
Donderdagmiddag 23 januari sprak ik onderstaande lezing uit over historicus George Puchinger (1921-1999) en zijn generatiegenoten. Nu zijn archief na een kwart eeuw is geopend organiseerde het HDC Centre for Religious History een symposium op de Vrije Universiteit over zijn nalatenschap. Ik deed archiefonderzoek naar zijn relatie met andere historici en stuitte daarbij op tal van brieven waarin hij afgaf op wat hij beschouwde als ‘dorre pennenlikkers’. Maar die ‘dorre pennenlikkers’ hadden het dikwijls wel gebracht tot hoogleraar en vaak school gevormd, anders dan de eenling die George Puchinger altijd was en bleef.
Dames en heren,
Onder historici is de titel van mijn lezing maar eerst even over de historicus George Puchinger zelf: wat was hij voor een historicus? Laat ons eerst vaststellen dat, academisch gesproken, zijn weg tot de geschiedenis nogal kronkelig verliep. Hij studeerde van alles maar studeerde in 1955 uiteindelijk af in de filosofie, volgens zijn eigenlijke leermeester Carel Gerretson (foto) een volstrekt zinloze studie, want zo zei hij hem: ‘Maar Puchinger? Ben je nou gek? Al die systemen, heb je die werkelijk uit je hoofd geleerd? Besteed je nou aan zulke mensen je kostbare tijd?’
Dat deed Puchinger ook niet meer. Hij liet meermaals de naam van Plato achteloos vallen tijdens een gesprek of in een van zijn artikelen, maar een filosoof was hij niet: systematisch en analytisch redeneren lag hem minder dan nostalgisch omzien naar het verleden. Puchinger was in alles een 19e-eeuws romanticus, met de klemtoon op beide woorden. Zijn opvatting over wat geschiedschrijving zou moeten zijn is het best af te lezen aan zijn opstel ‘Over de hartstocht van de ware geschiedschrijver’, dat hij in 1977 publiceerde in het reünistenblad van SSR. Hoewel geschreven in de jaren dat het neomarxisme en de Annalesschool greep kregen op de geschiedschrijving, ademt dit opstel nog geheel de geest van de jaren vijftig, toen geschiedschrijvers schreven voor het volk, soms zelfs in het bijzonder voor de eigen zuil.
Historici zouden de taak hebben ‘het volk voor te lichten’, al dan niet via de journalistiek. Puchinger deed dat ook geregeld, vooral via het SSR–reünistenblad maar ook via het Friesch Dagblad, het antirevolutionaire blad Nederlandsche Gedachten, De Rotterdammer en nog zo wat bladen. Veel daarvan is gebundeld in de acht delen tellende Ontmoetingen-serie uitgegeven door uitgeverij Terra in Zutphen. Hij voelde zich verwant met geschiedschrijvers van een oudere generatie (natuurlijk Groen en Gerretson en daarnaast geschiedschrijvers van de rooms-katholieke zuil Brom en Rogier) en een enkele tijdgenoot, zoals Loe de Jong (foto), steevast ietwat ouderwets met ‘dr. de Jong’ aangeduid in de artikelen. En met J.J. Poelhekke, de inmiddels nagenoeg vergeten biograaf van stadhouder Frederik Hendrik.
Leuk en aardig, al die geschiedvorsers, aldus Puchinger – er moet eerst en vooral geschreven worden: ‘het werk van de historicus dient sterk algemeen cultureel, ja breed-maatschappelijk te worden opgevat’. Dat deden naar zijn opvatting niet de historici van zijn tijd. Eind jaren ’70, begin jaren ’80 verscheen de 15-delige serie Algemene Geschiedenis der Nederlanden (foto), een volledig nieuwe editie, sterk afwijkend van de oude, die in de jaren ’50 was verschenen. Was de oude editie nog verhalend, de nieuwe editie stond sterk onder invloed van de Franse Annales-school, met veel grafieken, tabellen en stratificatie. Dat was mede te danken (anderen zullen zeggen: te wijten) aan A.M. van der Woude, hoogleraar in Wageningen en al sinds eind jaren vijftig – toen nog student geschiedenis in Utrecht -een groot voorstander van een meer sociaalwetenschappelijke benadering van de geschiedenis. Dit niet tot ieders vreugde: Pieter Geyl, een ‘ouderwets’ politiek historicus, moest niets van deze nieuwlichterij hebben.
In de traditie van Geyl stond ook Puchinger. Hij oefende dan ook kritiek op deze tweede editie van de AGN naar aanleiding van deel 12 dat in 1979 was verschenen. Hij haalde de Britse historicus G.M. Trevelyan (1876-1962) van stal om te pleiten voor een literaire benadering van geschiedenis. Trevelyan (foto) had in een – in 1945 uitgesproken -lezing, getiteld De geschiedenis en de lezer betoogd dat literatuur en geschiedenis ‘tweelingzusters’ zijn. Instemmend merkte Puchinger op (ik citeer): ‘Ik zie menig moderne historicus in Nederland – die immers de laatste tien, twintig jaar aan de universiteit nauwelijks meer gewezen op, laat staan onderwezen is in het literaire aspect van de geschiedschrijving – al glimlachen, reeds om de romantische vergelijking van Trevelyan!’
Dit citaat en zijn kritiek op de nieuwe AGN tekenen de historicus Puchinger ten voeten uit: een romanticus verdwaald in de wereld van na de jaren zestig, ook in de geschiedschrijving. Opmerkelijk wel is dat hij in deze kritiek twee medewerkers aan de AGN nadrukkelijk spaart: de Groningse monarchie-historicus Coen Tamse en de Utrechtse hoogleraar Nieuwe Geschiedenis J.C. Boogman (foto). Beiden namen in het twaalfde deel de politieke ontwikkeling in Nederland in de tweede helft van de 19e eeuw voor hun rekening.
Het is vooral interessant om bij de in het openbaar geuite waardering voor Boogman stil te staan. Hij wordt hier correct omschreven als ‘de leerling en opvolger van Geyl’ en als ‘een kundig, voorzichtig en daarom evenwichtig historicus’. Maar zoals dat gaat in academische kring: het is uiterlijke beleefdheid, slechts half en eigenlijk helemaal niet gemeend. In het archief van Puchinger, sinds 7 januari eindelijk openbaar, gaat hij in brieven aan diverse correspondenten namelijk hard en ook wel gefrustreerd tekeer tegen niet alleen Boogman maar ook tegen diens collega-hoogleraren Ivo Schöffer (Leiden, foto) en Ernst Kossmann (Groningen).
George Puchinger is geen Willem Frederik Hermans (foto), de schrijver die op de dag af vijf maanden jonger was en die ik al eens eerder met Puchinger vergeleek. Toen ging het om hun oorlogsverleden, nu om hun inzet als schrijver. In het verhaal Het grote medelijden (gepubliceerd in 1967) schreef Hermans dat hij in zijn uitgebreide oeuvre zijn slechte humeur op zijn lezers had losgelaten. En dat valt te zeggen: zijn romans en polemieken worden gekenmerkt door de drie woorden waarmee het verhaal Het grote medelijden eindigt: ‘scheppend nihilisme, agressief medelijden, totale misantropie’.
Puchinger is een heel andere auteur: als je zijn oeuvre leest merk je weinig tot niets van zijn slechte humeur en frustraties. Integendeel, hij schrijft over mensen die hij in het openbaar bewondert en bewaarde zijn slechte humeur voor zijn privécorrespondentie, zo blijkt uit het archief. En zijn slechte humeur is vooral gericht tegen genoemd drietal Boogman, Kossmann en Schöffer, nu eens sarcastisch en met aanhalingstekens “de grote drie” genoemd en dan weer het “B.K.Sch.- trio”. Wat was de oorsprong van dat sarcasme? In een ongepubliceerd en ongedateerd vraag-en antwoord-document dat zich in het archief bevindt vinden we een begin van een antwoord. Puchinger citeert daarin (onderstreept) kritiek op het tweede deel van Colijn en einde van de coalitie dat in 1980 was verschenen en gaat vervolgens uitvoerig in op de kritiek.
Uit nadere lezing valt op te maken dat de criticus de Nijmeegse hoogleraar Nieuwste Geschiedenis A.F. Manning (foto) is, leerling van L.J. Rogier. Uit de citaten blijkt overigens niet dat Manning dit tweede deel massief kraakte. Hij leverde veeleer genuanceerde kritiek die echter Puchingers goedkeuring niet kon wegdragen. De reden: Puchinger vermoedde een complot van zijn generatiegenoten die zouden genieten van Mannings recensie. Mannings kritiek klonk voor hem als een echo van eerdere kritiek zijn promotie in 1969 had geklonken. Dat blijkt uit dit ongedateerde en ongepubliceerde document, deze monoloque intérieur, waarin hij zich omstandig verdedigt tegenover Manning en ineens op de proppen komt met ‘de grote drie’ die wel in hun nopjes zouden zijn met diens kritiek nu hem – Puchinger – het oordeel opnieuw werd aangezegd. De vorm waarin de kritiek gegoten was kon hem ook allerminst bekoren. Ik citeer: ‘Dat een historicus in zijn beoordelingen soms een diplomaat moet zijn, van geven en nemen, van verdelen en heersen moet weten, is dus aan U niet onbekend! U dus terug in de kring van ‘de grote drie’, het stuk van Puchinger vast toegestuurd.’
Bij die drie voegde Puchinger een vierde: W.J. Wieringa (foto), de economisch historicus van de VU. Ik citeer: “ten slotte de Urheber van alle verzet tegen mijn werk”, waarbij hij het woord Urheber doorstreepte en ervan maakte: die het startschot van het verzet gaf. En zeker, in retrospectief kan worden gesteld dat de diepe frustratie en woede van Puchinger begon in 1969. Hij is nooit over de frustratie heen gekomen dat de academisch-historische wereld zijn werk niet op waarde schatte. Dat hem nu door Manning verweten werd ‘geen uitgebalanceerde monografie’ maar een ‘werkboek’ te hebben geschreven stak hem bijzonder. En weer werden de drie zwarte schapen uit Utrecht, Leiden en Groningen erbij gesleept. Ik citeer: ‘Ik heb een geschiedverhaal geleverd, waarvan in de meeste dissertaties niets en niets terechtkomt, omdat Boogman, Schöffer en Kossmann hun leerlingen dat niet meer leren!!. Dat is nog wel anders dan een werkboek!’
De frustratie druipt ervan af. En omgekeerd: kreeg hij waardering voor zijn werk van een historicus, dan was hij ook zielsdankbaar. De presentatie van het tweede deel van Colijn en einde van de coalitie werd in 1980 opgeluisterd door een referaat van onder meer de Amsterdamse hoogleraar Maarten Brands (foto) die hij dan ook (in een brief 17 juni 1980) uitbundig bedankte. Maar Brands was, gelijk bekend, een historicus die na zijn proefschrift niet veel meer publiceerde en die kon Puchinger natuurlijk niet ten voorbeeld stellen aan het gehate drietal, al had Puchinger een punt dat van die drie alleen Kossmann werkelijk productief kan worden genoemd.
Het was overigens niet alleen dit seculiere drietal dat het keer op keer moest ontgelden. Ook de christelijke historici van zijn dagen konden weinig goed doen. Aan Anne Doedens, een VU-historicus, gepromoveerd bij A.Th. van Deursen (foto) en secretaris van het gezelschap van christelijke historici, liet hij weten dat er van het gezelschap (ik citeer): ‘niets inspirerends, geen prestatie, niets specifieks of kenmerkends van uw kring uitgaat’. En hij vervolgde met: ‘Dit kan hard klinken, maar er is in Nederland momenteel een generatie historici aan het “bewind” die natuurlijk nog wel zekere kennis ten toon spreidt, maar geen talent!’ Hij hield Doedens voor dat zolang de christelijke historici hier geen oog voor hadden het gezelschap van Christelijke Historici geen ‘nuttig bestaan’ kon leiden.
In een brief aan een bevriende jonge jurist vatte Puchinger zijn bezwaren tegen zijn generatiegenoten nog eens samen en vergeleek hen met de vorige, in zijn ogen wel sprankelende generatie. Het mag geen toeval heten dat hij juist tegenover deze jongere jurist zo uitvoerig uitpakte over de historici: tegenover deze buitenstaander moest hij van alles ‘uitleggen’ – en dat deed hij. We schrijven 1981, Puchinger was bezig met het inleidend deel op de Verzamelde Werken van Gerretson. Die werken zouden de literair geïnteresseerde Eggeraat heel wat te bieden hebben. Wat dat was, werd de jurist niet meteen duidelijk, want Puchinger bereed eerst zijn stokpaarden tegen zijn generatie. Die had ‘geen brede vleugelslag’ en die was hen ook niet bijgebracht door hun leermeesters. Boogman, Kossmann en Schöffer (daar zijn ze weer) hadden Gerretson doodgezwegen. Ten onrechte, want Gerretson zou superieur zijn en naast Huizinga (foto), Brom en Rogier tot de weinig goede vertelhistorici behoren.
Opmerkelijk is dat hij Geyl (foto) nooit in dit rijtje noemt, de man toch aan wie hij “Herinneringen” ophaalde in een boekje dat hem zeer kwalijk werd genomen door diens echte leerling Arie Willemsen die hem dat ook gepeperd liet weten, wat opnieuw tot frustratie leidde bij Puchinger. Hoewel, heel verrassend is het niet dat hij Geyl weinig onder de grote historici noemt… Puchinger en Geyl vertegenwoordigden immers twee werelden, wat goed tot uitdrukking kwam in het interview dat is opgenomen in de bundel Rome-Reformatie en gelukkig ook opgenomen in de bundel die hier vanmiddag werd gepresenteerd: Puchinger de gereformeerde bewonderaar, vol van Kuyper, Schilder e tutti quanti, Geyl de immer kritische agnost, naar eigen zeggen al jong “een compleet heidentje en een rationalistje om van te rillen”.
Wat valt hier concluderend op te merken? Allereerst toch dit: dat Puchinger, bij al zijn charmes, zijn verdiensten ook als journalist, interviewer en ook als historicus een gefrustreerd man was, steeds verbitterd over zijn succesvolle generatiegenoten die het tot hoogleraar hadden gebracht en aanzien genoten. Een van die verafschuwde generatiegenoten, Ernst Kossmann (foto), vroeg mij – wetend dat ik op het HDC werkte – eens: “meneer Berkelaar, wat had Puchinger toch tegen mij?” Kossmann moet de afkeer hebben vermoed maar die heeft Puchinger hem nooit in zijn gezicht geslingerd. Welnu, uit zijn publicaties kwamen we het maar mondjesmaat te weten, het nu opengestelde archief heeft duidelijkheid verschaft.
De citaten, eigenlijk filippica’s die ik hiervoor aanhaalde, spreken boekdelen. Maar terwijl generatiegenoot Willem Frederik Hermans in tal van openbare polemieken en boeken (Mandarijnen op zwavelzuur, Klaas kwam niet, Malle Hugo, Door gevaarlijke gekken omringd, om maar enkele van zijn boektitels te noemen) van zijn hart geen moordkuil maakte, daar beperkte Puchinger zijn strafredes tot zijn correspondenten, nadrukkelijk niet bedoeld voor het grote publiek. Dat grote publiek leerde een vooral bewonderend oeuvre kennen. Dat daarachter een man schuilging die wrok koesterde omdat hij nooit de erkenning van de historici kreeg waarop hij meende recht te hebben – dat wordt nu pas openbaar.














