
In 2006 vroeg Amsterdam University Press (AUP) me of ik een inleiding wilde schrijven bij de vierde druk van Napoleon. Voor en tegen in de Franse geschiedschrijving van historicus Pieter Geyl (1887-1966). De uitgeverij maakte er een eenvoudige (Printing on Demand) versie van. Niet zo vreemd, nu Geyl, destijds veertig jaar dood en nu al meer dan een halve eeuw niet meer onder ons, geen publieke figuur meer is. Mijn goede vriend Willem Bouwman, historicus en zeer gewaardeerd recensent van historische boeken voor het Nederlands Dagblad, bezorgde me dezer dagen een mooie uitgave van de tweede druk van het boek uit 1947 – ditmaal met de stofomslag, die bij mijn tweede druk ontbrak. Ineens dacht ik weer aan de inleiding die ik nu alweer achttien jaar geleden schreef. En besloot die op mijn website te presenteren aan een nieuw publiek. Bij deze.
Schrijver Harry Mulisch heeft, sprekend over boeken die de tand des tijds doorstaan, eens opgemerkt: ‘Het meesterwerk komt door de achterdeur’. Volgens Mulisch valt geen peil te trekken op de eeuwigheidswaarde van een werk. Een schrijver kan wel met het oog op de eeuwigheid schrijven, hij weet niet of één van zijn boeken die zal halen en al helemaal niet welk boek. Als voorbeeld noemde Mulisch Voltaire: die schreef een enorm oeuvre bijeen, maar alleen zijn bliksemsnel geschreven roman Candide (1759) wordt nog altijd gelezen.[1]
Valt iets dergelijks ook te zeggen over de Nederlandse historicus Pieter Geyl? Geyl schreef eveneens een enorm oeuvre, waarvan hijzelf zijn driedelige studie Geschiedenis van de Nederlandse stam als zijn belangrijkste werk beschouwde. Belangrijk was dat werk beslist, want Geyl schreef daarmee een alternatieve geschiedenis van Nederland – of liever gezegd: van de Nederlanden. Zijn Groot-Nederlandse gedachte, waarin benadrukt werd dat (het huidige) Nederland en België een taaleenheid vormen en bij elkaar waren gebleven als een grillig verloop van de geschiedenis geen noodlottige scheuring had veroorzaakt, heeft de kijk op de Nederlandse geschiedenis beïnvloed.[2] Maar Geyl mag met de Geschiedenis van de Nederlandse stam dan geschiedenis hebben geschreven, gelezen wordt het boek nauwelijks meer.
Heel anders is het gesteld met Geyls andere meesterwerk: Napoleon. Voor en tegen in de Franse geschiedschrijving, dat in 1946 werd gepubliceerd. Dit boek zou, na het verschijnen van de Engelse vertaling in 1949, Geyls definitieve doorbraak in het buitenland betekenen.[3] En dat terwijl Geyls meesterwerk, om Mulisch nogmaals aan te halen, als een meesterwerk door de achterdeur kwam. Napoleon was voor Geyl (foto) natuurlijk een ‘figuur’ (term waarmee hij karakteristieke persoonlijkheden typeerde), maar de keizer stond tijdens zijn studietijd in Leiden (1906-1912) niet in het centrum van zijn belangstelling en zou ook in de daaropvolgende Engelse jaren (1914-1935) niet naar dat centrum opschuiven. Als journalist van de Nieuwe Rotterdamsche Courant (1914-1919) werd Geyl voornamelijk in beslag genomen door de Eerste Wereldoorlog en door de Ierse kwestie – de poging van felle Ierse nationalisten om met behulp van Duitse wapens in opstand te komen tegen de Engelse overheersing. Als hoogleraar Dutch Studies en Dutch History (1919-1935) concentreerde Geyl zich op studie van de Engels-Nederlandse betrekkingen in de 17e en 18e eeuw. Op basis van uitgebreid archief onderzoek in Londense archieven publiceerde hij baanbrekende boeken als Willem IV en Engeland (1924) en Oranje en Stuart (1939).
Parallel
Napoleon kwam bij Geyl pas eind jaren dertig echt weer in het vizier. Geyl inmiddels in Nederland teruggekeerd, om in 1936 hoogleraar in de algemene en vaderlandse geschiedenis na de Middeleeuwen aan de Rijksuniversiteit Utrecht te worden. Naast die volledige leerstoel aanvaardde hij datzelfde jaar een buitengewoon professoraat in de algemene geschiedenis aan de Nederlandse Handelshogeschool – voorloper van de huidige Erasmus-universiteit. Destijds vormde Duitsland na de machtsovername van Adolf Hitler (foto) een geduchte bedreiging voor de vrede in Europa. Het had in 1936 het Rijnland bezet, voegde in 1938 Oostenrijk bij het ‘Grootduitse’ rijk, bedreigde dat jaar ook Tsjechoslowakije en annexeerde het in 1939.
Al die tijd keerde Geyl zich in het anti-nationaal-socialistische Utrechtsch Nieuwsblad fel tegen het imperialisme van de Duitse dictatuur. Na de Duitse inval in mei 1940 drongen zich aan Geyl parallellen op met de opkomst en ondergang van de Corsicaanse militair die het tot keizer van Frankrijk schopte maar in 1815 zijn Waterloo vond. Zoals het Napoleon was vergaan, zo zou het ook de Oostenrijkse korporaal vergaan die het tot Führer van Duitsland had gebracht en de brutaliteit beging Nederland te bezetten. Zonder de naam van Hitler ook maar één keer te noemen, schreef Geyl een artikel dat echter ongepubliceerd bleef. In september 1940, enkele maanden na de bezetting, trok hij op basis van dit ongepubliceerde artikel ten overstaan van studenten aan de Handelshogeschool, onder wie de latere premier Jelle Zijlstra[4], opnieuw de historische vergelijking.
In bedekte termen weliswaar, maar in het openbaar en niet mis te verstaan. Misverstaan werd het door de Duitsers dan ook niet. Reeds een maand later, op 7 oktober 1940, werd Geyl samen met 115 andere gijzelaars, onder wie de Tweede Kamerleden W. Drees (foto), M. van der Goes van Naters en H.W. Tilanus, afgevoerd naar het Duitse concentratiekamp Buchenwald. Daar verbleven de gijzelaars tot november 1941, waarna ze op transport werden gezet richting het in Noord-Brabant gelegen Haaren. Hier verbleven ze ruim een half jaar (november 1941 – mei 1942), om uiteindelijk te belanden in Sint Michielsgestel.[5] Hoewel in gevangenschap, hadden de gijzelaars hier tijd en rust om te vergaderen, te werken en te schrijven. Hen werd toegestaan boeken over te laten komen. Geyl maakte daar gretig gebruik van.
De oorlog deed zijn invloed gelden in de keuze van zijn onderwerp. De ‘Nederlandse stam’ kon hem niet langer meer zo boeien als in de jaren twintig en dertig. Nu, gevangen door de Duitse dictator, drong zich de parallel met Napoleon eerst recht aan Geyl op. In Sint Michielsgestel las hij naar eigen zeggen ‘tegen de klippen op’ over Napoleon en rijpte het plan een boek te schrijven.[6] Geyl was niet de enige Nederlandse historicus die getroffen was door een parallel. De Amsterdamse historicus Jacques Presser (foto) was al in 1937 begonnen aan een studie over Napoleon. Bij Presser stond volgens zijn biografe niet de parallel met Hitler maar die met Stalin centraal. Presser beschouwde de showprocessen van Stalin in communistisch Rusland tegen zijn mederevolutionairen van 1917 als een demasqué van de Russische Revolutie en meende dat Napoleon op een vergelijkbare wijze de idealen van de Franse Revolutie had verraden.[7] Hij voltooide zijn studie in het begin van de oorlog, maar kon die gezien het antisemitisme van de Duitse bezetter tijdens de oorlog onmogelijk publiceren.[8]
Restauratie
Had Presser van meet af aan een hekel aan Napoleon, Geyl stond – oorlog of geen oorlog – betrekkelijk onbevangen tegenover zijn onderwerp. In een brief aan zijn vriend en collega F.C. Gerretson (foto), hoogleraar koloniale geschiedenis te Utrecht, schreef hij op 28 juni 1943: ‘Ik ben nu bezig met het op schrift brengen van een beschouwing over de restauratie na Napoleon. Ik wil de onze in haar Europees kader plaatsen. Dit artikel zal de vrucht zijn van maanden van (voor een Nederlands historicus vrij avontuurlijke) lectuur’.[9] Twee dingen vallen op: Geyl nam zich voor een artikel te schrijven en dacht nog niet aan een boek. En hij had zijn eigenlijke onderwerp (de historiografische discussie in Frankrijk over Napoleon) nog niet gevonden. Zijn belangstelling voor de Nederlandse stam mocht dan wat zijn verflauwd, Geyl dacht nog steeds in een nationaal kader – de geboorte van de Nederlandse monarchie in 1813 wilde hij beschrijven in samenhang met de algehele restauratie in Europa na de val van Napoleon.
Maar eenmaal vrij liet Geyl de gedachten aan Napoleon en de Europese restauratie snel weer varen. In februari 1944 werd hij vrijgelaten. Eenmaal thuis in Utrecht, waar Geyl vanaf zijn benoeming als hoogleraar in 1936 tot aan zijn dood in 1966 woonde op Willem Barentzstraat 5, schreef hij in de onwaarschijnlijk korte tijdsspanne van zeven maanden Napoleon. Voor en tegen in de Franse geschiedschrijving. Dat hij ineens vorm en inhoud vond, dankte hij aan de herontdekking van het ongepubliceerde artikel, dat ging over de vele Franse interpretaties van de figuur Napoleon en diens opmerkelijke carrière.
Geyl moet in een roes hebben verkeerd, anders is de snelheid waarmee de ruim vijfhonderd pagina’s werden geschreven niet te verklaren. ‘Wat zijn grote gebeurtenissen (…) veel interessanter wanneer je ze op een afstand van een eeuw ziet, dan wanneer ze zich in je eigen tijd afspelen’, schreef hij zijn vriend Gerretson.[10] Dat nam niet weg dat hij de geallieerde invasie in Normandië op de voet volgde. Geyl hoopte zijn boek te voltooien voordat de zaak tot een ‘crisis’ zou leiden. Als hij daarmee bedoelde: voordat de beslissende strijd met Nazi-Duitsland had plaatsgevonden, dan vergiste hij zich. Al in september 1944, toen de strijd nog in volle gang was, kon Geyl zijn lijvige manuscript toesturen aan zijn vriend Gerretson. Die was er verrukt over, zo liet hij op 25 september 1944 weten: ‘Je Napoleon heeft me een kostbare dag ontroofd; maar hoezeer ik den dag betreur, ik ben den schrijver toch dankbaar; want ik heb van deze studie genoten en volop’.[11]
‘Discussie zonder eind’
Waarvan had Gerretson nu genoten? Van een studie waarin Geyl Franse voor- en tegenstanders van Napoleon besprak tussen 1815 en 1940. Bekende kopstukken als de Franse katholieke romanticus Chateaubriand en Napoleons ‘feministische’ tijdgenote Madame De Staël, maar ook minder bekende bewonderaars en tegenstanders zoals Baron Bignon en Pierre Lanfrey in de 19e eeuw en 20e eeuwse tegenhangers zoals Louis Madelin (foto) en Georges Lefebvre. Het inleidende gedeelte, getiteld ‘De discussie zonder eind’, geniet nog altijd de meeste bekendheid. Daarin zet Geyl in kort bestek zijn pragmatische geschiedopvatting uiteen: historische waarheden zijn betrekkelijke waarheden. Zij vertellen altijd maar een deel van het verhaal, dat vele kanten heeft. Ieder deel van de waarheid draagt bij aan de voorstelling, zonder dat ooit een alomvattende voorstelling of waarheid kan worden bereikt.
De slotzin van dit gedeelte is de meest beroemde zin die Geyl ooit schreef en de enige die bij velen nog bekend is: ‘Men kan de geschiedschrijving opvatten als een discussie zonder eind’. Eind, geen einde – want aan de geschiedschrijving en de historische discussie zou naar de opvatting van Geyl nooit een einde komen. Adolf Hitler kwam in het hele boek niet voor, behalve in de ‘voorrede’, waar Geyl instemmend de Britse oorlogsleider Winston Churchill (foto) aanhaalt, die eens had opgemerkt de vergelijking tussen Hitler en Napoleon te haten, maar er niet onderuit te kunnen. Dat kon Geyl ook niet, maar hij beperkte zich tot de vergelijking in de inleiding, waarin hij Napoleon schetste als een, vergeleken met Hitler, ‘geremde’ dictator, die wel bloedig te werk ging, maar niet zo moorddadig als Hitler.
Napoleon. Voor en tegen in de Franse geschiedschrijving werd in 1946 gepubliceerd door de Utrechtse uitgever Oosthoek (de afbeelding hiernaast is de vierde druk uit 2006 van AUP). Het boek vond onmiddellijk zoveel aftrek, dat het in 1947 een tweede druk beleefde. In de pers kreeg Napoleon een breed onthaal. Vrijwel alle grote Nederlandse kranten en weekbladen (Algemeen Handelsblad, Vrij Nederland) besteedden aandacht aan het boek. Het oordeel was doorgaans lovend. ‘Prof. dr. P. Geyl heeft ons met zijn laatste studie een boek geschonken dat niet alleen van belang is voor de vakhistoricus, maar ook voor den leek’, schreef het Algemeen Handelsblad op 6 juli 1946. Vrij Nederland prees een maand later, op 3 augustus 1946, de ‘superieure wijze waarop de schrijver zijn originele behandeling hanteert: de opsomming van al die talloze details, die op zo’n verschillende wijze blijken te kunnen worden uitgelegd, had net zo goed kunnen… vervelen. Geyls verdienste is, dat geen van beide gebeurt en daardoor blijft zijn verdienste, dat hij zijn lezer een heilzaam lesje geeft in de problematiek van historische grootheid en zelfs in de problematiek van ieder historisch gebeuren’.
Onaangedaan
Ook in Vlaanderen, de provincie die zozeer zijn hart had, bleef Geyls Napoleon- studie niet onopgemerkt. De Standaard noemde het op 7 maart 1948 ‘een prachtstudie’. ‘Beurtelings’, schreef het blad, ‘worden de verschillende types de bewonderaars en de verguizers onder de loupe genomen. En of Prof. Geyl scherp ontleedt! Geen enkel komt er heelhuids onderuit!’ En de Dietsche Warande en Belfort noemde het boek ‘een schitterende synthese’.[12] Op 27 november 1946 sprak de befaamde mediëvist F.L. Ganshof (foto) op de Brusselse radio, die oordeelde dat Napoleon voor en tegen door ‘elk geletterd mens gelezen en genoten’ kon worden. Ook grote culturele tijdschriften ruimden kolommen in voor een bespreking, die vaak wat meer analyserend van karakter waren.
Zo publiceerde het ‘Katholiek cultureel tijdschrift’ Streven een uitvoerige beschouwing, boog de historicus A.E. Cohen (foto) zich in het Tijdschrift voor Geschiedenis over het boek en had F. Smekens vele pagina’s nodig voor een bespreking in het Nieuw Vlaams Tijdschrift.[13] De meest interessante bespreking kwam echter van Presser, wiens studie Napoleon. Historie en legende ongeveer tegelijkertijd met de studie van Geyl was gepubliceerd. Presser begon zijn recensie beleefd door eer te bewijzen aan Geyls ‘grote belezenheid’, zijn ‘diepgaand oordeel’ en zijn ‘hoogontwikkelde zin voor historische problematiek’. Maar hij eindigde des te kritischer: dit boek was niet met bloed geschreven, het was onaangedaan. Het had, wat Presser betreft, ook voor de oorlog kunnen worden beschreven. ‘Als het onderwerp hem geobsedeerd heeft, verraadt hij dat nergens’.[14]
Geyl toonde zich ‘verwonderd’ over deze kritiek. In een brief aan een Duitse collega schreef hij in zijn studie over de Napoleonhistoriografie tussen twee klippen te hebben doorgevaren. Hij wenste een ‘normenloos historisme’, waarin ieder oordeel werd geschuwd, evenzeer te vermijden als een ‘onhistorisch moralisme’, waarin de lezer op iedere pagina werd verveeld met het oordeel van de auteur. ‘Ik geloof dat wij, zoals in de historie en in het leven zo dikwijls, moeten trachten dergelijke tegenstellingen te verzoenen (…). Dat is wat ik heb nagestreefd, en ik ben mij meer en meer bewust geworden dat daarin voor mij de historische wijsheid ligt’.[15] De kritiek van Presser was extra pijnlijk omdat hem, en niet Geyl, de Wijnaendts-Franckenprijs werd toegekend voor het beste werk dat in 1947 verscheen op het terrein van de cultuurgeschiedenis en biografie. Waar Presser werd geprezen voor zijn ‘briljant van geest’ en ‘boeiend geschreven’ boek, werd Napoleon voor en tegen door de jury bekritiseerd omdat de besproken historici onvoldoende waren geportretteerd tegen de achtergrond van de historische omstandigheden en geestelijke bewegingen van hun tijd. Geërgerd schreef Geyl in de kantlijn van het rapport: ‘Wie waren de leden van die commissie? Nazien!’ [16]
Weerklank
Geyl mocht zichzelf troosten met het feit dat zijn boek buiten Nederland meer weerklank vond dan de studie van Presser. In 1949 werd Napoleon voor en tegen vertaald in het Engels door Olive Renier, de vrouw van Geyls levenslange vriend G.J. Renier (foto), zijn opvolger als hoogleraar in Londen. Zij was al snel na de publicatie van het boek in 1946 aan de vertaling begonnen. Begin 1947 ontving Geyl een eerste proeve. Die viel hem niet mee, zo liet hij zijn vriend Gerretson weten.[17] Het duurde dan ook even voor het boek verscheen. In 1949 was het zover. Bij uitgeverij Jonathan Cape rolde Napoleon For and Against, zoals de titel kort en krachtig luidde, van de persen. Het boek oefende vooral op de Angelsaksische wereld aantrekkingskracht uit: hier was niet een zoveelste biografie over Napoleon, maar een historiografische studie die liet zien hoe verschillend er, in verschillende tijdvakken bovendien, over de Franse heerser werd gedacht.
Daarbij kon het eerste hoofdstuk (waarin de ‘discussie zonder eind’ werd beargumenteerd) gelezen worden als een proeve van pragmatische geschiedfilosofie, die sterk aansloot bij de nuchtere opvattingen over historiografie in Engeland en de Verenigde Staten. De Engelse maar vooral de Amerikaanse recensenten leken bovendien geïmponeerd dat het boek in gevangenschap was ontstaan. Zo schreef de Europese editie van de New York Herald Tribune op 26 januari 1949, na een vergelijking te hebben getrokken tussen Napoleon en Hitler: ‘During his internment in Buchenwald and elswhere, a Dutch Historian, Professor Pieter Geyl, had time and opportunity to meditate on this historic parallel’. De krant noemde het resultaat ‘fascinating.
Maar Napoleon For and against werd ook zonder die bijzondere wordingsgeschiedenis onthaald als een meesterwerk. Voor A.J.P. Taylor (foto), die later zou uitgroeien tot de publiekslieveling onder de Britse historici met splijtende recensies en spraakmakende televisieprogramma’s[18], was dit boek een grote ontdekking. Geyl ‘has achieved the rare feat of writing a book which is satisfying and stimulating both to the professional historian and to the general reader’.[19] In een uitgebreidere bespreking in The New Statesman zou Taylor Geyl ‘one of the great historical minds of our time’ noemen. Geyl had met zijn historiografische studie aangetoond dat goede geschiedschrijving meer is dan vermaak: het zet aan tot kritisch denken. Vergelijkbaar oordeelde de christelijke historicus Herbert Butterfield, die meende dat Geyl een boek voor het grote publiek had geschreven, maar dat publiek tegelijkertijd leerde dat geschiedschrijving niet slechts een verhaal maar vooral een interpretatie was.[20] Gedurende 1949 regende het recensies in de Angelsaksische wereld.[21]
Frankrijk
In Frankrijk, het onderwerp van zijn studie, bleef het daarentegen angstvallig stil. Napoleon was en bleef voor de Fransen, daar kon Geyl niets toe- of afdoen. Wel signaleerde Georges Lefebvre (foto) het boek in 1951 waarderend in de Revue Historique.[22] Pikant was dat Lefebvre zelf uitgebreid werd besproken in Napoleon. Voor en tegen in de Franse geschiedschrijving.[23] Lefebvre (1874-1959) gold als één van de grote historici uit zijn tijd.[24] Hij was een kenner van de Franse Revolutie, waaraan hij in 1924 zijn dissertatie wijdde[25] en waarover hij in 1930 een tweedelig overzichtswerk schreef. In 1935 verscheen zijn veelgeprezen studie over Napoleon, dat door Geyl werd gelezen als ‘een handboek van wereldgeschiedenis voor het tijdvak 1799-1815.[26] Lefebvre betreurde in zijn bespreking dat Geyls studie wel in het Engels maar niet in het Frans was vertaald. Hij voegde de daad bij het woord en poogde het boek tevergeefs onder te brengen bij uitgeverij Hachette.
Zonder succes. Volgens Lefebvre omdat Geyl zich in Napoleon voor en tegen kritisch had uitgelaten over een andere auteur uit het fonds: Louis Madelin.[27] Dat was inderdaad het geval.[28] Madelins tweedelige studie Consulat et Empire (1932/1933) kon Geyl maar matig bekoren. Hoewel Madelin lid was van de prestigieuze Académie Française, omschreef Geyl hem als ‘de minst markante persoonlijkheid’ onder de ‘onsterfelijken’ (zoals leden van de Académie werden genoemd) die hij in zijn studie over de Napoleonhistoriografie was tegengekomen.[29] ‘Belangrijke nieuwe gezichtspunten’ had Geyl niet aangetroffen in het werk van Madelin. Dat Madelins uitgever zich niet happig toonde Geyls studie uit te geven, laat zich denken. Maar ook van een andere Franse uitgever zou het niet komen. Lefebvre had Geyl nog wel Les Presses universitaires de France aanbevolen, maar hij erkende niet optimistisch te zijn over de kansen: het Franse publiek zou minder ontvankelijk zijn voor buitenlandse publicaties dan het Angelsaksische.[30] Daarmee waren Geyls kansen op een Franse vertaling verkeken. Nog in zijn laatste levensjaar treurde Geyl daarover, zo kan worden afgeleid uit een brief die hij op 8 januari 1966 schreef aan J. Godechet, decaan van de faculteit der letteren van de universiteit van Toulouse.[31]
Geyl kon zich troosten met blijvende belangstelling voor zijn werk in het Angelsaksische taalgebied. In 1952 werd Napoleon For and against herdrukt en vijf jaar later herzag en vermeerderde Geyl zijn werk nog eens, om het in 1964 en 1965 nog eens in herdruk te zien verschijnen. Geyl lijkt zich de kritiek uit de Angelsaksische wereld te hebben aangetrokken, waarin gewezen werd op het ontbreken van de grote 19e-eeuwse historicus Jules Michelet.[32] Die werd, samen met de schrijver Stendhal, opgenomen in de nieuwe editie. Had Geyl nog geleefd, dan had hij zich kunnen verheugen in een Zweedse vertaling (1967) en zelfs in een Roemeense (1968).[33] Ook zijn Nederlandse uitgever Oosthoek zag in 1965 genoeg reden het boek nog eens, maar nu als paperback, te herdrukken. Ditmaal waren de reacties en recensies minder uitbundig: het boek was klassiek geworden en werd ook als zodanig erkend.
Invloed
Nu, veertig jaar na Geyls dood, kan Napoleon voor en tegen in de Franse geschiedschrijving tot zijn belangrijkste en zeker tot zijn meest invloedrijke werken worden gerekend. Nog altijd wordt er, in het bijzonder in de Angelsaksische wereld, naar verwezen. In nieuwe studies over Napoleon wordt Geyl met eer genoemd. De historicus Steven Englund bijvoorbeeld rekent Geyl in zijn sublieme studie Napoleon. A Political Life (2004) samen met Georges Lefebvre tot de ‘classic names of scholarschip’, die zich over Napoleon hebben gebogen.[34] Maar ook buiten de wereld van Napoleonspecialisten doet het boek zijn invloed nog gelden. Zo begon de Amerikaanse historicus van Hongaarse komaf John Lukacs geïnspireerd door Napoleon For and Against te werken aan een studie, die enkele jaren later (in 1998) zou verschijnen onder de titel The Hitler of History. Lukacs startte zijn onderzoek naar eigen zeggen in oktober 1994, precies vijftig jaar nadat Geyl zijn manuscript af had.[35] Zoals Geyl de historiografische discussie in Frankrijk over Napoleon had beschreven, zo wilde Lukacs de historiografische discussie over Hitler beschrijven. Met dit verschil dat Lukacs zich niet beperkte tot een nationale discussie, maar een scherpe interpretatie van de wereldwijde discussie over Hitler trachtte te geven.
Hij was niet de enige die een historiografische studie begon met een verwijzing naar Geyls aanpak en uitgangspunt: de discussie zonder eind. Ook R.J.B. Bosworth, die het debat over de verschrikkingen in Auschwitz en Hirosjima beschreef, wist zich door Geyl geïnspireerd.[36] En Geyls directe leerling H.W. von der Dunk (foto), tussen 1967 en 1990 hoogleraar contemporaine en cultuurgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht, gaf eveneens hoog op van het boek dat hij als student las. In een vraaggesprek in 2005 noemde hij Napoleon voor en tegen in de Franse geschiedschrijving onder de vijf boeken die hem blijvend boeien. De studie verschaft een ‘prachtig beeld van de intellectuele ontwikkeling van de geschiedschrijving en tegelijkertijd van het probleem van de objectiviteit’.[37] Zo is het. Als bijdrage aan de historiografie over Napoleon mag het boek inmiddels door de tijd zijn ingehaald – het onderzoek naar het fenomeen en zijn tijd is de afgelopen zestig jaar immers onverminderd doorgegaan – als proeve van historiografische kennis, van compositorisch vermogen en van nuchtere beschouwing staat op Napoleon voor en tegen in de Franse geschiedschrijving nog altijd geen maat.
[1] Vgl. Harry Mulisch, De mythische formule. Dertig gesprekken 1951-1981. Samengesteld door Marita Mathijsen (Amsterdam 1981) p. 234
[2] Vgl. voor een kritische waardering van het oeuvre van Geyl Wim Berkelaar, ‘Pieter Geyl’, in: Kritisch Denkers Lexicon 34 (december 2004) p. 1-20
[3] Definitief, omdat hij vooral in de Angelsaksische wereld al bekendheid genoot als scherpzinnig debater sinds zijn discussie met de Britse historicus Arnold Toynbee over diens speculatieve geschiedfilosofische werk A Study of History op 4 januari en 7 maart 1948 voor de BBC-radio. Vgl. Can we know the pattern of the past? Discussion between P. Geyl professor in the University of Utrecht and Arnold J. Toynbee professor in the University of London concerning Toynbee’s book A Study of History (Bussum 1948)
[4] Vgl. P. Geyl, ‘Levenverhaal (tot 1945)’, in: P. Geyl, Pennestrijd over staat en historie (Groningen 1971), p. 355-356
[5] Vgl. Madelon de Keizer, De gijzelaars van Sint Michielsgestel. Een eliteberaad in oorlogstijd (Alphen aan de Rijn 1979)
[6] Vgl. Geyl, ‘Levensverhaal’, p. 363
[7] Nanda van der Zee, Jacques Presser. Het gelijk van de twijfel. Een biografie (Soesterberg 2002, herziene druk) p. 95-96
[8] J. Presser, Napoleon. Historie en legende (Amsterdam-Brussel 1946)
[9] Geyl aan Gerretson, 28 juni 1943, in: P. van Hees en G. Puchinger (red.) Briefwisseling Gerretson-Geyl, deel IV (Baarn 1981) p. 101
[10] Geyl aan Gerretson, 15 augustus 1944, in: P. van Hees en G. Puchinger (red.) Briefwisseling Gerretson-Geyl, deel IV (Baarn 1981) p. 199
[11] Gerretson aan Geyl, 25 september 1944, in: P. van Hees en G. Puchinger (red.) Briefwisseling Gerretson-Geyl, deel IV (Baarn 1981) p. 214
[12] Dietsche Warande en Belfort, jg. 48 (september-oktober 1948) p. 510-512
[13] Vgl. K.J. Derks, ‘De Napoleon-legende’, in: Streven 76 (1947) p. 356-367; A.E. Cohen, ‘Beoordeling van Napoleon in de Franse historiografie’, in: Tijdschrift voor Geschiedenis 61 (1948) p. 171-174; F. Smekens, ‘Generaties beschouwen een dictator’, in: Nieuw Vlaams Tijdschrift, 2 (1947-1948) p. 301-314
[14] J. Presser, ‘Napoleon. Historische waarheid of vergruisd beeld II’, in: Critisch Bulletin, 14 (1947) p. 341-343
[15] Universiteitsbibliotheek Utrecht (UBU), archief Geyl, XV 2, Duitse correspondentie 1946-1956. Brief van P. Geyl aan W. Andreas, 9 januari 1953
[16] UBU, archief Geyl, nog niet geïnventariseerd gedeelte: knipsels over Napoleon. Voor en tegen in de Franse geschiedschrijving: Verslag van de Wijnaendts-Franckencommissie
[17] Geyl aan Gerretson, 27 januari 1947, in: P. van Hees en G. Puchinger (red.) Briefwisseling Gerretson-Geyl, deel V (Baarn 1981) p. 66
[18] Vgl. Adam Sisman, A.J.P. Taylor. A Biography (Londen 1994)
[19] A.J.P. Taylor, ‘Historians of Napoleon’, in: Manchester Guardian, 10 februari 1949
[20] Herbert Butterfield, ‘Napoleon and the Study of History’, in: Time and Tide, 22 januari 1949
[21] Het archief-Geyl bevat pagina’s lange uittreksels uit de overwegend lovende recensies in Engeland en Amerika.
[22] Revue Historique, april-juni 1951, p. 298
[23] Vgl. Geyl, ‘Nog een universitair. Georges Lefebvre’, in: Napoleon. Voor en tegen in de Franse geschiedschrijving, p. 472-501
[24] Vgl. Jacques-Olivier Boudon, ‘Georges Lefebvre, Historien de Napoléon’, in: Georges Lefebvre, Napoléon (Parijs 2005), p. 7-23. Met dank aan historicus Joost Welten, die me op dit artikel wees.
[25] Les Paysans du Nord pendant la Révolution française (Parijs 1924)
[26] Geyl, Napoleon. Voor en tegen in de Franse geschiedschrijving, p. 472
[27] UBU, archief Geyl. XV Franse en Italiaanse correspondentie. Brief Georges Lefebvre aan Geyl, 31 mei 1951
[28] Geyl, ‘Louis Madelin’, in: Napoleon. Voor en tegen in de Franse geschiedschrijving, p. 436-451
[29] Napoleon. Voor en tegen in de Franse geschiedschrijving, p. 436
[30] UBU, archief Geyl. XV Franse en Italiaanse correspondentie. Brief Georges Lefebvre aan Geyl, 31 mei 1951
[31] UBU, archief Geyl. XV Franse en Italiaanse correspondentie. Brief Geyl, aan Godechot, 8 januari 1966
[32] Albert Guerard, ‘The Napoleonic Legend’, in: The New York Herald Tribune, 21 augustus 1949 had daarop bijvoorbeeld gewezen: ‘Michelet’s testimony should not be ignored, for Michelet remains the greatest of French Historians’.
[33] Vgl. P. van Hees, Bibliografie van P. Geyl (Groningen 1972) p. 48-49, nr. 608
[34] Steven Englund, Napoleon. A Political Life (New York 2004) p. 222
[35] Vgl. John Lukacs, The Hitler of History (New York: Vintage books 1998); Nederlandse vertaling: Hitler en de geschiedenis (Antwerpen: Icarus/Anthos 1999)
[36] Vgl. R.J.B. Bosworth, Explaining Auschwitz and Hirosjima. Historywriting and the Second World War (New York 1993) p. 11-15
[37] Eva van den Broek, ‘De keuze van Hermann von der Dunk’, in: De Academische Boekengids, nr. 49, maart 2005, p. 20



















