Ludwig Feuerbach of de missie van een man die theologie als antropologie beschouwde

Als geschiedenisstudent in de jaren ’80 van de vorige eeuw kon je vrijwel niet om Marx en het marxisme heen, ook al was het ‘neomarxisme’ toen al op zijn retour. Wie Marx, marxisten of studies over het marxisme las kwam dikwijls de naam van Ludwig Feuerbach (1804-1872) tegen maar dan hooguit als passant wiens denken vruchtbaar werd genoemd maar ook als overwonnen werd beschouwd. Feuerbach als voorloper, vrijwel niet als zelfstandig denker. Nu is – in een mooi verzorgde uitgave – in boekvorm bij uitgeverij Damon de vertaling verschenen van wat wel als zijn hoofdwerk wordt beschouwd, Het wezen van het christendom (1841). Feuerbach hamert daarin consequent, zij het soms in wat moeizaam proza, op die ene plaat: theologie is antropologie. Zo de mens, zo zijn God. Het was een wat oneigentijds boek in die romantische 19e eeuw, die juist een terugkeer van de Middeleeuwen en het daarin bloeiende christendom te zien gaf.

Vreemd eigenlijk dat je dit laatste zo weinig hoort als het over Feuerbach gaat. Hij wordt altijd voorgesteld als ‘links-Hegeliaan’, als de man die jong (op zijn 24ste) promoveerde bij Hegel (afbeelding) maar later afstand van hem nam, zoals na hem ook Marx zou doen, daarbij schatplichtig aan Feuerbach. Maar wie de 19e eeuw vanuit een breder perspectief beziet, valt op hoe oneigentijds zijn boek was. Die eeuw kan immers beschouwd worden als een reactie op de rationalistische 18e eeuw, waarin God als ‘horlogemaker’ werd voorgesteld, als schepper van een briljant uurwerk (de wereld) dat Hij verder overliet aan zijn schepselen.

Natuurlijk er waren enkele atheïsten die het bestaan van God ontkenden, vooral in Frankrijk (Diderot (afbeelding), Holbach, La Mettrie) maar dat was een minderheid. Op die minderheid en vooral op het Deïsme kwam in de 19e eeuw een krachtige reactie, in de vorm van een geestelijk reveil, van oefenaars en predikanten die een hang hadden naar aloude vroomheid. De Nederlandse journalist en verdienstelijke gereformeerde amateurhistoricus Hendrik Algra (1896-1982) bracht die reactie eens onder woorden in een boek met de sprekende titel Het wonder van de negentiende eeuw (1966), waarin hij de opbloei van het (protestants) christelijke leven beschreef.

Maar ook breder Europees beschouwd beleefde het christendom in de 19e eeuw een reveil, denk aan Paus Pius IX (foto), die meer dan dertig jaar regeerde (1846-1878) en de onfeilbaarheid van zijn ambt proclameerde, natuurlijk ook tegen de liberale en nationalistische stromingen die in die 19e eeuw eveneens sterk van zich deden spreken, zowel ideologisch als machtspolitiek.

Van die brede stroom maakten de links Hegelianen in de Duitse statenbond ook onderdeel uit. Zij moesten zich verstaan met het alomtegenwoordige christendom en deden dat ook. De namen van Bruno Bauer en David Friedrich Strauss moeten hier vallen, allebei geobsedeerd door de waarheidsaanspraken van de Bijbel. Feuerbach stond met zijn obsessie dus niet alleen. Maar waar Bauer zich in zijn eerste werk richtte op het Oude Testament en Strauss een onderscheid probeerde te maken tussen de historische en de mythische Jezus, richtte Feuerbach zijn pijlen op het hele christendom.

Van het verschil met zijn bentgenoten was hij zichzelf ook bewust. In het voorwoord bij de tweede druk van Het wezen van het christendom (er waren na publicatie binnen enkele jaren drie drukken verschenen) in 1843 schreef hij: ‘Mijn hoofdzakelijk object is het christendom, is de godsdienst, zoals die het directe object, het directe wezen van de mens is. Eruditie en filosofie zijn voor mij slechts de middelen om de schat naar boven te halen die in de mens verborgen is.’

Daarmee was het program gegeven: de godsdienst terugbrengen tot mensendienst, het christendom tot humanisme. Is hij daarin geslaagd? Het wezen van het christendom kent slechts dit ene thema: dat theologie antropologie is en niets leert over God maar alles over de mens: diens verwachtingen, diens hoop, diens lijden en strevingen. Dat in het christendom God als mens verschijnt in de persoon van Jezus, bevestigde hem in zijn overtuiging dat godsdienst in de kern mensendienst is: met de persoon van Christus kan de mens zich identificeren, daarin zit alles wat het christendom tot christendom maakt. De andere twee componenten van de drie-eenheid (de Heilige Geest, zelfs God) zijn daaraan ondergeschikt in de ogen van Feuerbach: ‘God als God is nog het besloten, verborgen gemoed; het ontsloten, open, voor zich objectieve gemoed of hart is pas Christus. Pas in Christus is het gemoed volkomen gewis en verzekerd van zichzelf, boven alle twijfel over de waarachtigheid en goddelijkheid van zijn eigen wezen; want Christus wijst niets van het gemoed af; hij vervult al zijn beden. In God verzwijgt het gemoed nog wat op het op het hart ligt; het zucht alleen maar; maar in Christus spreekt het zich volkomen uit, daar houdt het niets meer achter voor zichzelf.’

Het christendom als gemoedsuiting keert vaak terug bij Feuerbach. Als kind van zijn tijd sloot hij aan bij dé theoloog met invloed op de 19e eeuw, Friedrich Schleiermacher (1768-1834, afbeelding), die godsbesef niet aan kennis maar aan ervaring en intuïtie toeschreef. Feuerbach radicaliseert diens denken en zet God tussen haken als zijnde een wensdroom van de mens, waarop hij van alles projecteert.

De lotgevallen van Jezus – geboorte, getuigenis en (kruis)dood – beschouwde hij niet als verhaal op zichzelf maar alleen in wat hij zag als de betekenis voor de mens: Jezus als object van identificatie, van hoop en verwachting. Het is bij Feuerbach niet het verhaal van ‘een levende’, zoals de rooms-katholieke theoloog Edward Schillebeeckx Jezus’ leven ruim een eeuw later zou schetsen maar een symbolische figuur die een functie vervulde, zoals ook – maar met minder mogelijkheid tot identificatie – God en de Heilige Geest die vervulden.

Het werpt de vraag op: wat is hiertegen het bezwaar? Voor Feuerbach dit: de christen zou met zijn geloof en zijn op het hiernamaals gestoelde hoop egoïstisch zijn, hij zou nadenken over zijn individuele leven en zich niet zien als onderdeel van de soort die Mensheid heet en die weet heeft van sterfelijkheid. Ieder mens en iedere generatie weet zich sterfelijk, het is het (enige) gemeenschappelijke van de mens die zich daaraan niet mag onttrekken op straffe van…ja, van wat eigenlijk? Hier klinkt de filosoof Feuerbach, die zo vurig theologiseert tegen de theologie, zelf ook religieus, in de betekenis die ik hier nu aangeef: aanbiddend. Niet God maar de Mensheid – met een hoofdletter.

Het is niet iedereen – ‘in het uur van onze dood’, zoals het rooms-katholiek in een Weesgegroet (Ave Maria) heet – gegeven om de laatste zin van een Engelstalig gedicht van historicus en agnost Pieter Geyl (foto) na te zeggen: “When Death calls quietly obey”. Toch is dat eigenlijk waar Feuerbach op hint: onttrek je niet, zoals een christen, aan je plaats te midden van de Mensheid, aanvaardt het sterven in het geluk onderdeel van die voortgaande, onsterfelijke Mensheid te zijn.

De vergoddelijking van de Mensheid werd Feuerbach door Marx en Engels niet in dank afgenomen. Ze vonden zijn mensbeeld te liefelijk, te onmaatschappelijk, te statisch ook. Die andere tijdgenoot, Max Stirner (1806-1856), koesterde een ander bezwaar: deze individualist wilde niet als onderdeel van de soort Mensheid worden beschouwd maar als mens op zichzelf.

Allemaal legitieme bezwaren tegen het denken van Feuerbach, al had de Nederlandse atheïst (en anarchist) Anton Constandse (1899-1985, foto) gelijk toen hij de kritiek van hen die zo sterk de invloed van Feuerbach hadden ondergaan onbillijk noemde. ‘Het is niet voornaam, te spuwen in de bron, waaruit men gedronken heeft’. Mooi gezegd (saillant mag overigens heten dat na de dood van Constandse een bundel van zijn autobiografische stukken bijeengebracht is onder de titel De bron waaruit ik gedronken heb).

Niettemin was het oordeel van de critici scherpzinnig en daar zou nu, ruim anderhalve eeuw later, twee wereldoorlogen en een Holocaust verder (om maar te zwijgen van de communistische terreur van Stalin, Mao en Pol Pot), aan kunnen worden toegevoegd dat het mensbeeld van Feuerbach wat al te hooggestemd was, ook in de tijd dat hij Het wezen van het christendom schreef. Later werd hij steeds meer materialist, hoewel hij nooit het materialisme van een bewonderaar als de Nederlandse arts Jacob Moleschott zou uitdragen, zijn befaamde en meermalen gebruikte zin “Der Mensch ist was er isst” ten spijt. Daarvoor bleef hij toch een te idealistisch denker – zij het dat idealisme hier niet in wijsgerige zin moet worden opgevat. Zijn dialogische denken in ‘ik-gij’, zo van invloed op een denker als Martin Buber (foto) en op heel eigen wijze vooruitlopend op iemand als Emmanuel Levinas, bewijst het.  

Maar bij dat al heeft Feuerbach, die nooit echt tot de grote filosofen wordt gerekend, zijn uitwerking toch niet gemist met zijn consequente streven theologie terug te brengen tot antropologie. Hoewel hij diens naam vrijwel nooit noemde is iemand als de gewezen gereformeerde theoloog Harry Kuitert (1924-2017, foto) schatplichtig aan Feuerbachs denken. Diens befaamde zin “Alle spreken van Boven komt van beneden, ook de uitspraak dat iets van Boven komt” had door Feuerbach gemunt kunnen zijn. Dat Feuerbach zijn leven lang één missie had, daarvan was hij zichzelf welbewust. Die missie drukte hij mooi uit: ‘Het doel mijner geschriften, evenals mijner colleges, is: de mensen van theologen tot antropologen, van godsvrienden tot mensenvrienden, van kandidaten van de andere zijde tot studenten van deze wereld, van godsdienstige en politieke kamerdienaren der hemelse en aardse monarchie en aristocratie tot vrije, zelfbewuste burgers der aarde te maken’.

Als gezegd, hooggestemd en idealistisch, zeker voor wie leeft in de wereld van nu, met oorlogen in Oekraïne, Gaza en Soedan, om maar te zwijgen over de soms funeste rol die godsdienst onderhuids in veel conflicten speelt. Maar hij heeft zijn invloed uitgeoefend, ook en juist op het christendom dat hij zo aanviel. Feuerbach zou verbaasd zijn als hij geweten had dat juist sommige christenen in de eeuw die na hem kwam zoveel en zo gewetensvol studie van zijn werk hebben gemaakt en er inzichten aan ontleenden zonder geheel met zijn antropologische kijk op de godsdienst mee te gaan. Hij mag de christelijke orthodoxie dan (zijn) ontgaan, het meer verlichte deel van het christendom heeft zijn werk op waarde geschat en zich er mee verstaan.