Nog eens Pieter van Hees (1937-2021), die voor Pieter Geyl was wat Theodore Besterman was voor Voltaire: onbaatzuchtig bezorger van diens werk

Eind 2022 werd ik door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde gevraagd een necrologie te schrijven over historicus Pieter van Hees. Omdat ik al eerder over Van Hees had geschreven op deze website, in het bijzonder over zijn faire en evenwichtige oordelen in discussies, werd me nu gevraagd naar een algemeen (beknopt) overzicht van zijn leven en werk. Ik voldeed graag aan het verzoek, omdat Van Hees niet alleen een uitstekend historicus was maar ook een goede vriend aan wie ik nog dikwijls met weemoed terugdenk.

Pieter van Hees werd op 14 oktober 1937 in Barneveld geboren als zoon van Peter van Hees en Ida Kuit. Hij was de oudste van vier kinderen. Zijn vader had de kweekschool doorlopen en werd onderwijzer in Garderen. Later deed hij MO geschiedenis en werd eerst leraar aan de Mulo en later aan de Jan van Nassau kweekschool (thans Pabo) in Utrecht. Voor haar trouwen was Van Hees’ moeder eveneens onderwijzeres. Pieter van Hees zat een jaar in Garderen op de lagere school. Na verhuizing naar Nijmegen bezocht hij lagere school de Klokkenberg aldaar en ging aansluitend naar de middelbare school aan het lyceum in Arnhem. Na verhuizing naar Utrecht ging het gezin wonen aan de Gerard Doustraat 31 en bezocht hij het Christelijk Lyceum in Zeist.

Van Hees ging in 1956 geschiedenis studeren aan de Rijksuniversiteit Utrecht en vatte onder invloed van hoogleraar Algemene en Vaderlandse Geschiedenis na de Middeleeuwen Pieter Geyl (1887-1966, foto) al snel grote belangstelling op voor de Vlaamse Beweging die zich sterk maakte voor politieke en taalkundige gelijkwaardigheid in België. Geyl was enige jaren voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog onder de indruk geraakt van de Vlaamse strijd voor gelijkberechtiging en zou in het Interbellum als voorstander van Groot-Nederland sterk betrokken raken bij de Vlaamse politiek en contact onderhouden met tal van Vlaamse politici en intellectuelen.

Hoewel student Van Hees Geyl maar twee jaar zou meemaken als hoogleraar (Geyl ging in 1958 met emeritaat) zou hij van grote invloed zijn op zijn leven en werken. Zo zelfs dat zijn naam onlosmakelijk verbonden zal blijven met die van Geyl. Na zijn vertrek bij de universiteit zocht Geyl een student-assistent om zijn omvangrijke archief, bestemd voor de universiteitsbibliotheek Utrecht (waar het nog steeds berust), en correspondentie te ordenen. Die student werd Pieter van Hees, die ten huize van Geyl aan de Willem Barentszstraat in Utrecht stukken ordende en knipsels over de Vlaamse Beweging bijeenbracht voor de professor.

Zijn student-assistentschap leverde hem financieel iets op en legde hem ook intellectueel geen windeieren: Van Hees zou zich ontpoppen tot een groot kenner van de Vlaamse Beweging en van de Nederlanders die zich hierbij betrokken toonden, allereerst Geyl maar ook diens vrienden Carel Gerretson (1884-1958, foto) en Pieter Nicolaas van Eyck (1887-1954). Hij schreef een ook met terugwerkende kracht nog altijd indrukwekkende doctoraalscriptie onder de titel De Vlaamse Beweging en de strijd om een Vlaamse Hogeschool, waarvoor hij uitputtend onderzoek deed in archieven en bibliotheken in Antwerpen, Gent en Brussel. Nog voor zijn afstuderen kreeg Van Hees een bijzondere aanstelling bij de universiteit, mogelijk gemaakt door een fonds met de bedoeling het verzameld werk van Pieter Geyl uit te geven. Dat zou er nooit komen.

Er waren bij leven van Geyl zoveel herdrukken verschenen dat er geen markt meer leek voor een verzameld werk. Bovendien raakte ‘reformistisch conservatief’ Geyl na zijn dood in 1966 al snel uit de mode, heel anders dan zijn Amsterdamse tegenvoeter Jan Romein (1893-1962, foto), die bij radicale studenten en docenten in de ‘rode’ jaren zeventig populair was. Wel zou Van Hees de Bibliografie van P. Geyl (1972) samenstellen: een overzicht van 1049 publicaties plus een beknopte beschrijving van het Geyl-archief, gecompleteerd met biografisch materiaal en enkele herdenkingsartikelen die na Geyls overlijden waren verschenen.

Nu een verzameld werk van de baan was werd een nieuwe mogelijkheid gezocht om Geyls nalatenschap onder de aandacht te brengen. Allereerst werden drie voordrachten, gehouden voor de Academie voor Wetenschappen, gebundeld en aangevuld met Geyls levensverhaal, zoals verteld aan de historicus R.L. Schuursma. De bundel verscheen onder de titel Pennestrijd over Staat en historie (1971) De annotatie bij het werk werd verricht door Van Hees, die intussen samen met Geyl-promotus Arie Willemsen werkte aan een ambitieuzer en tijdrovender project: de uitgave van Geyls correspondentie met zijn vele Vlaamse connecties voor en na de Tweede Wereldoorlog. Geyl en Vlaanderen (1973-1975) werd een ‘fundgrube’ voor onderzoekers en zorgde voor een heuse Historikerstreit over de vraag of Geyl ‘goed’ of ‘fout’ zat met zijn engagement met de Vlaamse Beweging. De doorgaans evenwichtige en enigszins introverte Pieter van Hees, anders dan Geyl geen polemist van nature, trok evenals andere Utrechtse leerlingen (Willemsen, H.W. von der Dunk) partij voor de man wiens werk hij met zoveel accuratesse bezorgde.

Kort na de publicatie van Geyl en Vlaanderen had de Vlaamse historicus Louis Vos de aanval ingezet op Geyls reputatie. Hij betoogde dat Geyl helemaal niet de gematigde geëngageerde met de Vlaamse Beweging was geweest maar een Nederlands nationalist met een eigen, anti-Belgische agenda. Vos borduurde met deze kritiek voort op die van zijn leermeester Lode Wils die al eerder geschreven had dat de rol van radicale Vlaamse nationalisten in de emancipatiestrijd was overschat. Van Hees hield zijn kruit nog droog bij deze aanval maar kwam enkele jaren later alsnog in het geweer. Met de VU-historicus George Puchinger had hij inmiddels de Briefwisseling Gerretson-Geyl (1979-1981) gepubliceerd die met veel waardering werd ontvangen.

De Groningse historicus E.H. Kossmann (1922-2003, foto) prees de ‘grote precisie’, waarmee de briefwisseling was geannoteerd en roemde de briefschrijvers Gerretson en Geyl die door hun ‘curieuze (Groot-Nederlandse) preoccupaties’ nooit zo’n stempel op de Nederlandse cultuurgeschiedenis hadden kunnen zetten als Johan Huizinga en Menno ter Braak. De briefwisseling deed intussen de polemiek rond Pieter Geyl opnieuw opvlammen en ditmaal liet Van Hees zich niet onbetuigd. Geprikkeld door Lode Wils, die betoogde dat de briefwisseling Gerretson-Geyl eens temeer duidelijk maakte hoe ‘fout’ vooral Geyl was geweest: hij zou een imperialistische agent van Nederland zijn geweest die de nationaalsocialistische ‘Flamenpolitiek’ in de kaart zou hebben gespeeld. Met Willemsen bekritiseerde Van Hees Wils’ eclectisch gebruik van de brieven. Hij erkende wel dat Geyl gretig in de Vlaamse politiek intervenieerde met soms tegenstrijdige adviezen maar Geyl zou nimmer het doel hebben Vlaanderen te verzwakken.

Deze polemiek, die de tegenstellingen blootlegde tussen ‘Leuven’ en ‘Utrecht’, toonde een weinig bekende kant van Van Hees: als hij de indruk had dat de historische werkelijkheid geweld werd aangedaan kon hij verontwaardigd reageren over gevoeld (historisch) onrecht. Hij deed dat zelden. Wie zijn omvangrijke lijst van publicaties, bestaande uit recensies en onderzoeks-artikelen, overziet valt op dat hij eerst en vooral een vakman was in de brede betekenis van het woord: hij was belezen, breed geïnteresseerd en een uitstekend onderzoeker.

Zijn aanstelling als bezorger van Geyls werk combineerde Van Hees vanaf eind jaren zestig met een baan als geschiedenisleraar bij het Reformatorisch College Blaucapel (inmiddels Gerrit Rietveldcollege geheten) in Utrecht, waaraan hij halftijds verbonden werd en lesgaf in zowel de onderbouw als de bovenbouw. Als geschiedenisleraar was Van Hees veeleer degelijk dan sprankelend. Dat hij zich desondanks met de school, waar hij ruim twee decennia werkte, verbonden voelde, bleek toen hij er – samen met zijn collega-geschiedenisleraar Bert van der Wal – na zijn vertrek de beknopte geschiedenis van optekende. Hij leerde op school bovendien zijn levenspartner kennen, de neerlandica Serieke Verschuur.

Terwijl de meeste geschiedenisleraren door drukte en verantwoordelijkheden op school niet of nauwelijks aan schrijven toekomen, publiceerde Van Hees jaarlijks vele recensies in uiteenlopende periodieken als Kleio, het vaktijdschrift voor geschiedenisdocenten, Bijdragen en mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden en het Tijdschrift voor Geschiedenis. Aparte vermelding verdienen daarbij zijn vele publicaties in Wetenschappelijke Tijdingen, het tijdschrift over de geschiedenis van de Vlaamse Beweging en zijn bijdragen aan de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973-1975) en aan de geheel vernieuwde en herziene editie, die in 1998 verscheen (foto). Van Hees werd een vraagbaak voor Nederlandse historici die iets wilden weten over de geschiedenis van Vlaanderen en de Vlaamse Beweging en onderhield nauwe contacten met Vlaamse historici.

Gezien zijn kennis van en interesse in de Vlaamse Beweging lag het voor de hand dat Van Hees ooit een boek zou schrijven over Geyl en Groot-Nederland. Daar begon hij evenwel niet aan. Wel aan een boek over Geyl en Engeland, waarin hij in wilde gaan op de invloed die Geyls verblijf aldaar (tussen 1914 en 1935) had op zijn geschiedschrijving en zijn connecties met Angelsaksische historici. Het boek kwam er niet, hij vond het onderwerp bij nader inzien te beperkt en daarbij kan geconstateerd worden dat het schrijven van boeken Van Hees’ levensvorm niet was: hij was veeleer een (uitstekend) bezorger dan een schrijver van boeken. Toch zou hij in 1995 nog een belangrijk aandeel hebben in het mede onder zijn redactie verschenen boek Tussen cultuur en politiek dat bij het eeuwfeest van het Algemeen-Nederlands Verbond verscheen, de organisatie in Nederland en België die zich sterk maakte voor de bestudering en bevordering van een gemeenschappelijke taal en cultuur

Maar bezorging van Geyls correspondentie bleef gedurende de jaren ’70 en ’80 de kern van zijn historisch werk. Enkele jaren na de succesvolle briefwisseling Gerretson-Geyl bezorgde Van Hees, wederom met George Puchinger, de briefwisseling Gerretson-Van Eyck (1984). Van het plan om ook de briefwisseling tussen Geyl en Van Eyck – bevriend sinds de middelbare school – uit te geven kwam niets. Wel bleef hij op basis van de door hem ontgonnen en bestudeerde archieven artikelen schrijven. Soms grensverleggende en veel inzicht gevende, zoals dat over de historische vaktijdschriften in de 20ste eeuw, waarvoor hij zijn grote kennis van het archief-Geyl benutte.

Van Hees werd in de jaren ’90 steeds meer ingeschakeld in het universitair onderwijs. Hij onderwees studenten en begeleidde scripties en was inmiddels kamergenoot van Hans Righart (1954-2001, foto), de in 1988 aangetreden hoogleraar politieke geschiedenis die in 2001 op 47-jarige leeftijd stierf. Zijn overlijden greep Van Hees hevig aan en hij hield een bewogen toespraak bij zijn begrafenis. Twee jaar later, in 2003, nam hij afscheid van de Utrechtse universiteit, na tien jaar daarvoor al afscheid te hebben genomen van College Blaucapel. Ter gelegenheid van zijn afscheid werd een symposium georganiseerd waarbij onder meer de twee antagonisten H.W. von der Dunk (Utrecht) en Lode Wils (Leuven) spraken. De laatste, met wie Van Hees de degens gekruist had over de al dan niet ‘foute’ Geyl, sprak met warme bewoordingen over de Nederlandse historicus die zoveel betekend had voor de geschiedschrijving van de Vlaamse Beweging.

Van Hees viel na zijn afscheid niet in een gat maar ging onverdroten door met onderzoek en publiceren. Nog eenmaal gaf hij blijk van zijn grote gaven als zorgvuldig bezorger en groot kenner van het werk van Pieter Geyl. Met historicus Leen Dorsman en schrijver dezes bracht hij een al langer gekoesterde wens in vervulling: de publicatie van de autobiografie van Geyl (foto). Van Hees was in de jaren ’80 al eens door een uitgever benaderd met het verzoek of dat manuscript niet kon worden uitgeven. De zoon en dochter van Geyl leefden destijds nog en koesterden grote bezwaren tegen een publicatie omdat hun vader openhartig sprak over de zelfdoding van zijn vrouw en hun moeder en onbeschroomd vertelde over zijn seksuele escapades. Het manuscript, dat tot 1940 liep, bood daarnaast echter ook veel inzicht in zijn contacten met de Vlaamse Beweging in het Interbellum, zijn omstreden benoeming in 1936 als hoogleraar in Utrecht en zijn contacten met historici van andere universiteiten. Geyl schreef ook uitvoerig over wat is bekend komen te staan als de ‘affaire-Colenbrander’: het plagiaat van de Leidse hoogleraar die het bestond grote delen van de Belgische historicus Henri Pirenne over te schrijven voor zijn herdenking van Willem van Oranje in 1933.

Geyls autobiografie verscheen in 2009 onder de titel Ik die zo weinig in mijn verleden leef. Even leek ook die andere wens in vervulling te gaan, de bezorging van de briefwisseling tussen Pieter Geyl en Gustaaf Renier (1892-1962, foto), zijn uiteindelijke opvolger als hoogleraar Nederlandse geschiedenis in Londen. Over die briefwisseling had hij in het letterkundig tijdschrift Maatstaf in 1987 al geestdriftig geschreven. Maar uitgevers zaten in het digitale tijdperk niet te wachten op een papieren uitgave van 900 (!) brieven die tussen 1917 en 1962 tussen de twee waren gewisseld.

In november 2016 reisde de toen 79-jarige Van Hees af naar Londen waar een halve eeuw na diens dood een symposium werd gehouden over Pieter Geyl. Geyl was in 1919 in de Engelse hoofdstad benoemd tot hoogleraar ‘Dutch Studies”. In het gezelschap van Geyl-kenners, dat in 2016 stilstond bij Geyls Engelse jaren, was Van Hees niet alleen de nestor maar ook de primus inter pares. Hij sprak bij die gelegenheid nog eens over de innerlijke tegenstrijdigheden van en de controverses over Geyls Groot-Nederlandse gedachte en schreef een artikel voor een aangekondigde bundel.

De verschijning daarvan heeft hij helaas niet meer mogen beloven. Het boek verscheen in oktober 2022, anderhalf jaar nadat Van Hees was gestorven. Pieter Geyl and Britain. Encounters, Controversies, Impact, dat verscheen bij University of London Press, werd postuum opgedragen aan Van Hees. Een passend eerbetoon voor een man die voor het werk van de belangrijke historicus Pieter Geyl betekende wat Theodore Besterman eens betekend had voor het werk van Voltaire: onbaatzuchtig, zij het niet kritiekloos bevorderaar van werk dat een onmiskenbare bijdrage aan de cultuur heeft geleverd. Zo bezien heeft Van Hees zelf ook een belangrijke bijdrage aan de cultuur geleverd.