Het proces van Neurenberg: ‘een tribunaal van overwinnaars’ of een menselijke, soms al te menselijke poging recht te spreken?

Enige tijd terug verbleef ik met een klein gezelschap van (merendeels) geografen in de Duitse stad Neurenberg en omgeving. Voor die gelegenheid verdiepte ik me weer in het Proces van Neurenberg (1945/1946) tegen nazi-kopstukken, waarover ik een klein plankje boeken heb staan – nog maar een fractie van wat over dit ‘proces van de eeuw’ is geschreven. Hoe dit proces te wegen? Was de rechtsgang naar behoren, kreeg iedereen zijn gerechte straf of werd de een streng gestraft, terwijl de ander er relatief goed van afkwam? En, zeker zo belangrijk, was dit een ‘tribunaal van overwinnaars’, zoals een historicus eens kritisch betoogde? Een impressie, eindigend met de ontmoedigende constatering dat de leiders van het huidige Rusland hoogstwaarschijnlijk nooit voor een tribunaal zullen verschijnen.

Over de rechtsgang in Neurenberg verscheen bijna een halve eeuw geleden een uitstekend boek dat inzicht gevend blijft voor de rechtsgang destijds: Reaching judgment in Nuremberg (1977) van de Amerikaanse historicus Bradley F. Smith (1931-2012). Het boek werd een jaar later in het Nederlands vertaald onder de wat sensationele titel Het proces van de eeuw. De motieven van de rechters van Neurenberg. Analyse van een rechtspraak.

Smiths studie werd dan wel in het Nederlands vertaald maar trok veel minder belangstelling dan het (overigens ook voortreffelijke) boek van de van oorsprong fotograaf Joe J. Heydecker en de journalist J. Leeb, Der Nürnberger Prozess (1958), dat in 1959 in het Nederlands werd vertaald als Opmars naar de galg door Nacht und Nebel-gevangene Floris B. Bakels, vooraf gegaan door een ‘Ten geleide’ van A.M. Baron van Tuyll van Serooskerken die in 1945-1946 de vertegenwoordiger van de Nederlandse regering was bij het Internationaal Militair Tribunaal. Het boek, verschenen bij Scheltema en Holkema, beleefde onmiddellijk na verschijnen verscheidene herdrukken: in mei 1961, nog geen twee jaar na de publicatie van de vertaling (in oktober 1959) werd het boek voor de negende maal herdrukt.

En nog was het niet gedaan: in 1974 verscheen bij een andere uitgeverij (Amsterdam Boek), een herdruk van het boek, ditmaal voorafgegaan door een inleiding van de hand van volkenrechtsgeleerde en polemoloog B.V.A. Röling, namens Nederland rechter gedurende het Internationaal Tribunaal van Tokio tegen kopstukken uit keizerlijk Japan. 

Opmars naar de galg bevat een uitvoerige beschrijving van de verhoren van de verdachten tijdens het proces en bovendien een bijlage onder de intrigerende titel Als Duitsland de oorlog gewonnen had, een speculatieve beschouwing over de gruwelen die Europa en de wereld te wachten zouden staan als het ‘Duizendjarig Rijk’ langer dan twaalf jaar had geduurd.

Opmars naar de galg was een uitgebreide analyse van de toen beschikbare documentatie en bovendien geschreven in een pakkende stijl. Het boek was een grote sprong voorwaarts vergeleken met de journalistieke verslagen die tijdens en kort na het proces verschenen. Die verslagen blijven als tijdsdocument overigens ook nu nog de moeite van het lezen waard, ook al is de inhoud verouderd en, met de kennis van nu, niet meer adequaat.

Neem The Nuremberg Trial (1947) van R.W. Cooper, die als verslaggever van The Times het proces bijwoonde: het is geschreven vanuit merkbare verontwaardiging over de nazimisdaden. Verontwaardiging maar ook nieuwsgierigheid deed een reeks van destijds befaamde schrijvers en correspondenten afreizen naar Neurenberg, onder wie Martha Gellhorn, John Dos Passos en de latere bondskanselier Willy Brandt.

Wat in geen van die boeken en verslagen aan de orde kwam of ook maar kon komen waren de motieven van de rechters. Bradley F. Smith was een van de eersten die toegang kreeg tot de beraadslagingen van de rechters, hun onderlinge strijd en worsteling om te komen tot het oordeel over de kopstukken van het Derde Rijk die terechtstonden.

‘Kopstukken’ is eigenlijk niet de goede term voor het allegaartje dat terechtstond. Zeker, onder hen bevonden zich kopstukken, onder wie in de eerste plaats Hermann Göring, de tweede man van het Derde Rijk, die de ook terechtstaande Rudolf Hess al voor diens nog altijd wat mysterieuze overtocht naar Engeland in 1941 naar het tweede plan had gedrongen.

Verder moeten ook Joachim van Ribbentrop, niet al te invloedrijk maar medeplichtig aan veel van de misdaden, architect en bewapeningsminister Albert Speer, jarenlang minister van Binnenlandse Wilhelm Frick en de rijkscommissaris van bezet Nederland, Arthur Seyss-Inquart (foto) kopstukken worden genoemd en wel in twee betekenissen: zij stonden vierkant achter de nationaalsocialistische ideologie en hadden bovendien de macht die door te voeren op de terreinen waarop ze heersten.

Dat zij allen, behalve Albert Speer, de doodstraf kregen, lag voor de hand gezien de aanklachten die de vier overwinnaars en bezettingsmachten van Duitsland (De Verenigde Staten, de Sovjetunie, Groot-Brittannië en Frankrijk) overeenkwamen:

  1. Samenzwering, een tot dan toe in het internationale volkenrecht niet erkende misdaad.
  2. Misdrijven tegen de vrede: het aansturen op oorlog, het verbreken van verdragen, het onder druk zetten van andere landen.
  3. Misdrijven tegen de menselijkheid: de misdrijven tegen de burgerbevolking, waaronder ook de massamoord op de Joden viel
  4. Oorlogsmisdrijven: schending van het internationale militair en humanitair recht.

Zij waren in alle gevallen op de een of andere manier betrokken bij minstens een van deze misdrijven, ook Albert Speer (foto) die vakkundig zijn bijdrage aan het verdrijven van Joden uit Berlijn en zijn rol bij de Arbeidsinzet wist te verbloemen. Daarbij: de rechters waren, bij al hun bagage, mensen en soms al te menselijk. Terwijl de Sovjetdelegatie, getergd door de gruwelijke, alles verwoestende operatie Barbarossa (zoals de Duitse oorlog tegen de Sovjetunie werd genoemd), in veel gevallen de doodstraf eiste (ook voor Speer), daar waren sommige rechters van de Westerse geallieerden vatbaar voor diens charme en (schijnbaar) coöperatieve houding tijdens het proces.

Die charme miste Julius Streicher, de beruchte antisemiet uit (de omgeving van) Neurenberg, ten enenmale. De agressieve Jodenhaat die in zijn opruiende blad Der Stürmer doorklonk en zijn boertige voorkomen tijdens het proces werkte niet in zijn voordeel. Maar hoewel Streicher zeker bijdroeg aan het haatdragende klimaat in Duitsland tussen 1922 en 1945, was hij niet of nauwelijks betrokken bij de misdaden die in de vier punten van de aanklacht waren geformuleerd. Een (levens)lange gevangenisstraf was voor hem misschien meer op zijn plaats geweest dan voor Speer, die met twintig jaar gevangenschap in Spandau in zekere zin van geluk mocht spreken en die de laatste vijftien jaar van zijn leven succesvol het imago creëerde van ‘goede’ nazi.

Ook Fritz Sauckel (foto), de leider van de Arbeitseinsatz, had zijn voorkomen niet mee. Deze gesjeesde scholier, die in de scheepvaart belandde voordat hij door Hitler en de NSDAP werd opgevist, had natuurlijk bloed aan zijn handen door uit heel Europa dwangarbeiders voor het regime te laten werken. Maar hij kreeg zijn opdrachten onder meer van de veel invloedrijkere Albert Speer die aan de strop ontkwam.

Verschil van mening was er ook over de al genoemde Rudolf Hess. Hij was een trouw gelovige in het nationaalsocialisme en een doorgewinterd discipel van Hitler maar speelde behalve in de (organisatie van de) NSDAP geen rol van betekenis op het wereldtoneel, ook niet nadat hij in mei 1941 was overgestoken naar Engeland, al koesterde de naïeve Hess hoge verwachtingen van zijn overtocht. Voor de Sovjetunie was het evenwel een uitgemaakte zaak: Hess had getracht Engeland over te halen met Nazi-Duitsland op te trekken tegen de Sovjetunie, nu operatie Barbarossa een maand na zijn overtocht naar Engeland was begonnen. Het compromis: een levenslange gevangenisstraf. Hess zou de langst levende gevangene van Spandau worden en in 1987 sterven, vermoedelijk door zelfmoord.

Naast dit moeizame compromis was er meer dat de rechters in Neurenberg hoofdbrekens kostte. De aanklacht ‘Samenzwering’ bijvoorbeeld, als hiervoor aangegeven voor de oorlog niet verankerd in het internationale volkenrecht. Want wat te denken van het (mislukte) Britse plan tot een preventieve invasie van Noorwegen in maart en april 1940? Dit werd verhinderd door de Duitse bezetting van Noorwegen maar het bracht de rechters tijdens het proces van Neurenberg enigszins in verlegenheid aangezien ook hieraan een samenzwering ten grondslag had gelezen.

Veel dramatischer dan dit mislukte plan was de samenzwering tussen Nazi-Duitsland en de Sovjetunie Europa te verdelen in invloedssferen. Nadat de Nazi’s Polen op 1 september het Westelijk deel van Polen binnenvielen en bezetten, vielen de Russen het Oostelijk deel op 17 september binnen. Deze samenzwering was rampzalig voor Polen. Niet alleen de nazi’s probeerden de intellectuele bovenlaag uit te schakelen, ook de Russen deden dat. In de lente van 1940 vermoordden ze duizenden Poolse officieren, burgers en geestelijken. De moorddadige operatie kostte ruim 22.000 mensen het leven.

Tijdens het proces van Neurenberg probeerden de aanklagers van de Sovjetunie de rechtbank er uit alle macht van te overtuigen dat de nazi’s schuldig waren aan de massamoord in de bossen van Katyn (nabij Smolensk), waar ruim 4000 van de slachtoffers lagen. Wrang genoeg was dit een van de weinige misdaden waarbij de nazi’s niet betrokken waren. Sterker nog, zij hadden de massagraven in 1943 ontdekt en lieten pathologen-anatomen onderzoek doen. Die stelden onomstotelijk vast dat de massamoord al jaren eerder plaats moest hebben gevonden. Een rapport over de ware toedracht belandde al snel op het bureau van de Britse premier Winston Churchill die de alliantie met de Sovjetunie niet in gevaar wilde brengen en het rapport doorspeelde naar Roosevelt met de woorden dat ze er niets mee konden.

De Sovjets waren er, als overwinnaars, na de oorlog evenwel op gebrand het hof tot een uitspraak te bewegen om zo voor de geschiedenis hun misdaad in de schoenen van de nazi’s te schuiven. De rechters in Neurenberg onthielden zich echter van een uitspraak, wat voor de Sovjetunie gevoelig prestigeverlies opleverde.

Onder meer deze gang van zaken heeft de Duitse historicus Werner Maser ertoe gebracht in 1977 een uiterst kritisch boek te schrijven over het proces onder de veelzeggende titel Nürnberg. Tribunal der Sieger. Daarin koos hij min of meer partij voor de verdachten die hij als ‘underdogs’ beschouwde. Min of meer, want ook hij kon er niet onder uit dat veel van de verdachten enorme misdaden op hun geweten hadden en hun gerechte straf niet mochten ontlopen. Maar vooral de militairen Keitel en Jodl konden op zijn begrip rekenen. In feite schreef Maser een apologie voor de Wehrmacht die hij onschuldig achtte aan de misdaden van Nazi-Duitsland. De militaire leiders zouden van goede wil zijn geweest maar niet opgewassen tegen Hitler. Het tweede deel van deze observatie mag juist zijn geweest, het eerste beslist niet: de militaire leiders waren volledig medeplichtig aan de misdaden en dachten in al even raciale termen als Hitler, zij het doorgaans minder fanatiek en bezeten.

Maser verontschuldigde de nazileiders impliciet door de leiders van de rechtsprekende naties over dezelfde kam te scheren als Hitler en zijn trawanten. Die vergelijking mag voor Hitlers ‘bloedbroeder’ Stalin (foto) opgaan, Roosevelt en Churchill waren weliswaar geen lieverdjes maar hun motieven waren aanzienlijk minder duister dan die van Hitler en Stalin. Sterker, ze kwamen op voor de open samenleving die ze bedreigd zagen door een levensgevaarlijk regime.

Het proces van Neurenberg mocht feitelijk dan wel een ‘tribunaal van de overwinnaars’ zijn en de procesgang soms, zoals hiervoor geschetst, menselijk al te menselijk, waarbij de onderlinge verhoudingen van de vier overwinnende landen de nodige compromissen vereiste – het tribunaal kan de toets der kritiek ruim zeventig jaar na dato met glans doorstaan, zo kan opgemaakt worden uit de zorgvuldige beraadslagingen van de rechters van althans de Westelijke geallieerden, die de eendimensionale roep om de doodstraf van de meeste verdachten weerstonden, wel beseffend dat recht in de Sovjetunie niet bestond, al konden zij dat niet openlijk zeggen.  

Neurenberg kan intussen als een voorloper van het Internationaal Strafhof in Den Haag worden beschouwd, met dit verschil dat in Den Haag oorlogsmisdadigers van allerlei continenten jaren na hun misdaden ter verantwoording zijn en worden geroepen. Wrang genoeg moeten de Verenigde Staten, de drijvende kracht achter ‘Neurenberg’ niets hebben van dat strafhof – wat wel weer de gedachte van Werner Maser voedt dat het land als overwinnaar maar al te graag wilde aanklagen maar weigert landgenoten in de beklaagdenbank in Den Haag terecht te laten staan met het argument hen zelf te willen berechten. Dat gebeurde in sommige gevallen, zoals de militairen Charles Graner en Lynndie England ondervonden. Zij hadden zich na de Amerikaanse bezetting van Irak in 2003 schuldig gemaakt aan martelingen en vernederingen in een gevangenis in Abu Ghraib, een voorstad van Bagdad.

Maar de Amerikaanse opstelling vormt een ondermijning van het gezag van het Internationale Strafhof, dat bovendien andere landen een alibi geeft hun onderdanen ook niet uit te leveren. Hoewel ook het Internationaal Strafhof beoogt oorlogsmisdaden en misdaden tegen de mensheid te bestraffen, slaagt het daarin alleen als regeringen van (overwonnen) landen meewerken. Dat gebeurde in het geval van de Service president Slobodan Milošević (foto), die in 2001 werd opgepakt en vervolgd voor misdaden tijdens de Joegoslavische burgeroorlog (1991-1995). Voor en na hem zijn er meer figuren voor het Internationaal Strafhof verschenen, grote en kleine ‘vissen’ uit de Joegoslavische oorlog maar ook uit Afrika.

Treurig slot van deze impressie: recht (als in Neurenberg) kan alleen gesproken inzake oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid als een land overwonnen is en bereid is zijn schurken uit te leveren. Rusland is, hoewel de oorlog in Oekraïne niet naar wens verloopt, onoverwinnelijk, wat betekent dat Vladimir Poetin hoogstwaarschijnlijk nooit naar Den Haag zal worden overgebracht. Anders dan Romeinse keizers die (vrij naar oudheid-historicus Fik Meijer) ‘niet in bed sterven’, zal de Russische president dat – mocht er in Rusland geen coup plaatsvinden – vermoedelijk wel doen en zo aardse gerechtigheid ontlopen.