De ondoorgrondelijke geheimtaal van de filosofe Simone Weil

Simone Weil is een legendarische naam in de Franse filosofie. De jong gestorven Weil (1909-1943) was altijd langs me heen gegaan en dus veerde ik op toen ik ontdekte dat de begaafde theoloog en ethicus Frits de Lange een boek over haar had geschreven: In alles tot het uiterste. Leven en denken van Simone Weil. Het blijkt een compleet herziene uitgave van een boek dat hij in 1991 al had geschreven en dat ook toen al van een veelzeggende titel werd voorzien: Totale beschikbaarheid. Dat boek was me destijds geheel ontgaan, zoals dus de hele figuur Weil. Gezien de kwaliteiten van Frits de Lange koesterde ik verwachtingen van In alles tot het uiterste. En die zijn uitgekomen: wat een goed toegankelijk boek schreef hij over deze filosofe. De Lange is naar eigen zeggen zijn leven lang gefascineerd door Weil. Wat hij in haar ziet is mij na lezing van zijn voortreffelijke boek evenwel een raadsel: wat een dweepzieke, ondoorgrondelijke geheimtaal bezigde deze zoekende filosofe die veel meer kost voor psychologen is dan een serieus te nemen denker.  

Eerst even een omtrekkende beweging: in 1976 verscheen een studie over het werk van Willem Frederik Hermans onder de titel Eenheid en versplintering van het ik. Een onderzoek naar thema’s, motieven en vormen in verband met de problematiek van de enkeling in het verhalend werk van Willem Frederik Hermans. Doet de titel al te deftig en duur aan? Geen toeval: het was de handelseditie van een proefschrift waarop de Belg Michel Dupuis in 1973 aan de Université Libre Brussel was gepromoveerd.

In 1985 verscheen een uitgebreide en geactualiseerde uitgave van het boek onder de veel eenvoudiger titel Hermans’ dynamiek. De romanwereld van W.F. Hermans – een aardige zinspeling op de vier novellen van Hermans die tussen 1980 en 1984 waren verschenen. Er werd na publicatie van Hermans’ dynamiek hatelijk opgemerkt dat het enige leesbare aan dat boek de citaten van Hermans zouden zijn.

Welnu, in het geval van het boek van Frits de Lange over Simone Weil kan precies het omgekeerde worden gezegd: terwijl De Lange glashelder formuleert zijn de door hem weergegeven en vertaalde citaten van Weil bijzonder duister. Uit zijn studie, een mengeling van biografie en analyse van haar werk, krijg je de indruk dat we hier van doen hebben met een vrouw die krampachtig houvast zocht in het leven en dat uiteindelijk vond in het christendom, al was ze geen klassiek christen volgens De Lange en hoorde ze nergens bij.

Dat nergens bij horen klinkt heldhaftiger dan het is. Want als je ziet hoezeer ze van het een naar het ander toog, krijg je de indruk hier meer van doen te hebben met een puberale en soms zelfs dweepzieke zoekster naar geestelijk houvast. Ga maar na: ze zocht eerst heil bij het socialisme, zag kortstondig even iets in het marxisme en ging – zelf afkomstig uit de hogere burgerij – al even kortstondig werken in een fabriek om het arbeidersleven te kennen. Ze raakte bovendien betrokken bij de Spaanse Burgeroorlog maar keerde terug na een verwonding te hebben opgelopen.

Nu moet gezegd dat ze in het Parijs van destijds niet alleen stond met haar engagement, integendeel. Iemand als Paul Nizan (foto), de boezemvriend van Jean-Paul Sartre, werd lid van de Franse Communistische Partij en de schrijver en latere minister van Cultuur André Malraux was sterk betrokken bij de Spaanse Burgeroorlog. Maar zij stonden anders in het leven dan de rusteloze zoeker Weil. Omdat ze vrouw was? Nee. Zeker was een uitgesproken intellectuele en in het publieke domein aanwezige vrouw in Frankrijk – laat staan in Nederland – een eeuw geleden opmerkelijk en dat zal haar positie niet vergemakkelijkt hebben.

Maar haar generatiegenoot Simone de Beauvoir (foto) drukte zich in haar proza veel helderder uit dan Weil – tenminste afgaand op de vele citaten die De Lange de lezer voorzet. En ze had een vastere koers, hoe onzeker ook De Beauvoir kon zijn en met hoeveel tegenwind ook zij als vrouw te maken kreeg.

Neem nu Weils zoeken naar ‘de waarheid’, waarover De Lange schrijft. Je zou alleen ‘contact met de waarheid maken’ als het gaat om iets waarvan je houdt. En dan volgt een uitgebreid citaat, waaruit dit: ‘Waarheid is de schittering van de werkelijkheid. Het object van liefde is niet de waarheid, maar de werkelijkheid. Naar de waarheid verlangen is verlangen naar direct contact met de werkelijkheid. Naar contact met de werkelijkheid verlangen is van haar houden.’ Wat staat hier eigenlijk? Wat betekent hier waarheid, moet dat begrip abstract worden opgevat of moet dat situationeel worden beschouwd?

Of neem dit citaat, over ‘de hele werkelijkheid’: ‘We leven onwerkelijk, in een droom. We moeten afstand doen van onze denkbeeldige positie in het centrum, haar niet alleen afzweren in ons denken, maar ook in het verbeeldende deel van onze ziel. Dan ontwaken we in de werkelijkheid, komen in aanraking met de eeuwigheid, zien we het waarachtige licht en horen de echte stilte.’ Woorden, woorden en nog eens woorden, maar zeggen doen ze niets.

Psychologische beschouwingen over Weil, daar doet De Lange mondjesmaat aan, vermoedelijk omdat hij zijn heldin – tegenover wie hij niet onkritisch maar toch overwegend bewonderend staat – vooral als denker wil waarderen. Niettemin, uit wat hij schrijft komt wel een beeld naar voren: dat van een neuroot met een eetstoornis, bovendien bang voor intimiteit en seks en uiteindelijk ten diepste verliefd op maar één man: Jezus. Wat dat betreft heeft Weil veel van een non, het laatste deel van haar korte leven bezig ‘in gemeenschap’ met God te leven.

Wel moet gezegd dat de citaten die van deze bewonderaarster van Plato (over wie haar generatiegenoot Karl Popper aanzienlijk kritischer oordeelde in zijn De open samenleving en haar vijanden) zijn opgenomen over het christendom helderder zijn dan haar uitlatingen over ‘de waarheid’. Al blijven het wel geloofsuitspraken, van een dweperig karakter bovendien, alleen verstaan vermoedelijk door gelovigen. Wie niet vatbaar is voor het christendom als zin en doel van de wereld, kan hier niets mee. Neem dit: ‘De goddelijke voorzienigheid is geen afwijking, geen ongerijmdheid in de orde van de wereld. Zij is de orde van de wereld zelf. Of beter gezegd: het is het ordeningsprincipe van dit universum. Het is de unieke en eeuwige Wijsheid, die zich door het hele universum heen uitstrekt in een soeverein netwerk van relaties.’ Wie dit wil geloven: uitstekend. Maar voor wie hier buiten staat zijn het weer nietszeggende woorden.

En de dweepzucht mondt soms uit in ronduit bizarre geheimtaal. Dat ze Gods aanwezigheid in ‘zijn schepping’ ziet als een vorm van afwezigheid kan nog, het komt enigszins in de buurt bij het Deïsme, waarin God op geen enkele wijze ingrijpt in de werkelijkheid (al blijft ook Deïsme maar een van de eindeloze interpretaties van God). Maar vervolgens schrijft ze: ‘God is als een vrijpostige vrouw die haar minnaar belaagt en urenlang onophoudelijk in zijn oor fluistert: “Ik hou van je – ik hou van je – ik hou van je…”’ Welwillend zou je kunnen zeggen dat dit een dichterlijk geschreven vertaling is van de geloofstaal die wil dat God de mens in al zijn liefde blijft zoeken, maar opnieuw: er staat niets dat naar de werkelijkheid verwijst, die ze zo graag zei te zoeken. Ik zou nog meer, veel meer van dit soort citaten kunnen weergeven die De Lange biedt.

Ik kreeg een slecht humeur van dit duistere, ondoorgrondelijke proza dat naar mijn mening wordt overschat door Frits de Lange en vele anderen (onder wie gewaardeerde auteurs als Albert Camus en Czesław Miłosz).

Ooit schreef Karl Marx (foto) een geestig antwoord op het boekje Filosofie van de ellende van de anarchist Pierre-Joseph Proudhon, een emotionele aanklacht tegen de armoede in zijn tijd. Marx draaide de titel om in zijn polemiek tegen Proudhon die hij een gebrekkige analyse van de samenleving verweet: De ellende van de filosofie. De vele citaten van Weil lezend, dacht ik: wat kan filosofie toch ellendig zijn, sommige filosofen niet te na gesproken: dat in dure, nietszeggende zinnen proberen theoretisch greep te krijgen op een werkelijkheid die met het bestaande veelkleurige en chaotische leven weinig tot niets van doen heeft. De ironie wil dat De Lange ongetwijfeld voor ogen heeft gestaan dat de lezer na lezing van zijn glasheldere boek zelf naar het werk van Weil grijpt. Misschien zijn er die dat doen. Maar deze lezer heeft, zoals dat heet, na alle citaten van Weil ‘verorberd’ te hebben genoeg gegeten en gedronken.