Hugo Brandt Corstius, rationalist, pestkop en taalpuzzelaar, wiens leven niet maar wiens werk wel zonder tragiek was.

Wat te denken van Hugo Brandt Corstius, ‘veelnaam’, zoals zijn geliefde vijand Renate Rubinstein hem noemde? Hij was als Piet Grijs, Raoul Chapkis, Jan Eter, Dolf Cohen en nog veel meer pseudoniemen vanaf de jaren ’70 onontkoombaar in kranten en weekbladen en liet met zijn venijn en hatelijkheid niemand onberoerd. Nu is er zijn biografie, waaruit het beeld oprijst van een geniale pestkop zonder gevoel voor zijn medemensen, al zijn erotische contacten met 1 man en vele vrouwen ten spijt. En juist dat, het ontbreken van gevoel, geeft zijn werk bij alle spitsvondigheid en geleerdheid, iets oppervlakkigs. Want hoewel het in zijn leven niet ontbrak aan tragiek – hij werd al jong weduwnaar – ontbreekt dat wel in zijn oeuvre, zo anders dan in dat van de man die hem bestreed en die hij desondanks bewonderde: Willem Frederik Hermans.

Aan zelfkennis ontbrak het Brandt Corstius niet: hij had zelf heel goed in de gaten dat hij een pestkop was, iets dat hij toeschreef aan het syndroom van Asperger, een vorm van autisme dat gekenmerkt wordt door een gebrek aan inlevingsvermogen, een gebrek aan respect voor autoriteit en een grote, obsessieve belangstelling voor een specifiek onderwerp. Inderdaad: allemaal kenmerken die Brandt Corstius typeren. Het pesten begon al vroeg, zo heeft zijn zus Liesbeth verklaard: hij haalde het bloed onder de nagels van zijn dominante moeder vandaan. Zijn vader, de leraar en latere hoogleraar letterkunde Jan Brandt Corstius (1908-1985, foto), stond juist bekend als rustig en evenwichtig.

Hij was een idealist, voor de oorlog lid van de Jongeren Vredesactie en na de oorlog, samen met onder meer Jaap van Praag, oprichter van het Humanistisch Verbond. De vriendschap met Van Praag (foto) ging ver terug en was voor Van Praag tijdens de oorlog ook van levensbelang: Brandt Corstius bood onderduik. Duidelijk dus in welk links gericht, sociaaldemocratisch en intellectueel milieu Brandt Corstius groot werd. Wel opmerkelijk – biografe Elsbeth Etty signaleert het – dat hij zich bij het Amsterdamse studentencorps meldt als hij wiskunde gaat studeren.

Hij komt erin aanraking met ouderejaars Hans van den Bergh (1932-2011), later bekend als toneelcriticus en fervent republikein. Dat ‘aanraking’ moet letterlijk worden genomen: de twee krijgen een homoseksuele relatie. De liefde van Brandt Corstius voor ‘Toot’ was groot en diep. Maar of hij, anders dan Van den Bergh, die wel trouwde maar zijn leven lang verborgen homoseksueel bleef, homo was, blijft de vraag. Uit zijn verdere leven blijkt daar immers niets van, van biseksualiteit ook niet. Een psychiater duidt zijn relatie met Van den Bergh als een (te overwinnen) vorm van vrouwenangst. Hoe dit ook zij, de twee bleven, ook platonisch, een soort van levenslange geliefden, gevoed door hun gemeenschappelijke interesses, in de eerste plaats hun liefde voor Multatuli en hun afkeer van de monarchie.

Na Van den Bergh (foto) kwamen een hele reeks vrouwelijk geliefden voorbij, van Imme Dros tot Brigitte Kaandorp. Je verbaast je over de aantrekkingskracht van deze man. Die moet misschien verklaard worden door zijn snelle en spitsvondige geest en de speciale, zij het kortstondige aandacht die hij aan deze vrouwen besteedde. De opsomming is soms teveel van het goede, iets dat biografieën van beroemdheden uit de Amsterdamse grachtengordel wel meer aankleeft – ik denk hier aan de enige tijd terug gepubliceerde biografie van Ischa Meijer.

Via Van den Bergh kreeg Brandt Corstius ook toegang tot de redactie van het roemruchte studentenblad Propria Cures. Volgens Etty speelde hij daar een cruciale, zij het (in mijn ogen) ook bedenkelijke rol door Frits Bolkestein (foto) eruit te werken. Etty lijkt het prima te vinden. Immers: Bolkestein was fervent anticommunist en in de jaren vijftig sterk gekant tegen de invasie van Hongarije door de Sovjetunie, bedoeld om Hongarije als satellietstaat te behouden. Dat Brandt Corstius niet meeging met de ‘anticommunistische hysterie’ is geheel naar de zin van Etty. Want zij was vanaf de jaren ’70 dan wel ‘feministisch communist’, maar dan toch: communist. En ook al is ze na de ineenstorting van het communisme niet langer communist, de sympathie is merkbaar gebleven. Ze prijst in de biografie Brandt Corstius’ ‘nuchtere’ kijk op het communisme – terwijl de enige nuchterheid deze is: het Sovjetcommunisme was totalitair en door en door fout. Bolkestein had gelijk, Brandt Corstius bepaald niet.

Haar sympathie voor de linkse Brandt Corstius kenmerkt het hele boek. Ze is ronduit fier op zijn bestrijding van racisme en het moet gezegd: daarin was Brandt Corstius al vanaf de jaren ’50 consequent, al is bij hem iemand wel snel een racist. Om dat racisme te bestrijden haalde Brandt Corstius te pas en vooral te onpas de Tweede Wereldoorlog erbij. De oorlog werd ook in andere polemieken de standaard voor Brandt Corstius: hij vergeleek de kritiek van Onno Ruding (minister van Financiën in de eerste twee kabinetten-Lubbers, 1982-1989, foto) op thuisblijvende werklozen met Eichmanns rol bij de deportatie van Joden en over hem (Ruding) zou, evenals over Lubbers en Elco Brinkman (minister van Cultuur in diezelfde kabinetten Lubbers), de geest van Goebbels vaardig zijn – allemaal groteske vergelijkingen die door de literaire wereld vergoelijkend werden afgedaan als ‘systeembeheer’ (Gerrit Komrij).

Grote verontwaardiging dan ook toen hem de PC Hooftprijs (toen staatsprijs) door Brinkman (foto) en het kabinet-Lubbers werd geweigerd – en tegelijk finest moment in het leven van Brandt Corstius. De roemruchte affaire – de literatoren wisten niet hoe hard ze hun verontwaardiging moesten uiten – leverde wel iets goeds op: de PC Hooftprijs was nadien niet langer staatsprijs (nooit een goed idee: staat en kunst moeten gescheiden blijven) maar werd nog slechts door bevoegde literatoren en critici toegekend. Nadeel dan weer: de ongekende intellectuele incest bij dit alles: vriendje K. Schippers die de lof zong van Brandt Corstius in het juryrapport. Tja, zo klein was (is?) dit wereldje.

Dat hij de prijs overigens verdiende is wel zeker: Brandt Corstius kon briljant formuleren en was een eminent taalkundige die vooral met Opperlandse taal- en letterkunde veel bewondering afdwong. Overigens niet bij mij: ik heb die taalpuzzels altijd flauw en onzinnig tijdverdrijf gevonden, ik zou bijna zeggen: kost voor een autist die met emoties geen raad weet. Terwijl hij met taal puzzelde verwaarloosde hij zijn kinderen. Nu zijn die kinderen goed terecht gekomen en zelfs van de stuntelige liefde van hun vader gaan houden – maar die verwaarlozing past naadloos in zijn algehele omgang met mensen, zo lijkt het. Een verdienste mag dan weer heten dat hij ook dit zelf feilloos in de gaten had, gezien het citaat dat Etty weergeeft: ‘De mens is mens omdat hij anders dan worm en dromedaris weet dat hij een uniek individu is, niet op aarde gezet om zich te verdiepen in soortgenoten.’

Het had gezegd kunnen worden door zijn tegenvoeter Theo van Gogh (foto), de man die er ook geen been in zag zonder enige empathie zijn vijanden te bestrijden en zelfs (op papier) te elimineren. Geen wonder dan ook dat de twee, die zoveel van elkaar weg hadden, slaags raakten, al moet gezegd dat Brandt Corstius zakelijker bleef dan Van Gogh, die niet schroomde diens telefoonnummer te vermelden en zelfs suggereerde dat Brandt Corstius zijn kinderen seksueel misbruikte. Van Gogh toonde zich hier een tovenaarsleerling van Willem Frederik Hermans die – nadat Rudy Kousbroek niet onomwonden partij koos tegen de bedrieger Friedrich Weinreb, die tijdens de oorlog een fantast bleek die joden beloofde te redden uit handen van de nazi’s – eens schreef dat Kousbroek in zijn jonge jaren in Nederlands-Indië mishandeld was door zijn vader.

Brandt Corstius was een al even groot bewonderaar van Hermans als Van Gogh. Brandt Corstius en Hermans hadden nogal wat gemeen, misschien zelfs een vorm van autisme, zoals eens door een kenner en kennis van Hermans is opgemerkt. Maar er is een verschil: Hermans’ werk, hoe haatdragend en pesterig ook in zijn polemieken, kende tragiek, toont het menselijk tekort en toont zich daarin een romanticus, bij al zijn rationalisme. Lees de roman Nooit meer slapen en/of de verhalen ‘Het grote medelijden’ (in de verhalenbundel Een wonderkind of een total loss) of ‘Dood en weggeraakt’ (in de verhalenbundel De laatste roker) en zie de eenzaamheid en tragiek die eruit spreekt. Het was en is juist daardoor aangrijpend. Bij al zijn rationalisme was Hermans in wezen een romanticus, zoals Gerard Reve eens volkomen terecht opmerkte.

Brandt Corstius daarentegen was uitsluitend rationalist. Hij legde in dat rationalisme soms zelfs een schijnredelijkheid aan de dag die bij nadere beschouwing zo redelijk niet blijkt te zijn. Zie zijn ‘anti-anticommunisme’ in de jaren vijftig en ook zijn eveneens ‘anti-anticommunistische’ verzet tegen de plaatsing van kruisraketten in de jaren ’80 als antwoord op de Russische stationering van SS-20 raketten. Ook hier geldt: zijn ‘matiging’ tegenover de Koude Oorlogssfeer lijkt redelijk maar is dat niet. Veel redelijker waren mensen als J.L. Heldring, M.C. Brands, Karel van het Reve, Floris Cohen, Arie Spijkerboer, Bart Tromp en Renate Rubinstein, die in de bundel Te beginnen bij Nederland, Opstellen over oorlog en vrede in verscheidene bijdragen aan de discussie over de kruisraketten in 1983 duidelijk maakten hoe essentieel het onderscheid tussen democratie en dictatuur was (en is).  

Dat zich tussen de scribenten ook ex-geliefde Renate Rubinstein (foto) bevond zal het verzet tegen de ‘Koude oorlogssfeer’ bij Brandt Corstius hebben bevorderd. Nadat hij haar in vijftiger jaren in Propria Cures-sferen had ontmoet, raakte hij zo in de ban van haar dat hij haar, na afwijzing, begon te stalken. Of hij haar ieder middernachtelijk uur opbelde, blijft in het midden in de biografie en werd door Brandt Corstius hardnekkig ontkend, terwijl Rubinstein van mening bleef dat hij de beller was. Vanaf die tijd was het haat en nijd tussen de twee. Wie nu nog eens terugdenkt aan de vete die in de jaren ‘80 wekenlang in Vrij Nederland werd uitgevochten, wordt weer getroffen door het incestueuze karakter van het Amsterdamse literaire wereldje. De strijd om de kruisraketten was van ondergeschikt belang voor de twee kemphanen die een persoonlijke vendetta uitvochten. Wat een démasqué.

Kleinzielig was hun strijd, harteloos was ook Brandt Corstius’ roemruchte polemiek tegen criminoloog Wouter Buikhuisen. De vragen naar het ethisch gehalte van Buikhuisens voorgenomen maar nooit uitgevoerde onderzoek naar biologische aanleg bij criminaliteit konden zeker gesteld worden, want hoe meet je biologische aanleg, wanneer begin je met dat onderzoek en vooral: op wie pas je dat toe? Daarover heeft Buikhuisen nooit uitsluitsel gegeven en zijn onderzoek kwam (dan ook) nooit van de grond. Wetenschapsjournalist Hans van Maanen (Het Parool) heeft daaraan zinnige beschouwingen gewijd, eigenlijk in de trant van Brandt Corstius.

Maar die ging op dezelfde wijze tekeer als tegen het kabinet-Lubbers en haalde ook nu zijn stokpaard (de oorlog) van stal: het zou allemaal fascisme zijn, tot een nieuwe Holocaust kunnen leiden en meer van dergelijke apocalyptische beelden die toen, in de ‘rode jaren’ ‘70 wel aansloegen en Buikhuisen tot wanhoop dreven maar die iedere wezenlijke discussie smoorde. Het zijn vooral die niet aflatende aanvallen op Buikhuisen geweest die Brandt Corstius nu zo’n slechte naam geven, nu er al sinds decennia een (radicaal)rechtse politieke wind in Nederland (en in de wereld) waait – zo geheel anders dan zijn tegenvoeter Theo van Gogh die, zeker sinds hij vermoord werd door een radicale moslim, een held is van rechts Nederland.

Minder in het oog springend maar zeker zo ergerlijk en onheus waren zijn aanvallen op Carel Peeters, decennialang chef van de befaamde boekenbijlage van Vrij Nederland. Peeters was en is een zeer verdienstelijk essayist die allang de PC Hooftprijs had moeten krijgen voor zijn pittige en leesbare essays, bijeengebracht in bundels als Houdbare illusies en Hollandse pretenties. Wat was zijn ‘zonde’? Dat hij Brandt Corstius’ (alias Piet Grijs) bizarre kwalificatie van Renate Rubinstein als ‘neoantisemiet’ ‘lachwekkend kwaadaardig’ en ‘belachelijk’ had genoemd. Gevolg: Peeters werd wekenlang bestookt en bekritiseerd. Etty suggereert dat Peeters Brandt Corstius uit de kolommen van Vrij Nederland wilde weren na zijn onsmakelijke kwalificatie aan het adres van Rubinstein maar levert daarvoor geen flinter aan bewijs.

Deze en andere polemieken maken Brandt Corstius in retrospectief klein, hoe briljant geformuleerd zijn werk soms ook was. En dan vergeet ik nog de vele columns die hij besteedde om fouten en foutjes aan te wijzen in Harry Mulisch’ magnum opus De ontdekking van de hemel (1992). Zoveel afleveringen over dat ene boek…dit was geen recenseren meer, het was treiteren en pesten. Daarmee is de cirkel rond: Brandt Corstius was een pestkop, wiens pesterijen met hem het graf in zijn gegaan en gedateerd zijn. Wat blijft: zijn taalpuzzels, taalgrapjes en meer. Werk voor de liefhebber, gespeend van tragiek en emoties, een geniaal bouwpakket van een rationalist die zich met emoties geen raad wist.