“Ik laat de keus daarom liever aan jou”. De vriendschap tussen de historici Loe de Jong en Pieter Geyl

Bijna twintig jaar geleden publiceerde ik onderstaand artikel in het Negende Bulletin van de Tweede Wereldoorlog, een uitgave van uitgeverij Aspekt. Het betreft de vriendschap tussen de historici Loe de Jong (1914-2005) en Pieter Geyl (1887-1966). Een belangrijke vriendschap die gedragen werd door wederzijdse waardering en die gebaseerd was op de gedeelde overtuiging dat democratie boven dictatuur ging. En dan niet alleen boven de nationaalsocialistische dictatuur, waaraan De Jong ternauwernood wist te ontkomen en waaronder Geyl vier jaar gevangen zat, maar ook boven de communistische dictatuur die zij als even totalitair beschouwden. In de archieven van Geyl (bewaard in de universiteitsbibliotheek Utrecht) en van De Jong (bewaard in het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie) trof ik correspondentie aan waaruit hun innige verstandhouding bleek. Omdat zij beiden belangrijke historici waren leek het me goed het artikel een tweede maal, ditmaal digitaal, te publiceren.

Op 15 maart 2005 stierf Loe de Jong, 90 jaar oud. Zijn dood was voorpaginanieuws in alle kranten. Het NOS-journaal, NOVA en de commerciële omroepen stonden eveneens uitgebreid stil bij het verscheiden van de historicus. Het fenomeen De Jong passeerde in al zijn hoedanigheden de revue. Er was aandacht voor de auteur van de omvangrijke serie Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, die een monument oprichtte voor het kleine Nederland, overweldigd door een boosaardige bezetter. Voor de mediagenieke directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, die journalisten bespeelde en zo alle aandacht op zijn ‘Geschiedwerk’ wist te vestigen. En voor de ‘scherprechter’ die het oorlogsverleden van Claus von Amsberg onderzocht, CDA-fractieleider Willem Aantjes (foto) als SS-er aanwees en secretaris-generaal van de NAVO Jozef Luns vrijsprak na diens ontkenning ooit lid te zijn geweest van de NSB.

Wat niet aan de orde kwam, waren zijn contacten met historici. De Jong heeft, alleen al ambtshalve als directeur van het RvO (zoals de afkorting jarenlang luidde), veel contacten met vakgenoten onderhouden. Mij interesseert één contact in het bijzonder: dat met Pieter Geyl (foto), tussen 1936 en 1958 hoogleraar algemene en vaderlandse geschiedenis na de Middeleeuwen in Utrecht. Geyl en De Jong scheelden 27 jaar in leeftijd. Toen De Jong in 1914 werd geboren, was Geyl al twee jaar gepromoveerd, vader van een dochter en net gearriveerd in Engeland, waar hij verslag deed van het Engelse thuisfront tijdens de Eerste Wereldoorlog. Na de oorlog zou hij in Londen hoogleraar Nederlandse geschiedenis worden, een functie die hij tot 1935 bekleedde.

Geyl ontwikkelde zich in Engeland tot een geducht polemist. Hij streed op verschillende fronten. Zijn belangrijkste agendapunt was de Groot-Nederlandse gedachte. Nederland en Vlaanderen waren in zijn visie in de 16e eeuw tijdens de strijd tegen de Spaanse overheersing door een combinatie van slim militair optreden van de Spaanse hertog van Parma en de loop van de grote rivieren, waardoor letterlijk een waterscheiding tussen Noord  en Zuid ontstond, van elkaar gescheiden. Drie eeuwen na dato treurde Geyl nog altijd om die scheiding. Die treurnis was nog versterkt door de kortstondige eenheid, die in 1815 onder druk van Engeland werd opgelegd, maar al na 15 jaar als een zeepbel uiteenspatte. Hij startte een vurige polemiek tegen historici, die de scheiding tussen de Nederlandse taalgebieden als onvermijdelijk voorstelden. Vooral protestanten, die de scheiding als een gereformeerde bevrijding van het roomse juk voorstelden, moesten het ontgelden. De historicus Geyl deed in de jaren twintig en dertig ook ijverig aan politiek. Vanuit Engeland bestookte hij bevriende intellectuelen, ambtenaren en het parlement met zijn visie. Met dit ene uitgangspunt: waar mogelijk moest het taalkundig wangedrocht België worden dwarsgezeten.

Op zijn tweede front onthield hij zich van politiek. Schandaal veroorzaakte hij daarover als geschiedschrijver al genoeg. Geyl vormde in het sterk monarchistisch gezinde historisch wereldje een vreemde eend in de bijt. Hij bekritiseerde de Oranjes, die naar zijn zeggen vooral hun dynastieke belangen in het oog hielden, en brak een lans voor de regenten, die oog zouden hebben voor het landsbelang. Met die opvatting bevond hij zich diametraal tegenover de historici van zijn tijd, die juist de Oranjes beschouwden als de hoeders van het nationaal belang. De felle toon van waarop Geyl zijn standpunten uiteenzette, riep weerstand op onder zijn collega’s. ‘Fanatiek en arrogant’, noemde de economisch historicus J.G. van Dillen hem. Johan Huizinga, godfather van de historici, was milder maar had ook zo zijn bedenkingen over Geyls verbaal geweld. Minzaam maar niet mis te verstaan schreef hij Geyl dat ‘er bij U in het algemeen een zekere neiging bestaat, U van krasse termen te bedienen. (…) Daarom klinken mij nog altijd eigenlijk al uw adjectieven een tikje te luid’.[i]

Toen Loe de Jong (foto) in 1932 geschiedenis ging studeren, was Geyl niet meer dan een naam. Diens onderwerpen, laat staan diens polemisch geweld lieten hem koud. De Amsterdammer De Jong studeerde in zijn geboortestad en bleef ook tijdens zijn studie zijn afkomst trouw: afkomstig uit de hoofdstedelijke jodenbuurt, ging zijn belangstelling vooral uit naar de geschiedenis van de arbeidersbeweging. En dan vooral naar het marxisme, die blauwdruk tot bevrijding. In het jaar van zijn afstuderen publiceerde hij het boekje Hedendaags marxisme (1937), waarin wel een kritische toon doorklonk maar dan toch de kritiek van iemand die zijn onderwerp nog niet te boven was. Of en wanneer dat wel gebeurd zou zijn als de oorlog niet zou zijn uitgebroken, is een interessante vraag. Maar de oorlog brak uit en zou het leven van De Jong, zoals bekend, grondig veranderen. Hij ontkwam ternauwernood naar Engeland, terwijl zijn familieleden door de nazi’s werden vermoord.

Alle vooroorlogse gebeurtenissen verbleekten bij dit geweld, zelfs zijn jaren bij De Groene Amsterdammer, waarvan hij in 1938 redacteur werd. De schaarse ontmoetingen met historici vielen zeker in de schaduw. Van zijn leermeesters aan de Universiteit van Amsterdam kon eigenlijk niemand hem werkelijk boeien, zelfs niet de man die vaak zijn leermeester wordt genoemd: economisch historicus N.W. Posthumus (foto), die hij in zijn herinneringen ‘zeldzaam langdradig’ noemde. De anderen waren nog minder in de ogen van De Jong: Hajo Brugmans, die moderne geschiedenis doceerde, was saai en voorspelbaar en oud-historicus David Cohen ‘vervelend’.[ii] De meeste indruk maakte nog de geschiedenisconferentie in huis Woudschoten bij Zeist, die in 1936 werd gehouden en waarbij de ‘grote Drie’ van de Nederlandse geschiedschrijving (Huizinga, Geyl en de marxistisch gezinde goede vaderlander Jan Romein en zijn onafscheidelijke vrouw Annie Verschoor) aanwezig waren. De Jong was nauw bij de organisatie van de conferentie betrokken en moet Geyl daar voor het eerst in levende lijve hebben gezien. Maar van een ontmoeting tussen de gevreesde en bewonderde hoogleraar en de ijverige student was nog geen sprake.

Na 1945 was de conferentie bij Woudschoten hooguit een zoete herinnering aan een wereld die niet meer bestond. Trouwens, ook het Nederlands historisch wereldje was na de oorlog veranderd. Om me te beperken tot de Grote Drie: Huizinga (foto) was dood en Geyl en Romein, die elkaar in Woudschoten nog vriendelijk gezind waren, konden elkaar al snel niet meer luchten of zien. Intellectuele verschillen speelden daarbij een rol: de pragmaticus Geyl, die weinig of geen theorie in zijn geschiedschrijving mengde, verschilde aanzienlijk van systeembouwer en vader van de Theoretische geschiedenis Jan Romein. Maar minstens zo belangrijk was de Koude Oorlog, waarin Geyl de Westerse beschaving verdedigde, terwijl Romein een Derde Weg tussen het communistische oosten en het kapitalistische Westen bepleitte.

Wat van die twee dingen nu belangrijker voor hem was, valt moeilijk uit te maken, maar Loe de Jong lijkt uit Londen te zijn terugkeerd met sympathie voor Geyl. Hun rol in de oorlog had geen rol gespeeld: zowel Romein (foto) als Geyl was ‘goed’, al was Geyl dan letterlijk en figuurlijk wat uitgesprokener geweest tijdens de bezetting. Nee, belangrijker lijkt dat De Jong door de oorlog alle illusies over lijnen en patronen in de geschiedenis overboord had gegooid. De Jong, evenals Geyl een journalistiek talent, kon weinig met de ingewikkeld geformuleerde theoretische geschiedenis van Romein. En nog minder met zijn visie op de Koude Oorlog. Evenals Geyl in 1936, was De Jong in 1945 naar Nederland teruggekeerd als vurig Anglofiel.

Van wanneer de eerste contacten dateren, is niet duidelijk. Aanvankelijk lijken die vooral tot stand te zijn gekomen door Geyls contacten met De Jongs superieuren op het RvO. Zo liet Z.W. Sneller (foto), lid van het directorium van het NIOD, De Jong op 3 januari 1950 informeren of deze geen studenten of bijna afgestudeerde studenten wist die ‘wetenschappelijk werk’ bij het instituut konden doen.[iii] In de jaren die volgden richtte Geyl zich wel eens rechtstreeks tot ‘waarde heer De Jong’ met vragen over gebeurtenissen in de oorlog. Zo informeerde hij op 17 juni 1951 naar een lezing over de oorsprong van het nationaal-socialisme van de Franse historicus Edmond Vermeil.[iv] Kon De Jong daarvan een samenvatting sturen? De ‘hooggeachte professor’ ontving de samenvatting per ommegaande. Het instituut, druk doende het recente oorlogsverleden van Nederland in kaart te brengen, stelde op haar beurt prijs op contact met Geyl, die vele contacten had onderhouden tijdens de bezetting. Die hielden niet halt bij de poorten van Buchenwald en Sint Michielsgestel, waar hij tussen oktober 1940 en februari 1944 gevangen had gezeten.

Omdat de bezetter oogluikend contact toestond met de buitenwereld, bleef Geyl post van buiten ontvangen. Ook van sympathisanten van de Groot-Nederlandse gedachte. Een aantal van hen, onder wie prominenten als de schrijver Anton van Duinkerken, de volkskundige Piet Meertens (foto) en de romanist Marius Valkhoff hadden in 1943 een illegaal pamflet gepubliceerd onder de titel Tien punten der Groot-Nederlandsche Beweging. Daarin werd de oprichting van ‘een Grootnederlandsch koninkrijk’ bepleit. En in één moeite door de opheffing van België. Op 10 september 1943 had Valkhoff Geyl de leiding aangeboden van de nieuwe beweging, die zich het ‘Groot-Nederlands Comité’ noemde. Geyl kon daarop pas enkele maanden (op 21 december 1943) later reageren. Hij wees het leiderschap af en waarschuwde, hoewel in zijn hart nog altijd Groot-Nederlander, tegen het veel te drieste voorstel. De radicaal Geyl, in de jaren twintig nog vurig strevend naar versplintering van België, was realistisch geworden en zag nu hooguit een federatieve toekomst voor België in het verschiet.[v] Die brief zat, ondertekend als ‘G.’, als afschrift bij het exemplaar van het pamflet dat het RvO in haar bezit had. Het hoofd van de afdeling oorlogscollectie Lydia Winkel richtte zich tot Geyl met de vraag hij de ondertekenaar van de brief was. Kon hij bovendien de achtergronden van de brief verduidelijken?[vi] Dat deed Geyl twee dagen later. Hij schreef dat op zijn brief een ontmoeting was gevolgd met leden van het Groot-Nederlandsch Comité, die hij getrakteerd had op ‘een requisitoir’ tegen ‘de gevolgde politiek’.[vii]

De Jong was begin jaren vijftig wel hét aanspreekpunt voor Geyl op het instituut voor Oorlogsdocumentatie, maar echt persoonlijk werd het contact pas toen Geyl De Jongs dissertatie De Duitse vijfde colonne in de Tweede Wereldoorlog besprak. De Jong verdedigde zijn proefschrift op donderdag 5 november 1953. De recensie van Geyl verscheen ruim een week later in Vrij Nederland, waarvoor hij dat jaar voor het eerst boeken besprak, iets dat hij tot aan zijn dood in 1966 zou blijven doen. Geyl was lovend over het proefschrift. Hij noemde het ‘een belangrijk boek, en één dat in de schrijver een zeldzame combinatie van gaven onthult: voortreffelijke vakmethode, brede blik en fantasie, en levendige voorstelling’.[viii] Dat De Jong het bestaan van een vijfde colonne na zorgvuldig onderzoek naar het rijk der fabelen verwees, kon de geschiedschrijver die het als de taak van de historicus zag om ‘mythen op te ruimen’[ix], heel wel bekoren.

Hij had slechts een bezwaar. De Jong had geschreven dat Hitler het produkt was ‘van een historische ontwikkeling van eeuwen’. Geyl zag de machtsovername van Hitler daarentegen als ‘een speling der historie’, veroorzaakt door een rampzalige samenloop van omstandigheden. De Jong erkende de juistheid van die kritiek. Hij schreef ‘waarde Geyl’ dat hij ruimte had moeten bieden aan ‘de factor van het toeval’. De Jong toonde zich verder vooral gevleid door de lof: ‘Zooveel aandacht en zooveel lof van de kant van een ervaren meester in het gilde waaraan ik mijn eerste proefstuk ingeleverd heb, moveert het hart en schenkt het besef dat jaren van ingespannen werken niet vergeefs zijn geweest. Dat heeft mij innig goed gedaan’.[x]

De Jong was cum laude gepromoveerd bij zijn voormalige leraar aan het Vossius gymnasium Jacques Presser (foto). Ook het lid van de promotiecommissie Jan Romein had daarmee ingestemd. Dat belette Romein niet een scherpe kritiek te schrijven in het door hem zelf opgerichte tijdschrift De Nieuwe Stem. ‘Iets lofwaardig vinden is niet hetzelfde als iets voorbehoudloos bewonderen’, schreef Romein. Dat deed hij dan ook niet. Het proefschrift zelf trof geen blaam, de wijze waarop rechts Nederland (waartoe Romein gemakshalve ook premier Willem Drees rekende) met het proefschrift weg liep des te meer. Een deel van de pers concludeerde in de berichtgeving over het proefschrift dat de in Nederland woonachtige rijksduitsers in mei 1940 op geen enkele manier verraad hadden gepleegd. Alle nuances van De Jong waren in de berichtgeving weggelaten, klaagde Romein. De Jong rekende hij ook wel iets aan: hij had teveel scepsis en te weinig verbeelding aan de dag gelegd. Als uit het bronnenonderzoek geen verraad of collaboratie naar voren kwam, hoefde dit toch niet te betekenen dat er geen verraad of collaboratie was? Romein concludeerde in onnavolgbare dialectische zinnen waarop hij het patent had: ‘Uitgetogen om de waarheid te zoeken, heeft hij, tot op zekere hoogte alweer, door zijn deskundigheid verleid, iets gevonden, dat wel een gedeeltelijke, maar niet de gehele waarheid voorstelt. Verliefd geraakt op die gedeeltelijke waarheid, is hij zich ons inziens niet steeds voldoende bewust gebleven van het feit, dat een partiële waarheid ten opzichte der universele werkelijkheid gelijk staat met een partiële leugen’.[xi]   

In het kleine historische wereldje zoemde de aanval rond. Geyl hoorde van de bevriende historici P.J. van Winter en C.D.J. Brandt (foto), die als toezichthouders van het RvO veelvuldig contact hadden met De Jong, dat deze het er niet bij wilde laten zitten en een repliek overwoog. Geyl, die Romeins geschiedopvattingen in die jaren steeds feller attaqueerde[xii], zag al zijn (voor)oordelen over zijn tegenstander bevestigd en kon het niet laten De Jong zijn afschuw over de recensie mee te delen. Hem had, schreef hij, vooral het ‘antiwetenschappelijke’ van de bespreking getroffen: ‘tot elke prijs de legende handhaven, die hij nodig heeft voor zijn politieke hartstocht; en het onderscheid tussen legende en waarheid verdoezelen. Een verderfelijk bedrijf, en de invloed van die man – ik heb het altijd gemeend, maar zie het nu scherper dan ooit – is een gevaar.’[xiii] De Jong was blij met het oordeel van Geyl, dat hij bijna geheel onderschreef. Bijna, want hij wenste de ‘verderfelijke invloed’ die Geyl Romein toeschreef te relativeren. ‘Van invloed op zijn studenten merk ik niet zoveel meer en daarbuiten beperkt zijn verheerlijking zich toch tot de kleine groep van De Nieuwe Stem’ – en zelfs daar bespeurde De Jong onvrede over de recensie.[xiv] Hij kon ook iets goeds melden – maar dan aan een trotse vader. Geyls dochter, C.M. (‘Toos’) Geyl, was begonnen aan een ‘superieure’ vertaling van het proefschrift, dat in 1953 verscheen bij Routledge & Kegan Paul onder de titel The German fifth column in the Second World War.[xv] Geyls reactie op de opdracht aan Toos is niet overgeleverd, maar het laat zich raden dat hij ermee ingenomen was. Hij was het namelijk zelf die Toos bij De Jong had aanbevolen als vertaalster.[xvi]

De directeur en de historicus Loe de Jong maakten zoveel indruk op Geyl dat hij hem eind december 1958 in een nota aan T.S. Jansma, hoogleraar economische geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, op een lijst zette als kandidaat-hoogleraar. Waarom Geyl die nota opstelde, is onbekend. Hij was zelf net een half jaar gepensioneerd, maar pensioen was voor hem geen reden het historisch wereldje met afstand te beschouwen. Het was in Amsterdam een publiek geheim dat Geyls tegenpool Jan Romein al enige tijd kampte met gezondheidsproblemen. In september 1959 nam Romein daarom afscheid als gewoon hoogleraar algemene en vaderlandse geschiedenis na de Middeleeuwen om benoemd te worden tot buitengewoon hoogleraar theoretische geschiedenis. Wie moest hem opvolgen? Geyl wist wel enkele kandidaten. Hij schoof drie kandidaten naar voren: E.H. Kossmann (foto), De Jong en I. Schöffer. Eerstgenoemde was in 1954 gepromoveerd op een Franstalig proefschrift over opstanden in 17e-eeuws Frankrijk, laatstgenoemde twee jaar later op een contemporain onderwerp: het nationaal-socialistische beeld van de geschiedenis der Nederlanden.

Geyl woog de kandidaten zorgvuldig. De Jong schreef hij een ‘waarachtig historische blik, onderscheidings- en ook voorstellingsvermogen’ toe. Daarvan had hij reeds blijk gegeven in de tijdens de oorlog gepubliceerde delen van Je Maintiendrai. ‘Dat half journalistieke werk, vlak op de gebeurtenissen volgend en gebaseerd op bij alle overvloedigheid hoogst onvolledig materiaal, verrast door het inzicht en het afstand nemen.’[xvii] ‘Zuiverder’ waren die kwaliteiten terug te vinden in ‘het meesterlijke proefschrift’, dat, zo haastte Geyl te melden, ook in Engeland en Amerika weerklank had gevonden. De Jong had nog een andere kwaliteit die Geyl hoog waardeerde. Op een bijeenkomst van het Historisch Genootschap in 1958 was hem opgevallen dat De Jong ‘een zeer goed spreker’ was, ‘in staat een gehoor te boeien en van repliek te dienen’. Daarbij had hij als ‘leider’ van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie getoond over ‘ongemene talenten als organisator’ te beschikken. De Jong sprak op die bijeenkomst over de waarde van de parlementaire enquete regeringsbeleid 1940-1945.

Niet vreemd aan de waardering van Geyl zal zijn geweest dat De Jong eindigde met zijn meest gevleugelde gezegde: ook de enquetecommissie had, hoe indrukwekkend ook haar werk, niet het laatste woord. De oorlogsgeschiedschrijving zou als alle geschiedschrijving ‘een discussie zonder einde’ zijn. Je ziet Geyl glimmend van genoegen in de zaal zitten. Toch beroofde hem dat niet van kritische zin. In zijn aanbeveling merkte hij ook op dat De Jong ‘al te uitsluitend op de geschiedenis van de jongste wereldoorlog (was) gespecialiseerd’. De Jong was dan ook niet zijn eerste kandidaat voor de functie. Die behield hij voor aan E.H. Kossmann, die het als wetenschappelijk medewerker in Leiden niet kon vinden met A.J.C. Rüter (foto) en naarstig op zoek was naar een andere baan.[xviii] Kossmann had zich, aldus Geyl, als historicus ‘op een veel ruimer gebied’ bewogen. Wel achtte hij De Jong (‘een man van zijn werkkracht, energie en verantwoordelijkheidsgevoel’) in staat zich ‘te bekwamen voor de nieuwe taak, indien hij daartoe werd geroepen’. Het antwoord van Jansma op de nota is onbekend. Zij doet er ook niet zoveel toe, aangezien noch De Jong, noch Kossmann in die jaren professor werd.[xix]

De waardering die uit de nota voor De Jong sprak, nam in de daaropvolgende jaren alleen maar toe. De Jong was inmiddels uitgegroeid tot een bekende Nederlander. Sinds 1955 was hij medewerker van Vrij Nederland, waarvoor hij beschouwingen over de internationale politiek schreef. Belangrijker waren zijn optredens voor de televisie. Sinds 1957 sprak De Jong eens per maand vroeg in de avond een kort commentaar uit in de VARA-rubriek De wereld van vandaag.[xx] Geyl (foto) volgde zijn optreden goedkeurend, zo blijkt uit een brief die zijn dochter 1 oktober 1959 aan De Jong stuurde en waarin ze de groeten overbracht. Geyl maande haar te zeggen dat hij van De Jongs praatje op zaterdag 19 september 1959 had genoten.[xxi] Langzaam begon de balans in de verhouding wat te schuiven: typeerde De Jong Geyl eerst nogal onderdanig als ‘ervaren meester’, door zijn proefschrift, zijn directeurschap en rol als commentator won hij snel aan zelfvertrouwen en werd de relatie gelijkwaardiger.

Geyl had inmiddels zoveel vertrouwen in De Jong (foto), dat hij hem op 20 april 1960 een opmerkelijk aanbod deed: zou het instituut belangstelling hebben voor kopieën uit zijn archief die betrekking hadden op de oorlogsjaren?[xxii] Wat hem dit aanbod ingaf, is niet duidelijk. Misschien was het zijn spreekwoordelijke ijdelheid. Geyl was immers zonder meer ‘goed’ geweest in de oorlog. Wellicht hoopte hij op een prominente plaats in de Nederlandse oorlogsgeschiedenis, die De Jong, sinds hij in 1955 de opdracht had aanvaard, zou schrijven. Maar er kan ook een nobeler reden aan ten grondslag hebben gelegen: misschien vond de historicus Geyl dat De Jong uit zoveel mogelijk bronnen moest putten en was zijn archief een bron. Dat Geyl over zijn archief begon had in elk geval ook een prozaïsche reden: bij zijn afscheid van de universiteit had Geyl twee secretaresse tot zijn beschikking gekregen, die zijn archief op orde trachtten te brengen. Als wederdienst beloofde Geyl zijn omvangrijke archief af te staan aan de universiteitsbibliotheek Utrecht. Nu hij toch met zijn archief in de weer was, kwam ook De Jong in beeld. Geyl nodigde hem uit langs te komen aan de Willem Barentzstraat 5 in Utrecht, waar hij al sinds zijn benoeming in 1936 woonde.

Dat deed De Jong. Hij nam het aangeboden archief (onder meer over de gijzelaarskampen Beekvliet en Sint Michielsgestel en verscheidene briefwisselingen, onder meer die met het bovengenoemde ‘Groot-Nederlandsch Comité) mee naar het instituut en begon te lezen. ‘Het is zeker van belang dat daar veel van gekopieerd wordt’, schreef hij Geyl enkele maanden later opgetogen.[xxiii] ‘Vooral de verslagen van de discussies in het gijzelaarskamp acht ik van grote historische betekenis: men weet in algemene zin wel veel van de discussies af, maar hier wordt het beeld juist door jouw pakkende details veel levendiger’. Omdat hij graag een overzicht van Geyls oorlogsarchief had, drong De Jong erop aan dat Geyl zo snel mogelijk zou kiezen welke stukken hij graag gekopieerd zou willen zien. Enkele jaren later was het resultaat in Amsterdam terug te lezen: 14 mappen vol correspondentie, dagboekaantekeningen en notities vonden hun weg naar het instituut.[xxiv] Geyl toonde zich verheugd over de belangstelling van De Jong. Hij zou alles dat hij aanbood wel gekopieerd willen hebben, ‘maar jij legt vanzelfsprekend een ander criterium aan dan het persoonlijke. Ik laat de keus daarom liever aan jou’.[xxv] 

De Jong had inmiddels met alle oorlogshelden goed contact. Zo goed dat hij een dreigende aanvaring tussen Geyl en oud-premier Gerbrandy (foto) wist te voorkomen. Op 6 december 1958 had Geyl in Vrij Nederland een recensie geschreven van Drees’ herinneringen aan de bezettingstijd, die dat jaar onder de titel Van mei tot mei waren verschenen. Geyl, die al zijn recensies voor het weekblad bundelde bij uitgeverij De Wereldbibliotheek, nam deze recensie in 1960 op in de tweede bundel Nederlandse figuren. Toen pas kwam de recensie Pieter Sjoerd Gerbrandy onder ogen. Hij struikelde over de laatste zinnen van het stuk, waarin Geyl naar hem uitviel. Gerbrandy zou in februari 1945 gesproken hebben over ‘achterblijvende oude en vooruitstrevende jongere generaties’ – kletspraat volgens Geyl. Gerbrandy was not amused, maar richtte zich niet rechtstreeks tot Geyl. Eerst wilde hij bij zijn vertrouweling De Jong, die hij nog in Londen had meegemaakt en met wie hij nadien goede banden bleef onderhouden, verifiëren wat hij gezegd had. Gerbrandy was bij De Jong aan het goede adres. Inmiddels ondergedoken in het archief-Geyl, kon De Jong hem vertellen dat Geyl diens uitlatingen, gedaan in december 1944 in het bevrijde Eindhoven, toen al geërgerd had genoteerd en becommentarieerd. Geyls bron was toen het Oranje Bulletin geweest. Eind goed, al goed: Gerbrandy schreef Geyl te begrijpen waarom hij zo geïrriteerd was geweest, maar voegde eraan toe dat het Oranjebulletin hem verkeerd had weergegeven.[xxvi]   

Zo raakten De Jong en Geyl steeds meer met elkaar verknoopt. De Jong raakte door zijn studie van het Geyl-archief steeds sterker thuis in het oorlogsverleden van Geyl, terwijl daarnaast de wederzijdse waardering bleef inzake de opstelling tijdens de Koude Oorlog en de geschiedschrijving. Begin jaren zestig stuurde Geyl De Jong twee geruchtmakende artikelen: Toynbee’s answer en Huizinga als aanklager van zijn tijd. Het waren overdrukken van lezingen die Geyl in 1961 voor de afdeling Letterkunde van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen had uitgesproken. De bijdragen hadden een polemische strekking. Die tegen de Britse geschiedfilosoof Arnold Toynbee (foto) zal De Jong niet hebben verrast. Toynbee was al sinds 1945 het zwarte schaap van Geyl. Keer op keer viel hij diens hoofdwerk A Study of History aan als een voorbeeld hoe geschiedschrijving niet zou moeten: volgens Geyl was het niet gebaseerd op grondig bronnenonderzoek en stond het bol van speculaties.

Toynbee, luidde de aanklacht, ging nooit op zijn argumenten in en bleef zich in het gewaad van de ‘profeet’ hullen: ‘He is doing his best to be a historian, but first and foremost he still is a prophet’, heette het even minzaam als hatelijk. De Jong schreef ervan te hebben genoten, al wilde hij over Toynbee ‘niet meespreken’: ‘Die ge­zochte systematiek heeft me zo afgestoten dat ik mij nooit in ’s mans oeuvre verdiept heb – wat me niet verhinderd heeft, met veel instemming de kritieken te lezen. Wie als ik, elke dag opnieuw, ervaart hoe heidens moeilijk het is, te generali­seren over de lotgevallen van een klein volk in een periode van vijf jaar, die krijgt een instinctieve afkeer van alle grandioze systematiek. Dat neemt niet weg dat Toynbee door zijn eenzijdigheid en door zijn fouten een discussie uitgelokt heeft waar de wetenschap wel bij gevaren heeft. Je bent hem verfrissend te lijf gegaan. Ik hoop dat je repliek ook in En­geland en Amerika veel lezers vindt’.[xxvii] 

De aanval op Huizinga moet hem meer hebben verrast. Zoals overigens velen: de verontwaardiging was niet van de lucht toen Geyl de auteur van In de schaduwen van morgen (1935) en het tijdens de oorlog geschreven maar in 1945 postuum gepubliceerde Geschonden wereld tekende als cultuurpessimist, die een vreemde was geworden in zijn eigen tijd. Maar bekomen van de verrassing stemde De Jong van harte in met Geyls oordeel. ‘I could not agree with you anymore’, reageerde hij.[xxviii] Aangestoken door het relaas van Geyl, haalde De Jong herinneringen op aan Huizinga, die zijn goedkeuring evenmin kon wegdragen: ‘De man had schilder moeten worden – hij had in de geest van Floris Ver­ster mooie schilderijen gemaakt. Vond je niet ook zijn boek over Jan Veth een van zijn beste? Mij is de herinnering bijge­bleven van een van de eerste conferenties van studenten in de geschiedenis waar Huizinga sprak en waar hij een beeld gaf van wat hem tot de geschiedenis gebracht had. Dat waren louter aesthetische voorstellingen. Hij sprak er niet van de optocht, voorzover ik mij herinner, maar wel van de Middeleeuwse af­beeldingen van tinnen met kantelen die hij, helemaal er in weggedroomd, natekende. Wat ik van “In de schaduwen van mor­gen” vond, hoef ik wel nauwelijks aan te duiden – je had er niets aan in die moeilijke jaren’.

Hoe Huizinga zo’n wereldvreemde estheet was geworden? In zijn brief aan Geyl mijmerde De Jong hardop over de oorzaken. Hij herinnerde zich Huizinga van die ene ontmoeting in Woudschoten in 1936 als ‘een opvallend gereserveerd en gedistancieerd man’, een gesloten figuur, niet van zins te zoeken naar zijn diepere drijfveren. De Jong zag daarin de reden waarom Huizinga in het interbellum dolende was: ‘Huizinga’s mentaliteit was in het midden van de jaren dertig die van onze AVRO-bourgeoisie die geen raad meer wist met de problemen. Vandaar het succes van de “Schaduwen”, en het moet te denken geven dat Huizinga in geen land meer naam gemaakt heeft dan bij de kleinburgerlijke Zwitsers’. Geyl reageerde per ommegaande, maar ging niet in op De Jongs oordeel over Huizinga. In plaats daarvan ging hij in op het enige verwijt dat De Jong hem had gemaakt. Die vond zijn laatste passage niet geloofwaardig.

In de laatste zinnen van Huizinga als aanklager van zijn tijd had Geyl toch eer bewezen aan de ‘ongemene figuur’ Huizinga. ‘Ik heb niet geschroomd mij ongezouten over hemzelf en de feilen van zijn historische visie te uiten. Ik heb hem daarmee in zekere zin mijn hulde bewezen. Hij laat mij niet onverschillig’. En hij was geëindigd met de zin: ‘wij hebben maar één Huizinga’.[xxix] Volgens De Jong liet Geyl zo weinig heel aan Huizinga ‘dat aan de waardering die je voor hem uit, haast de basis komt te ontvallen. Je slotzin trof me bijna als ironisch, en ik weet dat ze zo niet bedoeld is’.  Hij dacht wel te weten waarom Geyl zijn zoetgevooisde laatste zinnen had geschreven: ‘Ik neem aan dat je rekening hebt willen houden met het milieu waar je sprak en waar het veel brave mensen toch al moeilijk gevallen moet zijn, je kritische opmerkingen te aanvaarden.’ Dat betwistte Geyl echter. Hij had de lof voor Huizinga niet minder gemeend dan zijn kritiek. Hij ontkende zijn lof te hebben uitgesproken ‘uit consideratie voor mijn gehoor’.[xxx]

 Was Geyls aanval op Huizinga een steen in de vijver van de Nederlandse historische wereld, aan de andere kant van de Noordzee speelde zich in 1961 een veel heftiger controverse af. Enfant terrible A.J.P. Taylor had in The Origins of the Second World War de aanval geopend op de zogenoemde ‘Neurenberg –consensus’, waarin uitsluitend Hitler en de nazi’s verantwoordelijk werden gesteld voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Zijn boek brak het debat open. Tot dan toe heerste overeenstemming over de schuldvraag. De enige schuld van Engeland en de rest van Europa was de onderschatting van Hitler geweest. Hadden de staatslieden in de jaren dertig Mein Kampf maar gelezen, dan zouden ze de drang naar wereldheerschappij wel hebben erkend. Hitler werd door Taylor echter afgedaan als een ‘dagdromer’, die zichzelf als ‘meester van de wereld’ zag.[xxxi] In werkelijkheid zou Hitler volgens Taylor een gewoon machtspoliticus zijn, die deed wat iedere staatsman in zijn plaats zou doen: het Verdrag van Versailles herzien. Hij maakte daarbij gebruik van de kansen die de andere mogendheden (Engeland, Frankrijk) hem boden. Hitler was niet op oorlog uit, hoewel hij die niet schuwde. Duitsland en de Westerse mogendheden zouden de oorlog zijn ingerold door in 1939 bij de crisis rond Polen diplomatiek te falen.

Het boek veroorzaakte een storm, precies zoals Taylor (foto) had voorspeld.[xxxii] Hoewel een enkele recensie zijn onorthodoxe kijk op de oorlog waardeerde, oordeelden de meeste critici vernietigend. De meest opvallende kritiek kwam van Hugh Trevor-Roper, een historicus die veel met Taylor gemeen had: een gouden pen, een polemische inslag en een gevoel voor  journalistiek. De verhouding tussen de twee was broos, sinds Trevor-Roper in 1957 professor moderne geschiedenis in Oxford werd en niet de alom (ook door hemzelf) getipte Taylor. Met zijn recensie, die Taylor voorstelde als een onnozel historicus die de demonie van Hitler niet onderkende en dus niets begrepen had van de oorsprongen van de Tweede Wereldoorlog, kwam een einde aan het contact. Loe de Jong, die zijn Geschiedwerk voorbereidde en alles van enige importantie over de Tweede Wereldoorlog trachtte bij te houden, tipte Geyl: ‘Heb je in “Encounter” al gezien hoe Alan Taylor door Trevor Roper aan flarden gescheurd wordt. Geheel verdiend m.i. Het zou heel goed zijn als je in VN hier eens over schreef’.[xxxiii]

Dat Geyl aan die wens gevolg gaf, was niet vanzelfsprekend. Hij was immers al jaren met Taylor, die een grote bewondering voor hem koesterde, bevriend. En om het nog gecompliceerder te maken: hij was niet minder bevriend met Trevor-Roper (foto). Beide Britten deelden zowel Geyls afkeer van Toynbee als zijn voorkeur voor pragmatische geschiedschrijving. Maar waar ieder ander in een recensie de kool en de geit zou sparen, koos Geyl ondubbelzinnig partij. Hij liet niets van het boek heel. Geyl memoreerde zich al eerder kritisch over het werk van Taylor te hebben uitgelaten. Inderdaad: op 23 oktober 1955 recenseerde Geyl een paar boeken, waaronder Taylors biografische studie over Bismarck.[xxxiv] Dat boek viel Geyl mee, al miste hij ‘een orgaan van eerbied, niet tegenover personen, maar tegenover de persoonlijkheid’.

Het viel mee, omdat hij verwacht had er een zelfde virulent anti-Duitse toon in aan te treffen als in The Course of German History. Dit in de oorlog geschreven boek zag in vrijwel alle Duitsers sympathisanten van een Groot-Duits Rijk. ‘Dat boek was toch van een onmiskenbaar anti-Duits vooroordeel bezield’, schreef Geyl.[xxxv] De recensie van The Origins opende met een herinnering aan de gemengde gevoelens, die de geschiedschrijver Taylor bij hem had opgeroepen. Daarna kwam toe aan een waardering van het boek. Zijn oordeel stemde overeen met dat van Trevor-Roper. Die had vooral ingezet op de figuur van Hitler, door Taylor voorgesteld als een gewoon staatsman, die slim gebruik maakte van de kansen die hem waren geboden. Ook Geyl verbaasde zich over deze stelling. ‘Indien Taylor betoogde: Maar Hitler zelf en het nationaal-socialisme waren enkel een nevenprodukt van Versailles; zij waren de gruwelijke verschijningsvormen van gevoelens die uit die “onnatuurlijke” regeling voortkwamen; dan zou ik dat zeker niet zonder meer aannemen, maar ik zou erkennen dat daar iets in zit.

Evenwel, hij is er op uit, zodra hij Hitler moet opvoeren, en heel de rest van zijn boek door, om hem schouderophalend af te doen als een figuur van geen uitzonderlijk slag, een staatsman net als al die anderen, waar ook. Dat is de zucht tot paradox toch waarlijk te ver gedreven’.[xxxvi] Dat Taylor niet inging op de in Mein Kampf ontvouwde plannen tot wereldheerschappij, op de jodenvervolging en de onderdrukking van politieke tegenstanders vond Geyl merkwaardig. Maar dat hij in ‘zijn verslaafdheid aan de puur diplomatieke verwikkelingen’ de appeasement goedpraatte, vond hij absurd. Hij citeerde Trevor-Roper, die in een sarcastische vergelijking tussen Hitler en Sovjetleider Nikita Chroesjtsjov (in 1961 premier en partijleider) de heimelijke doelstelling van Taylor trachtte bloot te leggen: waar de historicus Taylor terugblikkend instemde met de appeasers, zo zou de linkse radicaal en voorstander van eenzijdige ontwapening Taylor voorstander zijn van appeasement tegenover Chroesjtjsov. Geyl eindigde zijn requisitoir (want dat was het) met een impressie hoe Engelse historici over Taylor dachten: ‘briljant, maar onberekenbaar; je kunt hem niet serieus nemen’. Die opvatting had hij vernomen van zijn voornaamste Engelse contact in deze, Trevor-Roper met wie hij regelmatig sprak en schreef.[xxxvii] 

De recensie betekende in dit geval niet het einde van het contact. Integendeel, Geyl zond Taylor zijn recensie toe. Die poogde Geyl nogmaals te overtuigen van zijn visie. Dat lukte niet. Wel slaagde Taylor er in Geyl duidelijk te maken dat hij met zijn revisionisme niet uit was op sensatie maar het boek had geschreven met integere bedoelingen.[xxxviii] Geyl zond de brieven van Taylor door aan Loe de Jong. Die had er geen goed woord voor over: ‘Het is verbazingwek­kend hoeveel nonsens er in staat. Er is nagenoeg geen zin die niet geheel de plank misslaat, maar de man begrijpt ook niets van het vak dat hij beoefent. Hier is een teugelloos op hol geslagen intelligentie aan het werk. Enfin, hij heeft hiermee in serieuze kringen zijn naam, die toch al niet groot was, wel voorgoed vernietigd’.[xxxix]

De toch al goede verstandhouding verdiepte zich toen De Jong Geyl om medewerking vroeg aan het tweede deel van zijn in 1960 begonnen televisieserie De Bezetting. Die ging over de Nederlandse Unie, de beweging die in de zomer van 1940 werd opgezet door het driemanschap dr. J.E. de Quay (foto), mr. J. Linthorst Homan en mr. L. Einthoven. Hoe moest die beweging worden opgevat? Loe de Jong zou als geschiedschrijver later oordelen, dat de grote meerderheid van de tienduizenden die lid van de Nederlandse Unie werden, dat deden uit idealistische motieven: het lidmaatschap zou moeten worden opgevat als een blijk van nationale gezindheid. Het driemanschap zou daarentegen echter een onduidelijk beleid hebben gevoerd dat de bezetter in de kaart speelde.[xl] Bij de samenstelling van De Bezetting kon hij nog niet zelf oordelen maar moest hij dat oordeel aan de kijkers laten. De Jong zocht naar voor- en tegenstanders van de Unie. Die tegenstander vond hij in Geyl.

Wat lag meer voor de hand? Geyl had zich een half jaar tevoren fel gekeerd tegen het aantreden van De Quay als premier in mei 1959. Zijn woede nam nog toe na het lezen van de regeringsverklaring. Daarin legde de premier onder meer uit dat ‘een goede samenleving’ niet zonder ‘de eerbiediging en de bevordering van de vrijheid van de menselijke persoon’ kon. Volgens De Quay moest daarom ‘aan zelfontplooiing in vrijheid een eerste plaats worden gegeven’. Geyl las het met grote ergernis en besloot, zoals altijd wanneer hem iets niet beviel, in de pen te klimmen. Hij stuurde op 30 mei een brief naar Het Vrije Volk (waar hij de regeringsverklaring had gelezen), waarin hij de regeringsverklaring vergeleek met de toespraak die De Quay op 6 augustus 1940 had gehouden op de eerste openbare vergadering  van de Nederlandse Unie. Daarin ging het niet om persoonlijke vrijheid, maar om ‘een stelsel van geleide economie’ onder leiding van Duitsland. De Quay schetste een toekomstbeeld van het arbeidzaam leven in Duits Europa. Allereerst diende de werkloosheid te worden bestreden. ‘Stelregel bij het sociale beleid zij, dat het belang van de gemeenschap gaat boven het belang van een groep of individu. Dit betekent een breken met het individualisme’[xli], citeerde Geyl fijntjes. Het rooms-katholieke weekblad De Linie trad een week later in het krijt voor ‘haar’ premier.[xlii] Het blad sprak van ‘een bekend procédé’ iemand ‘te confronteren met echte of vermeende tegenspraken’. Een politicus kan en moet soms ‘onder verschillende politieke omstandigheden heel verschillende geluiden’ laten horen.

Geyl klom opnieuw in de pen. In Vrij Nederland zette hij omstandig uiteen waarom De Quay nooit premier had mogen worden.[xliii] Hij kwam nogmaals terug op De Quays rede in augustus 1940 en verheelde niet dat die hem destijds sterk had geraakt: ‘Ik herinner mij levendig (…) hoe dát de diepe, schokkende indruk was die de lectuur van die redevoeringen in het verslag van het Handelsblad op mij maakte. Razend maakte het mij. In onze machteloosheid voelde ik mij gehoond en vernederd’. Nadrukkelijk wenste Geyl een onderscheid aan te brengen tussen het Driemanschap (foto) en hun volgelingen. De volgelingen traden toe om een gebaar te maken tegen de NSB; het Driemanschap daarentegen was ‘in hun eigen geest verslagen en verward’ en had de bezetter zo in de kaart gespeeld. Om die reden vond Geyl De Quay als premier niet kunnen: ‘De figuur van de minister-president is een nationaal bezit’. Enigszins bitter constateerde Geyl dat zijn protest door niemand was opgepikt.

Dat was waar, maar Geyl zou dankzij De Jong een jaar later revanche nemen – ditmaal voor de televisie. Loe de Jong was met de Nederlandse Televisie Stichting overeengekomen een serie te maken over Nederland in oorlogstijd. De Bezetting, zoals de serie eenvoudig zou gaan heten, werd tussen 1960 en 1965 in 21 delen uitgezonden. Na aanvankelijk te hebben geweigerd nam De Jong, die het scenario schreef, ook de presentatie voor zijn rekening.[xliv] Nadat het eerste deel, uitgezonden op 6 mei 1960, was gegaan over de opkomst van het nationaalsocialisme en de meidagen van 1940, zou het tweede deel worden gewijd aan de eerste maanden van de bezetting. Omdat daarin de Nederlandse Unie naar voren kwam, lag het voor de hand die te belichten. De Jong trachtte angstvallig ‘objectief’ te zijn en besloot zowel iemand met begrip voor de Unie als een fel tegenstander voor de camera te halen. Die tegenstander kon alleen maar Geyl zijn. De opname ging niet van een leien dakje.

Geyl nam ook in de vier minuten durende opname de gewraakte bijeenkomst De Nederlandse Unie op 6 augustus 1940 tot uitgangspunt van zijn aanval. Wederom nam hij speciaal premier De Quay op de korrel en sprak zijn verwondering uit dat deze het ondanks diens oorlogsverleden zover had kunnen schoppen. De Jong was weinig gelukkig met die aanval. Als Geyl dan toch zijn pijlen wilde richten, dan op het Driemanschap als geheel. Wel zou hij opmerkingen over hun huidige vooraanstaande posities achterwege moeten laten. ‘Ik zei hem dat ik deze programma’s bepaald los wilde maken van de realiteit van nu’. [xlv] Geyl ging akkoord. De opname werd overgedaan. Geyls oordeel was ook in afgezwakte vorm niet mals: ‘Die mannen die zich verbeeld hadden leiding te moeten geven, hadden op een kritiek moment dat uiterst gevaarlijke spel gespeeld van meedoen en compromissen najagen met het aan geen concessies ooit denkende regime. Welmenende lieden, zeker wel, maar hun naïviteit (het vriendelijkste woord dat ik bedenken kan) was verbluffend en zij hebben geen verheffende bladzijde in het boek van onze vaderlandse geschiedenis geschreven’.

De aanval was maar een klein onderdeel van de 75 minuten durende uitzending, die op zaterdagavond 17 september 1960 werd uitgezonden. Maar de aanval van Geyl was wel het opvallende onderdeel van het programma. Toch namen maar weinig kranten aanstoot aan Geyls optreden. Het Algemeen Handelsblad omschreef het onderdeel over de Nederlandse Unie diezelfde avond zelfs als een ‘opvallend hoogtepunt’. Alleen De Telegraaf had zich aan Geyls optreden geërgerd. De krant verdacht de ‘socialistische dr. L. de Jong’ ervan de Nederlandse Unie in een socialistische ‘beklaagdenbank’ te hebben geplaatst: ‘de socialistische professor Geyl zou als aanklager optreden’, waarbij De Jong als ‘rechter’ zou fungeren.[xlvi] Columnist Jacques Gans (foto) deed een dag later ook nog een duit in de zak. De ‘kruiperige’ L. de Jong, die hij tijdens de oorlogjaren in Londen al had meegemaakt als een angsthaas, zou zijn oor hebben geleend aan ‘de verzuurde betweter professor Geyl’.[xlvii]

Geyl, die gretig kranten had gekocht om te kijken hoe er over hem zou worden geschreven, schreef De Jong verbijsterd te zijn door ‘de zo vuige lasterlijkheid en feitenverdraaiing’ van Gans. Maar, haastte hij eraan toe te voegen, hij was er ‘volmaakt onverschillig onder gebleven’.[xlviii] De Jong sprong een week later voor hem in de bres, nadat het katholieke blad De Linie opnieuw de aanval op Geyl opende en daarin ditmaal ook De Jong meenam. Die had ‘de objectiviteit’ geweld aan gedaan door zoveel ‘PvdA-prominenten’ aan het woord te laten. ‘De bijzonder kleurenblinde professor Geyl’ was wel de ergste onder hen.[xlix] De Jong, zeer gehecht aan hoor- en wederhoor, verwierp in een woedende brief met klem dat zijn ‘socialistische achtergrond’ zijn keuzes bepaalde. Geyl, maakte De Jong nog eens ten overvloede duidelijk, had zich al in 1940 tegen de Nederlandse Unie gekeerd en werd in zijn verzet destijds gesteund door antirevolutionairen, liberalen en socialisten.[l]

De ophef over zijn persoon kon Geyl niet deren. Integendeel, hij genoot van ‘zijn’ rel. Vol van zichzelf wilde Geyl ook weten wat het Instituutsbestuur (‘je commissie of bestuur of wat is het precies?’) van de uitzending had gevonden. Het antwoord moet hem zijn tegengevallen: De Jong kon hem slechts melden dat het bestuur de uitzending nog niet bekeken had. De Jong bereidde hem ook een andere teleurstelling: de uitzending werd niet herhaald, zoals met de eerste aflevering wel was gebeurd. Dat speet Geyl zeer: hij had ‘verscheidene mensen’ gesproken die ‘spijt als haren op hun hoofd hadden’ de uitzending niet te hebben gezien.[li]

De samenwerking in het kader van De Bezetting maakte de vriendschap nog intiemer dan hij al was. Geyl was nu sterk onder indruk van De Jong, die hij niet alleen een goed historicus vond maar nu ook had ondervonden als een eigenzinnig regisseur. De Jong deed als historicus iets dat nog niet eerder was vertoond: hij kreeg de ongeschreven status van volksopvoeder. Ook de doorgaans kritische Geyl ontkwam niet aan de betovering die uitging van de historicus die met het krijtje op de beeldbuis zijn duizenden versloeg. Opnieuw trachtte Geyl De Jong op te stuwen in de vaart der wetenschap. In 1963 droeg hij hem voor als lid van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen, al ontkende hij ietwat koket verantwoordelijk te zijn voor de voordracht.[lii] Hoe vereerd De Jong ook was, hij voelde zich de eerste keer als ‘een kat in een vreemd pakhuis’, een gevoel dat ook nadien niet zou verdwijnen.[liii] Wel toonde De Jong zich hier onmiddellijk de organisator die ook hij ook op zijn eigen instituut was: hij stelde zijn medeleden voor het postpapier van de KNAW (waaraan ‘elke distinctie vreemd was’) te laten veranderen door een modern graficus. Van zijn vriend Geyl, die een broertje dood had aan alles dat naar organisatie rook, kwam ditmaal geen reactie.

Geyl dacht steeds vaker terug op de oorlog. Tijdens zijn verblijf in St. Michielsgestel had hij zijn memoires tot zijn arrestatie op 7 oktober 1940 geschreven. Omdat hij de bronnen toen niet bij de hand had, was Geyl in de laatste jaren van zijn leven druk doende fouten te corrigeren en nieuwe inzichten toe te voegen.[liv] In dat kader richtte hij zich nogal eens tot De Jong met vragen over gedragingen van Nederlanders na de Duitse inval. Tegenover De Jong filosofeerde hij hardop of hij de zogenaamde Ariërverklaring, die op 5 oktober 1940 werd uitgevaardigd, zou hebben ondertekend, als hij niet twee dagen later gevangen was genomen. De Ariërverklaring werd voorgelegd aan alle ambtenaren en was een eerste aanzet om joden van niet-joden te onderscheiden. ‘Zou ik het ook gedaan hebben? Ik kan het haast niet geloven, en toch: ik ben niet op de proef gesteld’.[lv] Trouwhartig en geruststellend schreef De Jong terug dat ‘er nog geen tien weigeraars’ konden worden geteld en dat ‘ook uit Joodse kringen’ op tekenen was aangedrongen.[lvi]

Geyl was nu een oude man. Iemand met weliswaar aanzien, maar niet meer met de werkkracht van voorheen. De Jong verkeerde daarentegen in de bloei van zijn leven en genoot prestige als ‘televisiepersoonlijkheid’. Geyl zocht nu nadrukkelijk het contact. Na het vijfde het afsluitende deel van De Bezetting op 5 mei 1965 schreef hij De Jong nog eens hoe hij zeer hij weer had genoten: ‘Ik voel de behoefte dubbel sterk, omdat dit de laatste maal was. Het is alles bijeen een grote prestatie geweest’.[lvii] De Jong zocht op zijn beurt steun bij geestverwant Geyl, nu hij in hun gezamenlijke weekblad (Vrij Nederland) met zijn ‘rechtse’ buitenlandse overzichten steeds meer geïsoleerd raakte in het op drift geraakte linkse weekblad. ‘Ik voel me soms akelig eenzaam in dit blad maar blijf vertrouwen’, schreef hij Geyl. Die schreef hem aanmoedigende brieven: hij, De Jong, moest vooral de Amerikaanse interventie in Vietnam blijven verdedigen. Geyl snakte naar een ontmoeting met De Jong, met wie hij wel eens een kop koffie in ‘Kras’ (hotel restaurant Krasnapolsky in Amsterdam) dronk. Maar hij had weinig hoop op een ontmoeting, aangezien De Jong wel te druk zou zijn.

En inderdaad: het kwam er in die zomer van 1965 niet van. Geyl lag een maand later in het ziekenhuis. Vandaar uit bleef hij De Jong bestoken, vooral over de al te linkse koers van Vrij Nederland. De Jong praatte hem bij over zijn contacten met het koninklijk huis. Hij toonde zich onder de indruk van de televisie-uitzending op maandag 28 juni 1965, waarin de verloving tussen prinses Beatrix en Claus von Amsberg werd bekendgemaakt: ‘Beatrix en Von Amsberg hebben een lange veldtocht voor zich om het vertrouwen van ons volk te winnen; ze hebben in de eerste slag, naar het mij lijkt, een glansrijke overwinning behaald, juist door hun volstrekte openhartigheid. Bij velen stak, naar mijn smaak, in de vijandige reacties een groot stuk fariëzisme (“wat zijn wij verschrikkelijk goed geweest”) en ook een dosis ordinaire Moffenhaat waarmee ik niets beginnen kan en waar ik de uitzendingen van De Bezetting vrij heb weten te houden’.[lviii] Helaas is hierop geen antwoord van Geyl bewaard, maar aangenomen mag worden dat Geyl, hoewel ‘republikein in mijn hart’[lix], het met De Jong eens was. Na de oorlog keerde hij zich fel tegen de anti-Duitse stemming in Nederland. En niet alleen in Nederland, zoals zijn voornoemde kritiek op A.J.P. Taylor duidelijk maakt.

Zo ging het contact nog bijna anderhalf jaar door: Geyl, die aandrong op ontmoetingen en De Jong die welwillend de boot afhield, maar geen tijd had om met Geyl af te spreken. Of moet je zeggen: zich geen tijd gunde? Het laatste contact dateert van 16 december 1966. De Jong schreef Geyl tot buitengewoon hoogleraar in de geschiedenis van de jongste tijd aan de Economische hogeschool te Rotterdam zijn benoemd. Ook Geyl had daar een buitengewoon professoraat bekleed: tussen 1936 en 1946 was hij in Rotterdam aangesteld om algemene geschiedenis te onderwijzen. ‘Ik zal bij de eerste aanvang van de nieuwe cursus beginnen en uit mijn oratie zal blijken’, schreef De Jong, ‘dat ik het als een eer beschouw, op een plaats te komen die eertijds door jou ingenomen werd. Ik bel je spoedig weer op om te zien of ik langs kan komen’. Het zou er niet meer van komen: op de laatste dag van 1966 stierf Geyl, 79 jaar oud. Daarmee kwam een abrupt einde aan een steeds intiemere vriendschap, die verborgen bleef voor de buitenwereld.

Geyl heeft nooit kennis kunnen nemen van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, dat tussen 1969 en 1988 in 13 delen en 27 banden verscheen. E.H. Kossmann heeft eens berekend dat teruggegaan moet worden tot de 18e eeuw om een auteur te vinden die net zoveel geschreven heeft als Loe de Jong. Alleen Jan Wagenaar, schrijver van onder meer de twintig delen tellende serie Vaderlandsche Historie komt enigszins in de buurt van De Jong. Van de ‘grote drie’ van de Nederlandse geschiedschrijving in de twintigste eeuw legt Huizinga het naar omvang van zijn werk als eerste af.

Maar ook Romein en Geyl kunnen zich in kwantiteit niet meten met De Jong. En dat zegt wat, want zeker Geyl leefde met de pen in de hand. Zijn bibliografie telt meer dan duizend titels. Voor de schrijfdrift van De Jong zou Geyl zeker waardering hebben gehad. Maar zou hij het werk zelf waarderen of, in navolging van H.W. von der Dunk (de leerling die zoveel met hem gemeen heeft, foto) oordelen dat De Jongs geschiedwerk ‘meer aan bestaande opvattingen en sentimenten appelleert, dan dat het nieuwe diepere inzichten vrijmaakt’? Gezien hun verhouding lijkt het waarschijnlijk dat Geyl toch positiever zou oordelen. Niet slechts omdat hij gevoelig was voor de ‘volksopvoeder’ De Jong of als direct betrokkene alles zou willen weten over ‘zijn’ oorlog, maar ook omdat hij de rasverteller De Jong, die het midden hield tussen journalistiek, kroniek en geschiedschrijving, vermoedelijk wel zou waarderen.

Daarmee zijn ook enkele overeenkomsten tussen de twee genoemd. Zowel Geyl als De Jong begonnen als journalist en schuwden de actualiteit niet: waar de een zich na 1945 via recensies en polemieken in de Koude Oorlog manifesteerde, trad de ander op als buitenlandcommentator, zowel in Vrij Nederland als voor de televisie. Beiden schreven glashelder proza, vrij van franje, zij het niet van een zekere koketterie in woordkeus (het steeds terugkerende ‘vrijwat’ bij Geyl; ‘welnu’ bij De Jong).[lx] Verschil was er ook: Geyl was geen contemporain historicus. Zijn tijd lag voor de 20e eeuw. De Jong daarentegen is nooit anders dan een historicus van zijn eigen tijd geweest. Er komt iets bij: Geyls werk is veel sterker polemisch getint dan dat van De Jong. Er bestaat over het werk van De Jong een rare misvatting, die na zijn dood breed werd uitgemeten: De Jong zou een strenge moralist zijn, een zwart-wit denker, met onvoldoende oog voor grijstinten. In 2001 heeft historicus Chris van der Heijden een heel boek (Grijs verleden) aan dit misverstand gewijd.

In werkelijkheid was De Jong een geschiedschrijver, die het gewonde Nederland zoveel mogelijk met zichzelf trachtte te verzoenen en daarom waar mogelijk de nuance zocht en de grijstinten (dus) juist niet uit de weg ging. Heel anders dan Geyl kan De Jong een nationalist worden genoemd: het bruut overvallen Nederland moest via zijn geschiedwerk lessen trekken uit het verleden en zijn eigen kracht in een veranderd Europa hervinden. Geyls nationalisme was kritischer en ambitieuzer. Geyl wilde Nederland niet met zichzelf verzoenen, hij wilde het tot leven wekken om te zien naar andere Nederlandstalige volkeren, in de eerste plaats de Vlamingen. Maar bij al zijn heftigheid was Geyl gematigd, een liberaal van de oude stempel, open voor debat, al gaf hij zijn mening dan niet snel prijs. Daarmee kwam hij dicht bij De Jong. Want die mocht dan een verzoenend geschiedschrijver zijn – hij was bij tijd en wijle ook een fel temperament, die scherp kon zijn als iets hem niet aanstond. En De Jong hield al even hardnekkig vast aan een ingenomen standpunt.[lxi]

De Jong en Geyl koesterden bovenal een gedeeld wereldbeeld: beiden waren overtuigd agnost, beiden geloofden in liberale, pragmatische geschiedschrijving – ook al gingen deze leden van de Partij van de Arbeid dan voor ‘socialist’ door. Gezien de geestelijke verwantschap is het geen wonder dat De Jong zijn werk afsloot met een Epiloog (deel 12), waarin hij verwees naar Geyls beroemdste gezegde: ‘Geschiedschrijving is een discussie zonder eind’. Historicus Jan Bank oordeelde daarover kritisch: ‘De Jong moge dan voortdurend het woord van de historicus Geyl aanhalen, dat de geschiedenis een discussie zonder eind is, aan het eind van zijn betoog gekomen raffelt hij de laatste antwoorden af’.[lxii] Misschien heeft Bank gelijk, maar hij mist de diepe verwantschap die uit De Jongs aanhaling van het citaat spreekt. Voor De Jong gold, evenals voor Geyl, dat hij bij alle persoonlijke ijdelheid (die was De Jong net zo min vreemd als Geyl, al kon hij zijn ijdelheid beter verbergen) besefte een schakel te zijn in een nooit eindigende geschiedenis. Een geschiedenis, waarin niet alleen telkens nieuwe hoofdrolspelers het toneel betreden, maar ook steeds nieuwe geschiedschrijvers opstaan die hun eigen vragen blijven stellen en hun eigen antwoorden blijven formuleren. Het is die ten diepste heidense, stoïcijnse notie van vergankelijkheid die de romantisch getinte rationalisten Pieter Geyl en Loe de Jong verbond – hoe groot ook hun leeftijdverschil en hoe anders ook hun ervaringen.


[i] Huizinga aan Geyl, 14 juni 1933. Geciteerd in: Léon Hanssen e.a. (red.) J. Huizinga. Briefwisseling II. 1925 – 1933 (Utrecht-Antwerpen 1990) p. 464

[ii] L. de Jong, Herinneringen I (Den Haag 1993) p. 47 – 48

[iii] NIOD, Correspondentiearchief, 3 januari 1950. Een antwoord is niet bewaard gebleven, wat er op duidt dat Geyl niet al te hard gehoor heeft gegeven aan het verzoek.

[iv] NIOD, Correspondentiearchief, onderdeel service particulieren,17 juni 1951

[v] Vgl. P. van Hees en A.W. Willemsen (red.) Geyl en Vlaanderen (Antwerpen/Amsterdam 1975), p. 205 – 217. De achtergronden van het initiatief zijn geschetst door P. van Hees, ‘Een Grootnederlands document uit 1943’, in H.F. Hofman e.a. (red.) Uit bibliotheektuin en informatieveld. Opstellen aangeboden aan dr. D. Grosheide bij zijn afscheid als bibliothecaris van de Rijksuniversiteit Utrecht (Utrecht 1978) p. 96 – 109

[vi]; NIOD, Correspondentiearchief, onderdeel illegale bladen, 3 augustus 1952

[vii] idem, 5 augustus 1952

[viii] P. Geyl, De vijfde colonne, waan en werkelijkheid’, in: Vrij Nederland, 14 november 1953

[ix] P. Geyl, ‘Terugblik’, in: Studies en strijdschriften (Groningen 1958) p. 500

[x] Universiteitsbibliotheek Utrecht, archief P. Geyl. XIII Correspondentie met Nederlandse historici, map 15 (1951-1953). L. de Jong aan Geyl, 11 november 1953

[xi] Jan Romein, ‘Misbruik van wetenschap’, in: De Nieuwe Stem 8 (1953) p. 725 – 729

[xii] Vgl. onder meer: ‘Twee historici en hun vak’, in: P. Geyl, Tochten en toernooien (Utrecht 1950) p. 154 – 166 en ‘Romein en de geschiedenis’, in: P. Geyl, Reacties (Utrecht 1952) p. 241 – 257

[xiii] Archief Geyl, XIII Correspondentie met Nederlandse historici, map 15 (1951-1953). Geyl aan L. de Jong, 15 januari 1954

[xiv] idem, De Jong aan Geyl, zonder datum. In zijn Herinneringen, II, p. 81 schrijft De Jong dat Romeins recensie diens academische aanzien beschadigde. Romein zou geen lid van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen hebben kunnen worden. Geyl zou daarbij de onbekookte aanval op De Jongs proefschrift in stelling hebben gebracht.

[xv] De Jong had nog voor de verdediging van zijn proefschrift twee door Toos Geyl vertaalde hoofdstukken toegezonden naar Chicago, waar een Engelstalige editie zou verschijnen bij Chicago University Press. Op 20 juli 1953 schreef hij Toos Geyl dat die hoofdstukken ‘met enthousiasme’ waren ontvangen. De Jong zou Toos Geyl steeds op de hoogte houden van het gunstige oordeel van meelezers van haar vertaling, zo bijvoorbeeld op 26 maart 1954 nadat hij van professor Alexander J. Morin een brief met lof had ontvangen. Hij gaf die door aan Toos Geyl en schreef bij wijze van aanmoediging: ‘Ik hoop dat dit oordeel U helpt bij de laatste ronde!’ Brieven in bezit van Wim Berkelaar, met dank aan Myra Hendrikse-Ouweleen, dochter van Toos Geyl.

[xvi] Volgens mondelinge mededeling van Myra Hendrikse-Ouweleen op 12 september 2005. Toos Geyl had na terugkeer in Nederland Engels gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. Volgens Myra Hendrikse was de vertaalopdracht aan haar moeder niet ongewoon: ze vertaalde ook voor andere historici, onder meer voor het lid van het directorium van het RvO, de Groningse historicus P.J. van Winter. Toos Geyl bleef in de jaren vijftig lezingen en artikelen van De Jong vertalen, zo blijkt uit het correspondentiearchief van het NIOD. Ook vertaalde ze De Jongs televisiescenario De overval (1962). Volgens opgave van haar dochter stopte Toos Geyl nadat ze wetenschappelijk medewerker Engelse taal- en letterkunde aan de universiteit van Leiden was geworden en de inkomsten van het vertalen niet meer nodig had.

[xvii] Archief Geyl, XIII Correspondentie met Nederlandse historici, map 18 (1958) Nota van Geyl aan Jansma, 14 en 17 december 1958.

[xviii] Vgl. E.H. Kossmann, Familiearchief. Notities over voorouders, tijdgenoten en mijzelf (Amsterdam 1999), p. 123

[xix] Romein werd opgevolgd door Jacques Presser. De promotor van Loe de Jong was van 1947 tot 1959 lector en hoogleraar nieuwste geschiedenis.

[xx] Henri Beunders, ‘Van “Dr. L. de Jong” tot  “Zeg maar Loe” – de macht van de moderne media’, in: De Keizer (red.) Een dure verplichting,  p. 151

[xxi] NIOD, Correspondentiearchief, I, Toos Geyl aan L. de Jong, 1 oktober 1959

[xxii] NIOD, Correspondentiearchief, afdeling V geschiedenis, Geyl aan De Jong, 20 april 1960

[xxiii] NIOD, Correspondentiearchief, afdeling V geschiedenis, De Jong aan Geyl, 3 juni 1960

[xxiv] In het NIOD zijn ze tegenwoordig terug te vinden onder archiefnummer 212.

[xxv] NIOD, Correspondentiearchief, afdeling V geschiedenis, Geyl aan De Jong, 4 juni 1960

[xxvi] NIOD, Correspondentiearchief, V geschiedenis. Afschrift brief P.S. Gerbrandy aan Geyl, eind juli 1960

[xxvii] Archief Geyl, XIII Correspondentie met Nederlandse historici, map 20 (1961-1962). Brief L. de Jong aan Geyl, 29 juni 1961

[xxviii] Idem.

[xxix] Geciteerd in: Pieter Geyl, Verzamelde opstellen 3 (Utrecht/Antwerpen 1978) p. 244

[xxx] Archief Geyl, XIII Correspondentie met Nederlandse historici, map 20 (1961-1962). Brief Geyl aan L. de Jong, 30 juni 1961

[xxxi] Geciteerd in de Nederlandse vertaling De oorsprongen van de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam 1962) p. 70

[xxxii] Vgl. Adam Sisman, A.J.P. Taylor. A Biography (Londen 1994) p. 294

[xxxiii] Archief Geyl XIII Correspondentie met Nederlandse historici, map 20 (1961-1962). Brief L. De Jong aan Geyl, 29 juni 1961

[xxxiv] A.J.P. Taylor, Bismarck: The Man and the Statesman (Londen 1955)

[xxxv] P. Geyl, ‘Bismarck en Gladstone: groot contrast. Twee grote staatslieden uit de 19e eeuw’, in: Vrij Nederland, 22 oktober 1955

[xxxvi] P. Geyl, ‘Hitler een staatsman als zoveel anderen’, in: Vrij Nederland, 22 juli 1961

[xxxvii] Archief Geyl, Engelse correspondentie, map 38 (1960-1961) H.R. Trevor-Roper aan Geyl, refererend aan een eerder gesprek, op 31 mei 1961: ‘I entirely agree about Taylor’. Trevor-Roper kondigt in de brief zijn artikel aan, dat in Encounter zal verschijnen.

[xxxviii] Vgl. Archief Geyl, Engelse correspondentie map 38 (1960-1961) Brief van Taylor aan Geyl, 9 september; Geyl aan Taylor, 20 september en Taylor aan Geyl, 28 september 1961

[xxxix] Archief Geyl, XIII Correspondentie met Nederlandse historici, map 20 (1961-1962). Brief Loe de Jong aan Geyl, 9 oktober 1961

[xl] Vgl. L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, dl. 4 (mei ’40 – maart ’41) en dl. 5 (maart ’41 – juli  ’42)

[xli] Geciteerd bij Geyl in Het Vrije Volk, 30 mei 1959

[xlii] De Linie, 6 juni 1959

[xliii] Vrij Nederland, 18 juli 1959

[xliv] De totstandkoming van De Bezetting is voortreffelijk beschreven door Chris Vos in Televisie en Bezetting. Een onderzoek naar de documentaire verbeelding van de Tweede Wereldoorlog in Nederland (Hilversum 1995) p. 76 – 114

[xlv] L. de Jong, Herinneringen II (Den Haag 1996) p. 181

[xlvi] De Telegraaf, 19 september 1960

[xlvii] De Telegraaf, 20 september 1960. Over Jacques Gans en zijn verhouding tot Loe de Jong zie: Willem Maas, Jacques Gans. Biografie (Amsterdam 2002), p. 150 – 158

[xlviii] NIOD, Correspondentiearchief, VII Televisie-uitzending. Brief Geyl aan Loe de Jong, 26 september 1960

[xlix] De Linie, 23 september 1960

[l] NIOD, Correspondentiearchief, VII Televisie-uitzending. Afschrift brief De Jong aan De Linie, 27 september 1960

[li] NIOD, Correspondentiearchief, VII Televisie-uitzending. Brief Geyl aan De Jong, 6 oktober 1960 en antwoord van De Jong, 8 oktober 1960

[lii] Archief Geyl, XIII Correspondentie met Nederlandse historici, map 23 (1963-1966). Brief P. Geyl aan Loe de Jong, 7 mei 1963

[liii] Archief Geyl, XIII Correspondentie met Nederlandse historici, map 23 (1963-1966). Brief  Loe de Jong aan P. Geyl, 12 juni 1963. Vgl voor zijn latere indrukken het tweede deel van zijn Herinneringen, p. 225.

[liv] De memoires zijn nooit verschenen. Leen Dorsman, Pieter van Hees en ondergetekende hopen binnen afzienbare tijd een geannoteerde versie te publiceren.

[lv] Archief Geyl, XIII Correspondentie met Nederlandse historici, map 23 (1963-1966). Brief P. Geyl aan Loe de Jong, 6 november 1964

[lvi] Archief Geyl, XIII Correspondentie met Nederlandse historici, map 23 (1963-1966). Brief  Loe de Jong aan P. Geyl, 10 november 1964

[lvii] Archief Geyl, Archief P. Geyl. XIII Correspondentie met Nederlandse historici, map 23 (1963-1966). Brief P. Geyl aan Loe de Jong, 5 mei 1965

[lviii] Archief Geyl, XIII Correspondentie met Nederlandse historici, map 23 (1963-1966). Brief  Loe de Jong aan P. Geyl, 29 juni 1965

[lix] Aldus Geyl in een recensie van de autobiografie Eenzaam maar niet alleen van prinses Wilhelmina op 14 februari 1959

[lx] Vergelijk de spot van W.F. Hermans, die zich vermaakte met het woord ‘welnu’ bij lezing van De Jongs magnum opus. Zie zijn Houten leeuwen en leeuwen van goud (Amsterdam 1979) p. 251

[lxi] Vgl. hiervoor Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 14: Reacties (Amsterdam 1989), waarin historicus Peter Romijn voortreffelijke samenvattingen geeft van de discussies in de begeleidingscommissie. Daaruit komt naar voren dat De Jong op wat hem betreft ondergeschikte punten toegeeflijk is, maar voet bij stuk houdt op punten die hij van belang acht.

[lxii] Jan Bank in de Volkskrant van 22 november 1988, geciteerd in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 14: Reacties, p. 1040.