
Zondagmiddag 26 januari gaf ik bijgaande lezing bij de boekpresentatie van het boek dat de journalist Trudy van der Wees schreef en dat in de synagoge van Delft ten doop werd gehouden: Kees Chardon 1919-1945. Boegbeeld van het Delftse verzet. De Delftse synagoge was een toepasselijk plaats voor de boekpresentatie. Kees Chardon was een geboren en getogen Delftenaar en hij heeft in zijn korte leven honderden (!) Joden gered uit handen van de nazi’s. Trudy gaf een uitgebreid overzicht van zijn leven en werk en had mij gevraagd iets te zeggen over de houding van de gereformeerde ‘afstammelingen’ van Abraham Kuyper tegenover de nazi’s voor en hun opstelling tijdens en (kort) na de oorlog, nu Kees Chardon was opgegroeid in een gereformeerd gezin.
Dames en heren, beste Trudy,
In de aanloop naar deze bijeenkomst hadden wij even contact over de vraag of ik iets zou willen zeggen. De vraag was: waarover? We kwamen al snel uit op de rol en de plaats van gereformeerden in het verzet. Kees Chardon was immers een telg uit een gereformeerd gezin en het geloof speelde – lees het boek van Trudy -een belangrijke rol in zijn leven.
Maar gereformeerden en hun verzet, wat is daarover te zeggen? U kent ongetwijfeld het verhaal dat kort na de oorlog opgeld deed en steeds meer tot een mythe werd in de volksmond: het Nederlandse verzet zou vooral een zaak zijn geweest van gereformeerden en communisten. Dat ook andersdenkenden (sociaaldemocraten, liberalen, katholieken, andersoortige protestanten) in het verzet hadden gezeten, drong tot die volksmond niet echt door. En geen misverstand: gereformeerden en communisten zaten in het verzet, en velen van hen hebben een hoge prijs betaald voor dat verzet.
Maar niets is zo eendimensionaal als het lijkt, ook de gereformeerden niet. Al voor de oorlog telden de gereformeerden – daaronder versta ik hier de kerkelijke en politieke nazaten van Abraham Kuyper (foto) – zowel aanhangers als bestrijders van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) in Nederland. De door Kuyper gestichte Vrije Universiteit – de universiteit waar Kees Chardon rechten gestudeerd had – kende in de filosoof Dirk Vollenhoven en de jurist Anne Anema geharnaste tegenstanders van fascisme en nationaalsocialisme. Maar de ‘tweede man’ van de NSB, de gereformeerde Kees van Geelkerken, was een overtuigd NSBer en dat gold ook voor de boerenleider Evert Roskam, om maar te zwijgen van dominee H.W. van der Vaart Smit, volgens de bekende predikant J.J. Buskes de meest onbetrouwbare man die hij ooit had ontmoet.
Op synodes – kerkelijke samenkomsten waar richtlijnen en beleid van de kerken geformuleerd werden – was de opkomst van het nationaalsocialisme voor de Gereformeerde Kerken aanvankelijk (in 1933) geen thema. Pas in 1936, tijdens de synode van Amsterdam, werd de NSB veroordeeld, evenals overigens de linkse christelijke splinterpartij de Christelijk-Democratische Unie, een partij die juist tegen de NSB was. De reden: beide partijen zouden niet opkomen voor ‘het koningschap van Christus’ – wat dat ook betekent.
Kortom, de gereformeerde elite stond voor de Duitse inval verdeeld tegenover het nationaalsocialisme. Niet anders overigens was het bij andere ideologieën: ook sommige sociaaldemocraten, zoals de schrijver en dichter Martin Beversluis, werden gevoelig voor de totalitaire verleiding. En de communisten liepen aan de leiband van Stalin en zagen voor de oorlog in het Anglo-Amerikaanse kapitalisme een even groot gevaar als in Nazi-Duitsland.
Toen kwamen de meidagen van ‘40. Colijn, de sterke man de antirevolutionairen, dacht even dat de toekomst van Europa in handen lag van Duitsland. Zo schreef hij in de zomer van 1940 in zijn brochure Op de grens van twee werelden. Maar al snel herstelde hij zich, verzamelde ‘apostelen’ om zich heen en begon het verzet van de gereformeerde elite waartoe Colijn zelf behoorde.
Maar hoe zat dat met het ‘gewone’ gereformeerden? Die waren na de Duits inval al even in verwarring als de elite: enerzijds was er het devies ontleend aan apostel Paulus in zijn brief aan de Romeinen dat alle gezag van God gegeven is, anderzijds diende men God meer te gehoorzamen dan mensen. Aan het begin van de oorlog blijft het beeld dus ambivalent. En toch ging een meerderheid van de getalsmatig kleine groep gereformeerden – anno 1940 nooit meer dan 9 % van de bevolking – in het verzet. Wat daarvoor de redenen waren? In haar fraaie boek laat Trudy zien dat Kees Chardon zich gedreven wist door een bijna evangelicaal opgevat christendom. Dat wil zeggen: hij voelde zich rechtstreeks door God geleid en meende een instrument in Gods handen te zijn om Gods volk bij te staan.
Andere gereformeerden was die roeping evenmin vreemd: wie aan de Joden kwam, kwam in hun ogen aan Gods volk, het volk waaruit de Messias Jezus Christus voorkwam. Maar ook deze notie was tot de meidagen van 1940 met ambivalentie omgeven: de joden zouden zich nog wel tot die Messias dienen te bekeren: Jodenzending, zoals dat heette, was nog staande praktijk onder gereformeerden. Maar na de Duitse inval en bezetting en na de sluwe invoering van allerlei wetgeving om Joden te isoleren van de rest van de bevolking overheerste bij gereformeerden toch in meerderheid solidariteit met Gods volk, al bleef de ambivalentie tot na de oorlog bestaan, zoals de strijd om de oorlogspleegkinderen bewees: moesten die terug naar hun Joodse ouders of blijven in de gereformeerde gezinnen waarbij ze waren ondergebracht? Gezina van der Molen (foto), medeoprichter van verzetskrant Trouw en de eerste vrouwelijke hoogleraar aan de VU, meende dat de in onderduik ondergebrachte Joodse kinderen het beste gediend waren met een christelijke opvoeding.
Dit waren overwegingen die bij Kees Chardon geen rol hebben gespeeld. Deze moedige gereformeerde jongeman van begin twintig onttrok zich aan dit alles en zette zich belangeloos in, zonder andere oogmerken. En daarbij: hij keek bij zijn verzet over ideologische grenzen, had een enorm netwerk ver buiten de gereformeerde wereld van Delft. Onder gereformeerden leefde een eeuw lang het devies “In het isolement ligt onze kracht”, afkomstig van Groen van Prinsterer (foto). De oorlog doorbrak dat isolement en veranderde sommige gereformeerden. Een van hen was Henk van Randwijk, de grote man van het verzetsblad Vrij Nederland. Deze gereformeerde onderwijzer werd door zijn contacten met ander verzet steeds oeucumenischer en raakte – hoewel hij overtuigd christen bleef – steeds meer los van zijn gereformeerde wortels, juist door de oorlog.
Andere gereformeerden, vooral zij rond Trouw – denk aan genoemde Gezina van der Molen – bleven hun gereformeerde overtuiging daarentegen trouw en zochten na de oorlog opnieuw het ideologische isolement. Na de oorlog zou de Antirevolutionaire Partij zich krachtig afzetten tegen doorbraakchristenen die zich, zoals Van Randwijk (foto), terugzagen in de Partij van de Arbeid, waarin progressieve katholieken, hervormden en ongelovigen onderdak vonden.
Ik eindig met een vraag: gesteld dat Kees Chardon de oorlog had overleefd, zou hij dan als Van Randwijk een doorbraakchristen zijn geworden of zou hij antirevolutionair zijn gebleven? Het is eeuwig zonde dat deze vraag nooit zal kunnen worden beantwoord omdat Kees Chardon stierf vanwege zijn belangeloze inzet voor zovelen.





