Een woord dat aan inflatie onderhevig is. Een voortreffelijke nieuwe studie van Mark Mazower: “Over antisemitisme”.

Zelden is een boek zo welkom geweest als het nieuwste boek van de Britse historicus Mark Mazower, eerder auteur van uitstekende boeken als Duister continent en Hitlers wereldrijk. Met Over antisemitisme. De geschiedenis van een woord schreef hij een uitermate belangrijke studie over een begrip dat in de geschiedenis nooit statisch is geweest en vooral de laatste decennia een heel nieuwe invulling heeft gekregen, vooral sinds het ontstaan van de staat Israël dat recent een heel eigen, omstreden invulling aan het begrip antisemitisme geeft – daarin veelal gesteund door Amerikaanse Joden en christenen. Mazower oordeelt daarover kritisch in zijn studie, een schoolvoorbeeld van geleerdheid en nuance.

Het is een vreemd idee nu we de hele dag horen en spreken over antisemitisme terwijl dat woord pas vrij recent in de geschiedenis gemunt is en wel in de 19e eeuw. De geschiedenis kan sinds de 19e eeuw nauwelijks beschreven worden zonder dat het begrip antisemitisme valt: de Dreyfus-affaire in Frankrijk, de anti-Joodse geschriften van Edouard Drumont (foto), de pogroms in Rusland, de antisemitische oprispingen in dat land tijdens de burgeroorlog tussen de Roden en de Witten.

En dat was nog niets vergeleken met de breuk in de beschaving die de machtsovername van Hitler en zijn nazi’s zou vormen. Zoals Mazower terecht constateert: na 1933 sprak iedereen over de joden en vormden ze het middelpunt van de geschiedenis, met rampzalige gevolgen. Hij citeert Hannah Arendt, die schreef dat die obsessie met het jodendom ‘een belediging van het gezond verstand’ was.

In de eeuwen ervoor was er al veel Jodenhaat, maar die was – en het wordt graag vergeten door christenen die nu zo voor Israël ijveren – voornamelijk christelijk van kleur. Het ging hier om haat tegen de eerstgeboren godsdienst, het Jodendom, en het ongemak dat de Bijbel een volledig Joods geschrift is en Messias Jezus een Jood.

Mazower houdt het kort over de eeuwen voor de 19e eeuw maar verheelt niet dat dit christelijke antijudaïsme eeuwenlang bepalend was. Dat klonk zelfs door bij de herauten van de Verlichting. Zie hoe hardvochtig Voltaire (afbeelding) (niet genoemd door Mazower) zich over Joden uitliet, in het bijzonder over de Joodse godsdienst, hoewel ook niet veel vriendelijker over het christendom.

Niettemin: de Verlichting bracht wel maatschappelijke en staatkundige emancipatie. Maar, zo constateert Mazower terecht, die emancipatie zorgde wel voor een heftige antisemitische reactie. Joden werden beschouwd als liberalen en – om een moderne term te gebruiken – als globalisten zonder vaderland. Van links, van Karl Marx (zelf van joodse komaf), kwam daar een verwijt bij: joden zou handlangers van het kapitaal zijn.

En wat bleef: kritiek van christelijke zijde, speciaal van predikanten als (in Duitsland) Adolf Stöcker en (in Nederland) Abraham Kuyper (foto). Zij moesten niets hebben van het ‘joodse’ liberalisme dat de pers zou beheersen – klassiek antisemitisme, voortbouwend op eeuwen antijudaïsme in een nieuw jasje. Beiden blijven in het boek van Mazower, dat toch al veel antisemieten telt, ongenoemd. Wel genoemd wordt de theoloog Bruno Bauer, zeer sceptisch over de Bijbel en zeer negatief over joden.

Naarmate de emancipatie van de joden in Europa vorm kreeg werden de tegenstemmen steeds heftiger. De Duitse journalist Wilhelm Marr, schrijver van het giftige pamflet Der Sieg des Judenthums über das Germanenthum (1879), voegde de daad bij het woord door een ‘antisemietenliga’ op te richten. Tien jaar later gevolgd door de Ligue Antisémitique de France van genoemde Drumont: de Jodenhaat kreeg niet alleen publicitair maar ook in organisaties vorm.

En toch ging de emancipatie door, apart genoeg tot uitdrukking komend in de elkaar bestrijdende legers tijdens de Eerste Wereldoorlog, waarin Joden hun plaats hadden en vochten voor hun respectievelijke vaderlanden. Maar toen verlies dreigde voor Duitsland werden de joden direct weer tot ‘Vaterlandslose Gesellen’ gedegradeerd.

Na de Vrede van Versailles, schijnbaar een triomf voor de liberale wereld, nam het antisemitisme weer toe. Hitler (foto), de antisemiet aller antisemieten, gaf een brutaal staaltje van Jodenhaat toen hij in september 1919 schreef dat het afgelopen moest zijn met het ‘gevoelsmatige’ antisemitisme en een ‘planmatige’ verdrijving van de joden noodzakelijk was. Nog geen jaar later trad hij in het openbaar op in een bierhal in München met een toespraak onder de titel ‘Waarom wij antisemieten zijn’. Het eeuwenoude christelijke antisemitisme dat – hoe kwalijk ook – joden nog een kans gaf zich te bekeren maakte plaats voor een biologisch racisme dat joden kansloos liet en liep vooruit op de massamoord die in de Tweede Wereldoorlog volgde.

Maar zover was het nog niet. Met de komst van het zionisme, gemarkeerd door de publicatie van Theodor Herzls Der Judenstaat (1896), ontstond er een wonderlijke maar misschien ook verklaarbare hang van antisemieten naar het zionisme: als de joden een eigen staat hadden, waren ze tenminste verdwenen uit Europa. Ook de meest verklaarde antisemieten, de nazi’s, koersten aanvankelijk op dit plan door Joden te willen deporteren naar Madagaskar. Er kwam door de oorlog niets van dit plan maar het geeft aan hoe ver dit denken ging: als Europa maar ‘Judenfrei’ was…

De Balfour-verklaring (1917), die de joden een ‘nationaal tehuis’ in Palestina beloofde, was overigens eveneens dubieus. De Britse minister Balfour (foto) meende als typisch Europese koloniaal dat een instroom van joden goed zou zijn voor het zedelijke en intellectuele peil van Palestina dat hij vooral bevolkt zag door achterlijke barbaren. De miskenning van de daar toen al wonende Arabieren zat er al vroeg in en zou nooit meer helemaal verdwijnen.

Maar Arabieren waren niet in tel destijds. In het Interbellum, zeker in de duistere jaren 1933-1945, speelden zij voor de Europese grootmachten die ook het beleid in de Arabische wereld bepaalden, hooguit een rol op het zijtoneel. De nazi’s maakten van Jodenhaat staatszaak en plaatsten ‘het joodse vraagstuk’ in het middelpunt van de belangstelling en daaruit is het nooit meer verdwenen, zeker (en begrijpelijk) na de massamoord tussen 1941 en 1945.

In heel de wereld was en werd de Holocaust een thema maar tot circa 1967 opmerkelijk genoeg niet in Israël. Het land, de politieke leiding (David Ben-Gurion, foto) voorop moest weinig hebben van Holocaust-slachtoffers. De staat Israël wenste als krachtig te worden beschouwd, niet als kwetsbaar. En hoewel er tijdens het proces tegen Adolf Eichmann, een van de organisatoren van de Holocaust, veel slachtoffers aan het woord kwamen, was het proces voor Israël een kans om haar kracht te tonen en niet minder haar geheugen: misdadigers als Eichmann moesten weten dat ze niet ongestoord konden moorden – tevens een waarschuwing aan eigentijdse antisemieten.

Opmerkelijk genoeg rekende Ben-Gurion de Israël omringende Arabieren niet tot de antisemieten. Hij verklaarde hun afkeer van Israël uit politieke motieven: dat de Joden zich na tweeduizend jaar ballingschap met goedkeuring van de Westerse wereld weer hadden gevestigd in Palestina was de ware reden van hun haat.

De staat Israël kon na de stichting in 1948 op heel wat sympathie in de wereld rekenen, ook van de Europeanen van wie een met de nazi’s collaborerend deel Joden tussen 1941 en 1945 naar het leven had gestaan. Zeker, er bestond openlijk antisemitisme bij radicaal rechts maar partijpolitiek waren en bleven die lang marginaal: het enorme taboe dat op de grootschalige en schandalige massamoord rustte was groot. Daarbij werd de staat Israël bewonderd om haar technologisch vernuft en haar militaire kracht.

Die militaire kracht kwam nooit beter tot uiting dan in de Zesdaagse oorlog (1967), toen Israël de Arabische vijanden verpletterde. Ook Joden over de hele wereld waren in extase, in Nederland bijvoorbeeld historicus Loe de Jong (foto), eerder nooit te betrappen op veel enthousiasme voor het zionisme. Maar de gewonnen oorlog vormde ook het startpunt van de kantelende sympathie. Israël ging na verloop van tijd – zeker na het aan de macht komen van de rechtse Likoed-regeringen eind jaren ‘70 – over tot het annexeren van de bezette gebieden, al werd de Sinaï-woestijn na de Camp David-akkoorden (1978) teruggeven aan Egypte.

De Westelijke Jordaanoever werd en wordt na de bezetting, zeker na de teruggave van de Sinaï-woestijn, in hoog tempo gekoloniseerd door Israëlische geloofsfanatici die met een bizar beroep op een tweeduizend jaar oud boek claimen dat het land hen toebehoort en dat de Palestijnen er geen rechten hebben. Sinds 1967 roeren zich ook (vooral) Amerikaanse Joden en niet te vergeten orthodoxe christenen die denken dat het ‘laatste oordeel’ zich zal voltrekken in bloed en geweld, waarna hun Messias terug zal keren.

Sindsdien is het begrip antisemitisme onderhevig aan inflatie: het gaat nu niet (alleen) over antisemieten die Joden algemene stereotypen toeschrijven met vooroordelen als “ze (lees: joden) beheersen de pers, het kapitaal en de wereld”. Nee, de laatste jaren is antisemitisme voor veel sympathisanten met de Likoed-regeringen verbonden met de staat Israël: wie zich kritisch uitlaat over Israël zou antisemiet zijn.

Zo oordelen niet (slechts) individuen en organisaties die voor Israël opkomen, maar ook regeringen als die van Netanyahu in Israël en van Trump (foto) in de Verenigde Staten. Ze worden op X, bij radicaal rechts een populair medium, gesteund door allerlei zelfbenoemde Israëlsupporters, die in werkelijkheid niet zoveel met Israël hebben als wel een heleboel tegen de islam. Israël wordt door hen ten voorbeeld gesteld aan wat radicaal rechts beschouwt als ‘Eurabië’: door ‘globalisten’ zou bewust een complot zijn gesmeed om Europa ‘om te volken’ met moslims om zo de ondergang van de Westerse beschaving te bewerkstelligen. Israël is in die optiek niet alleen het land waar de (godsdienstige) eindstrijd plaatsvindt, het is ook het land dat weet hoe je met moslims moet omgaan: hen keihard aanpakken en (zo nodig) vernederen.

En moet er sinds oktober 2023 aan worden toegevoegd: hen massaal uit te moorden, althans de Palestijnen in Gaza, die overigens lang niet allemaal moslim zijn maar soms ook christen. En zeker, zo moet hier beslist aan worden toegevoegd, Hamas begon met de gruwelijke aanslagen op zaterdag 7 oktober en vermoordde in het wilde weg meer dan 1200 Joden en ontvoerde velen. Hamas, laat daar geen misverstand over bestaan, is een terroristische organisatie, die de Gazanen gijzelt, terroriseert en monddood probeert te maken.

De weerzinwekkende aanval bereikte het door Hamas gestelde doel: het bracht het lot van de Palestijnen weer onder de aandacht, juist op een moment dat Israël en de Arabische wereld steeds nauwere betrekkingen begonnen aan te knopen. De Gaza betaalden en betalen de prijs voor de aanval en niet minder voor de onverschilligheid van de dictatoriale regimes in de omringende Arabische wereld. Sinds 7 oktober 2023 bombardeert Israël Gaza onophoudelijk en hanteert inmiddels zelfs hongersnood als wapen.  

Tussen degenen die tegen Israël protesteren mogen zich wellicht soms antisemieten ophouden – de meeste demonstranten zijn oprecht verontwaardigd omdat Israël deel uitmaakt van de Westerse wereld en goede betrekkingen onderhoudt met Europa, ook nog de belangrijkste handelspartner van het land. De demonstranten worden door Netanyahu (foto), Trump en radicaal rechts (ook in Nederland) stelselmatig verdacht gemaakt als zouden ze antisemieten zijn, maar het zijn voornamelijk demonstranten die zich keren tegen de agressieve bezettingspolitiek van het land.

Mark Mazower (foto), als hoogleraar verbonden aan Columbia-University, heeft van nabij gezien hoe die verdachtmakingen uitpakken. De regering-Trump beschuldigde de universiteit vanwege de pro-Palestijnse demonstraties van antisemitisme, trok miljoenen dollars subsidie in, waarop de universiteit zich genoodzaakt bijna 180 medewerkers te ontslaan. Bovendien werd een prominente activist opgepakt en vastgezet in afwachting van mogelijke deportatie.

Sinds de vernietigende, op de grondslagen van het Palestijnse leven gerichte oorlog van Israël lijdt het begrip antisemitisme aan inflatie, constateert Mazower. Het Israël van de regering-Netanyahu wordt – in Nederland vooral door aanhangers van radicaal rechts – uitsluitend voorgesteld als slachtoffer van antisemitische moslims, terwijl het land in werkelijkheid in strijd met afspraken land inpikt van Palestijnen, hen verdrijft en vernedert. Kritiek daarop is, hoe Netanyahu die ook duidt, geen antisemitisme maar zinnig protest dat te denken mag geven, ook al bevinden zich soms verwerpelijke, want vernielzuchtige relschoppers onder de demonstranten.

Het echte antisemitisme raakt door de antisemitisme-verwijten tegen de pro-Palestina-demonstranten uit het zicht, terwijl dat nog steeds door woekert. De eerdergenoemde stereotypen over Joden zijn nog immer hardnekkig – en leven zeker niet alleen bij moslims, zoals Mona Keyzer beweerde. Ooit zei historicus Pieter Geyl (foto) het als zijn taak te beschouwen de ‘heren mythologen’ (tot wie hij nationaalsocialisten, communisten en Oranjevereerders rekende) te bestrijden. Mazower heeft met Over antisemitisme eveneens mythen en mythologen bestreden. Hij deed er goed aan en schreef (wederom) een voortreffelijk boek.