noodgedwongen had gebivakkeerd) zijn leven had gered ten tijde van zijn eerst diepe depressie. En daarnaast de dood van zijn vriend dichter Rogi Wieg, die zijn hele leven al kampte met zware depressies en uiteindelijk koos voor euthanasie. Vooral de dood van Wieg liet zien hoe zelfmoord voor Zwagerman inmiddels van een thema veranderd was in een obsessie: hij trachtte de euthanasie met alle middelen die hij bezat te voorkomen: door indringende brieven te schrijven en zelfs voor Wiegs deur te staan in een laatste poging hem hiervan af te brengen.

De echte reden voor zijn zelfmoord valt niet te achterhalen. Zijn (inmiddels gereserveerd over hem denkende) vriend Ronald Giphart is er nog steeds niet over uit waarom Zwagerman een einde aan zijn leven heeft gemaakt.[viii] Dat raadsel zal nooit helemaal opgelost worden. Biografe Vlaar schrijft dat Zwagerman aan het eind van zijn leven ‘verteerd werd door spijt en schaamte’.[ix] Hij verachtte zichzelf en had, terugkijkend op zijn oeuvre, het gevoel dat het voor allemaal voor niets was geweest. Voor een buitenstaander en lezer van zijn rijke oeuvre een onbegrijpelijke observatie, maar dit miskent de depressie, de tunnel waarin iemand bij zware depressies ingaat en soms, zoals Zwagerman, niet meer uitkomt.

Die zelfverachting had in de eerste plaats natuurlijk te maken met zijn depressie maar ook met zijn inmiddels gebrekkige zelfwaardering als schrijver. Het was zijn ambitie geweest dé schrijver van zijn generatie te worden. Dat hij lang dacht dat te zijn is overigens niet onbegrijpelijk, aangezien hij in de pers nogal eens genoemd is als schrijver van het cultboek Gimmick!, dat een boek zou zijn over de ‘verloren generatie’ (naar het generatiebegrip van socioloog Henk Becker) en hun eclectische postmodernisme. Maar daarbij past wel de kanttekening dat dit cultboek zich beperkte tot een kleine culturele voorhoede in voornamelijk Amsterdam en omstreken. En dan nog: een cultboek schrijven verheft iemand nog niet tot een schrijver van een generatie, dat deden ook Vals licht en De buitenvrouw niet. Integendeel, naarmate de tijd verstreek zwol de kritiek aan: Zwagerman zou geen thema hebben en geen diep borende romans (durven) schrijven.

In zijn laatste levensjaren werkte het cultboek eerder tegen hem, zoals biografe Vlaar scherpzinnig analyseert. Hij werd een man van het verleden die nog eens mocht praten over de jaren ’80, aan het eind waarvan Gimmick! was verschenen.[x] In de jaren dat hij als duider van beeldende kunst bij televisieprogramma De wereld draait door publiekslieveling was geworden, beklemtoonde Zwagerman regelmatig dat hij al op zijn 23ste had gedebuteerd als romanschrijver terwijl een schrijver dat gemiddeld op zijn 37ste placht te doen. Het had iets wanhopigs, alsof hij wilde bewijzen dat hij, anders dan de debutanten op latere leeftijd, al vroeg een echte schrijver en oeuvrebouwer was.

Hij kon zijn door omstandigheden (de zelfmoordpoging van zijn vader) ‘gevonden’ thema niet relativeren, daarvoor was zijn obsessie behept te zijn met het ‘DNA-gen’ te groot. Die drong al zijn andere onderwerpen – de buitenwijken, de enthousiaste beschouwingen over (vooral) Amerikaanse schrijvers en beeldend kunstenaars – naar de achtergrond. Zijn obsessie was niet onbegrijpelijk: kinderen van zelfmoordenaars schijnen eerder geneigd te zijn zichzelf van het leven te beroven dan anderen. Tragisch is het wel: de talentvolle schrijver die zoveel kritiek kreeg omdat hij een thema zou ontberen vond uiteindelijk een (laatste) thema dat hem fataal werd.


[i] Ronald Giphart, Planeet literatuur (Amsterdam 1998).

[ii] Joost Zwagerman, Door eigen hand, Zelfmoord en de nabestaanden, essays en interviews (Amsterdam 2005)

[iii] Joost Zwagerman, ‘Zeven manieren om nooit meer aan het werk te komen. Schrijvers, hun demonen en fantomen’, in: Pornotheek Arcadië (Amsterdam 2000) 7-25, aldaar 19.

[iv] Joost Zwagerman, Perfect Day en andere popverhalen (Amsterdam 2006)

[v] Vgl. Joost Zwagerman, Het wilde westen. Nederland 2001-2003 (Amsterdam 2003) 39-42.

[vi] Joost Zwagerman, ‘Save us from shotguns & fathers’ suicides’. Du Perron, Berryman, Hemingway en de erfelijke belasting’, in: Het vijfde seizoen (Amsterdam 2003) 310.

[vii] Joost Zwagerman, ‘Styrons duisternis’, in: Americana I (Amsterdam 2013) 530-541, aldaar 537.

[viii] Gijs Beukers, ‘Debuut. Wat zijn dit voor vragen? De keuzen van Ronald Giphart’, in: De Volkskrant, 9 januari 2026.

[ix] Maria Vlaar, De zeven levens van Joost Zwagerman (Amsterdam 2025) 614.

[x] Eva Rensman, ‘De jaren tachtig van Joost Zwagerman’, in: Historisch Nieuwsblad (april 2002): https://www.historischnieuwsblad.nl/de-jaren-tachtig-van-joost-zwagerman/