De “Hitler-dagboeken” of hoe nepnieuws anno 1983 even wereldnieuws werd

Bijna dertig jaar geleden schreef ik een inmiddels digitaal onvindbaar artikel over de vervalsing van de Hitler-dagboeken door Konrad Kujau (1938-2000) dat ik hier ‘nieuw leven’ geef. In april 1983 werden die dagboeken door het West-Duitse weekblad Stern met veel aplomb en sensatiezucht aan de wereld geopenbaard. Drijvende kracht achter die onthulling was de dubieuze, nu bijna 90-jarige redacteur Gerd Heidemann (1931), van wie in 2002 ook nog bekend werd dat hij jarenlang informant was geweest van de Oost-Duitse geheime dienst Stasi. Heidemann was zo tuk op journalistieke roem en stond dermate kritiekloos tegenover alles dat met het nationaalsocialisme van doen had, dat hij zich maar al te graag om de tuin liet leiden door Kujau. Dankzij de vervalste Hitler-dagboeken sneuvelde menige reputatie. Maar de vervalsing liet vooral zien hoe gretig pers en publiek (ook in Nederland) zijn als het nieuws over Hitler betreft, ook en zelfs als het nepnieuws betreft. Robert Harris, inmiddels een befaamd romancier, schreef een meeslepend verslag van de ‘vervalsing van de eeuw’, zoals de zwendel later genoemd werd. Anno 1983 gold: Hitler und kein Ende. Anno 2021 is dat niet anders.

April 1945. Hitler heeft zich teruggetrokken in zijn Führerbunker onder de Rijkskanselarij in het belegerde Berlijn. Hij is vastbesloten hier te sterven – en het Duitse volk mee te slepen in zijn ondergang. In deze periode ontstaat het verhaal dat een cruciale rol zal spelen bij de vervalsing van de Hitler-dagboeken. Verscheidene dienaren uit de hofhouding van de dictator hebben na de oorlog verklaard dat in de nacht van 20 op 21 april 1945 vliegtuigen opstegen met als bestemming Berchtesgaden, Hitlers buitenverblijf in de Zuid-Duitse Alpen. De vliegtuigen bevatten voornamelijk getrouwen van de Führer. Ze kregen toestemming Berlijn te verlaten en zouden, indien mogelijk, een nieuw hoofdkwartier in de Beierse Alpen moeten oprichten.

Alle vliegtuigen bereiken hun bestemming. Behalve een, bestuurd door majoor Friedrich-Anton Gundlfinger. Dat vliegtuig stortte neer in de buurt van Börnersdorf, een dorpje nabij de Tsjechische grens. Het was een van de vele catastrofes die zich in die turbulente laatste dagen van het Derde Rijk voltrokken en als zodanig geen opmerkelijke gebeurtenis voor historici die zich in deze periode verdiepen.

Van de overlevenden uit de hofhouding van Hitler publiceerden enkelen na de oorlog hun memoires. Hitler piloot Hans Baur was een van hen. In zijn herinneringen maakte hij terloops gewag van de ontzetting die Hitler beving toen hij vernam dat het toestel van majoor Gundlfinger was neergestort. ‘In dat vliegtuig’, zou hij volgens Baur hebben uitgeroepen, ‘zat mijn hele archief, dat ik bedoeld had als testament voor het nageslacht.’

Onderzoekers negeerden deze anekdote jarenlang. Dat is ook niet zo verwonderlijk. De laatste dagen van Hitler waren al grondig onderzocht en beschreven door de destijds jonge Britse historicus Hugh Trevor-Roper. Als officier van de inlichtingendienst had hij in 1945 de speciale taak gekregen de mysterieuze gang van zaken in de Führerbunker in kaart te brengen. Trevor-Roper sprak met vele ooggetuigen en publiceerde in 1947 een voortreffelijk boek (The Last Days of Hitler), waarvan ook in Nederland duizenden exemplaren zijn verkocht. Over het neergestorte vliegtuig repte hij echter met geen woord.

Wie zou het aandurven het onderzoek van Trevor-Roper nog eens over te doen? Het was James P. O’ Donnell die deze euvele moed opbracht. Als journalist voor het Amerikaanse weekblad Newsweek had hij in de zomermaanden van 1945 de Führerbunker bezocht. Dat bezoek maakte zo’n overweldigende indruk, dat hij jaren later besloot nog eens te gaan praten met de overlevenden van toen. Hij sprak met Hans Baur en andere getuigen en hoorde het verhaal over het neergestorte vliegtuig. Zijn gesprekken resulteerden in een boek: Die Katakombe, dat in 1975 verscheen. Hierin werd voor het eerst gespeculeerd over de vraag wat er met het “archief” van Hitler gebeurd kon zijn. Net als de inzittenden verbrand of…?

O’ Donnell had onder anderen Wilhelm Mohnke geïnterviewd. Deze SS-generaal was in april 1945 commandant van de Rijkskanselarij en daaronder gelegen bunker geweest. Mohnke was een jaar voor het verschijnen van het boek, in 1974, bevriend geraakt met de Duitse journalist Gerd Heidemann. Bij wijze van vriendschap overhandigde Mohnke hem Die Katakombe, in het besef dat de journalist sinds jaar en dag een grenzeloze belangstelling voor Nazi-Duitsland koesterde.

In Gerd Heidemann treffen we een van de latere hoofdrolspelers in de dagboeken-affaire. Heidemann was het prototype van een razende reporter. Grenzeloos nieuwsgierig trok hij door de wereld, niet gehinderd door al te veel diepgang en kritische zin. Begonnen als fotograaf bij het Duitse persagentschap, trad hij in 1955 toe tot het links-liberale weekblad Stern. Dat blad bracht wekelijks een merkwaardige mengeling van schandaalonthullingen, misdaad en sex. Heidemann deed al snel meer dan fotograferen. Hij werd ‘reporter’ en berichtte onder meer uit Congo, Jordanië en Oeganda. In dat laatste land lukte het hem de onderbroek van dictator Idi Amin te bemachtigen, een relikwie dat hij jaren nadien trots aan zijn bezoekers toonde. Keer op keer stortte hij zich vol overgave op zijn onderwerp om dat even zo snel weer te laten varen.

Maar in 1973 vond hij een onderwerp dat hem langer in de greep hield en dat uiteindelijk tot zijn ondergang als journalist leidde: het Nazi-tijdperk. In dat jaar kocht hij het schip van Hermann Göring, Carin II, en knoopte hij een relatie aan met Edda Göring, dochter van de Rijksmaarschalk. Via haar kwam hij in contact met oud-nazi’s uit de directe omgeving van Hitler. Heidemann leerde Mohnke kennen, las Die Katakombe en kreeg van Hans Baur het verhaal over neergestorte vliegtuig bevestigd.

Heidemann zou het verhaal ongetwijfeld zijn vergeten, als hij industrieel Fritz Stiefel (foto) niet had ontmoet. Voor de aankoop van Carin II had hij zich diep in de schulden gestoken. Hij moest het schip na enkele jaren weer verkopen. Nadat verschillende aspirant-kopers (onder wie Idi Amin) zich hadden teruggetrokken, kwam hij in 1999 in contact met Stiefel. Stiefel was een van die vele duizenden verzamelaars en liefhebbers van Nazi-relikwieën. Hij toonde de betoverde Heidemann honderden (!) schilderijen, tekeningen en gedichten die Hitler tijdens zijn verblijf in Wenen (1908-1913) en tijdens de Eerste Wereldoorlog gemaakt zou hebben. Ook haalde hij een dagboek tevoorschijn, dat Hitler tussen januari en juni 1935 geschreven zou hebben.

Heidemann was meteen gefascineerd en bedolf Stiefel onder een spervuur van vragen. De industrieel verklaarde het dagboek te hebben gekocht van iemand uit Stuttgart, die het weer ontvangen had van een hooggeplaatst familielid in de DDR. Diens naam wilde hij niet onthullen. Wel zouden zich achter het IJzeren Gordijn nog 26 andere delen van het dagboek bevinden. Die dagboeken zouden door boeren in Oost-Duitsland gevonden zijn in de buurt van een neergestort vliegtuig.

Vooral die laatste mededeling bracht Heidemann in vervoering Er was geen twijfel mogelijk: dit was het in april 1945 neergestorte vliegtuig met het archief van Hitler. En hij, Gerd Heidemann, had de sleutel tot de ontsluiting van het raadsel in handen.

Op de redactie van Stern wachtte hem echter een fikse teleurstelling. Zijn collega’s, verveeld door Heidemanns eerdere obsessies, moesten niets van zijn bevindingen hebben. Zijn hoofdredacteur voegde hem toe: ‘Sodemieter op jij met je verdomde nazi-tic’. Heidemann, totaal geobsedeerd door de gedachte de dagboeken van hem op het spoor te zijn, besloot nu de redactie te passeren. Hij zocht onmiddellijk contact met de leiding van het concern Gruner en Jahr, de uitgever van het weekblad. Die was nog niet op de hoogte van de slechte reputatie en de obsessies van Heidemann en leende hem een willig oor. Toen bleek dat het om de dagboeken van Hitler ging, belandde ook de anders zo zakelijke concernleiding in hogere sferen. Kosten noch moeite werden gespaard om alle 27 dagboeken in handen te krijgen. Om Stern deze primeur niet te laten ontgaan, kon Heidemann per deel 85.000 mark bieden aan ‘de man in Stuttgart’.

Januari 1981. Heidemann ontmoet ‘de man in Stuttgart’ voor de eerste maal. Deze stelde zich voor als Konrad Fischer, zoals later blijkt de meest onschuldige leugen van de man die in werkelijkheid Konrad Kujau (foto: Achim Necker, Wikipedia) heet. Kujau werd in 1938 in de DDR geboren. Hij verliet de middelbare school op zijn zestiende en leidde nadien een leven van twaalf ambachten en dertien ongelukken. In 1957 vluchtte hij naar de Bondsrepubliek en vestigde zich in Stuttgart. Daar verging het hem aanvankelijk niet beter. Het burgermansbestaan was aan hem niet besteed. Hij was vaste klant van de hoerenbuurt, waar hij bekend stond als ‘de generaal’. Hij kwam regelmatig in aanraking met de politie wegens dronkenschap en geweldpleging. Bij die gelegenheden toonde hij zich een onuitputtelijke fantast: hij bediende zich van andere namen en tooide zich regelmatig met de doctorstitel.

Hoe excentriek Kujau vergeleken met industrieel Stiefel en ‘reporter’ Heidemann ook was, een ding hadden ze alle drie gemeen: passie voor de nazi’s. Iedere keer als Kujau zijn familie in de DDR bezocht, smokkelde hij nazi-relikwieën mee naar het Westen. Omdat zijn huis op den duur uitpuilde, kocht hij een winkeltje. Hij stouwde het vol met souveniers uit de oude ‘Kampfzeit’. Helmen, uniformen, decoraties, vlaggen – je kon het zo gek niet bedenken of Kujau had het.

Dat ontging ook de verzamelaars niet. Kujau had al snel in de gaten dat vooral Hitler populair was. Sommige verzamelaars, onder wie Stiefel, was geen prijs te hoog om iets van de dictator te bemachtigen, al was door hem gebruikt toiletpapier. Om aan hun vraag te voldoen, begon Kujau op grote schaal te vervalsen. Zo bestond de Hitler-verzameling die Stiefel in 1979 aan Heidemann toonde, voor een groot deel uit werk van Kujau. Daaronder ook het dagboek.

Toen Heidemann in zijn eerste ontmoeting met Kujau vroeg of deze bereid was hem de dagboeken te leveren, aarzelde deze. 27 delen vervalsen was tenslotte geen sinecure. Maar het grote geld lokte. Hij zegde toe, op een voorwaarde: Heidemann moest een totaal stilzwijgen bewaren over zijn bron. De ‘hooggeplaatste leverancier in de DDR mocht immers niet in gevaar komen. Terwijl Kujau thuis aan zijn magnum opus begon, deed ‘reporter’ Heidemann verwoede pogingen de ‘historische achtergrond’ van de ‘dagboeken’ te achterhalen.

De vervalsing van Kujau bleek achteraf verbluffend eenvoudig. Om het gebruik van naoorlogs papier te maskeren, overgoot hij dat na beschrijving met thee, zodat het er op het oog vergeeld en dus authentiek uitzag. Op de kunstleren omslag plakte hij plastic rode letters die de gotische initialen ‘A.H.’ moesten voorstellen. Verder bracht hij op de omslag de volgende zinsnede aan: ‘Strikt geheim! Eigentum des Führers, immer unter Verschluss halten.’ Was getekend: Reichsleiter Martin Bormann, secretaris van Hitler.

Inhoudelijk baseerde hij zich op inmiddels uitgegeven tafelgesprekken en toespraken van Hitler. Zijn belangrijkste bron stamde uit 1962. In dat jaar verzorgde de Duitse historicus Max Domarus de uitgave van het monumentale werk Hitler. Reden und Proklamationen 1932-1945. Niet zelden schreef Kujau Domarus letterlijk over. Hij kopieerde zelfs diens fouten.

Maar die kwamen vooralsnog niet aan het licht. Integendeel, Stern had na de levering van de eerste dagboeken drie zogenaamde handschriftdeskundigen in de arm genomen. Zij kwamen onafhankelijk van elkaar tot de conclusie dat het handschrift van Hitler ‘authentiek’ was. De chemische proef waarmee de authenticiteit van de inkt en het papier kon worden nagegaan, werd achterwege gelaten. Ervan overtuigd de historische vondst van de eeuw te hebben gedaan, zocht het weekblad contact met andere media in West-Europa en de Verenigde Staten. Er werden contracten afgesloten met het Amerikaanse Newsweek, de Britse Times en Sunday Times en met de Nederlandse Nieuwe Revue. De Britten en Amerikanen waren akkoord gegaan onder de voorwaarde dat zij de dagboeken aan een eigen onderzoek mochten onderwerpen.

Er viel intussen nogal wat te onderzoeken. Want het aantal ‘gevonden dagboeken in de DDR’ bleek van 27 tot maar liefst 60 te zijn gestegen. Nooit is duidelijk geworden wie daarvoor nu verantwoordelijk was: Kujau of Heidemann. Het ligt voor de hand dat Kujau ‘dagboeken’ bleef leveren nu hij eenmaal het grote geld had geroken. Maar tijdens het proces naar aanleiding van de vervalsing bleek Heidemann veel minder voor de dagboeken te hebben betaald dan hij door Stern gemachtigd was te geven. De rest van het geld stak hij in eigen zak. Ook Heidemann had er dus belang bij dat er steeds nieuwe ‘dagboeken’ werden ontdekt. Kujau heeft zelfs getuigd dat Heidemann al snel in de gaten had dat de ‘dagboeken’ een vervalsing waren. Hij zou erop hebben aangedrongen door te gaan met levering, die hen beiden rijk zou maken en Heidemann bovendien roem zou verschaffen als ‘reporter’.

Wat ook de ware toedracht is geweest, de financiële strop van Stern had nog kunnen voorkomen worden als de historici Hugh Trevor-Roper en Gerhard Weinberg (foto) de vervalsing hadden ontdekt. Maar dat gebeurde niet. Trevor-Roper, afgevaardigd door de Times, inspecteerde de ‘dagboeken’ als eerste. De ‘grand old man’ was een historicus van formaat dat in Nederland nauwelijks nog denkbaar is: hij schreef met evenveel gemak over de zestiende en zeventiende eeuw als over de twintigste eeuw.

Maar met de nazi-geschiedenis had hij zich na zijn meesterwerk over de laatste dagen van Hitler niet intensief meer beziggehouden, al schreef hij nog (intelligente) inleidingen bij uitgaven over het Derde Rijk. Bovendien kon hij het priegelige handschrift van Hitler moeilijk ontcijferen. Dat Trevor-Roper de dagboeken voor echt hield, kwam dan ook niet door de indruk die de tekst op hem maakte, maar door de overweldigende hoeveelheid dagboeken die er voor hem lagen opgestapeld. Wie zou immers in staat zijn zestig dagboeken te vervalsen?

De Amerikaanse historicus Gerhard Weinberg, gevraagd door Newsweek, was voorzichtiger. Weinberg was een minder breed georiënteerde geleerde dan Trevor-Roper, maar als specialist beter thuis in de geschiedenis van het Derde Rijk. Hij genoot in beperkte zin groot aanzien omdat hij eind jaren vijftig een verloren gewaand manuscript had ontdekt, dat hij in 1961 uitgaf onder de titel Hitlers Zweites Buch. Sceptischer dan Trevor-Roper besefte Weinberg dat Hitler nooit een schrijver was geweest. Mein Kampf had hij gedicteerd. En zelfs als hij dagboeken zou hebben bijgehouden, dan kon hij die in de oorlog onmogelijk hebben geschreven. Want hoewel geestelijk lang ongebroken, was Hitler lichamelijk in de laatste oorlogsjaren een wrak, die leed aan onder meer de ziekte van Parkinson.

Na de aanslag op 20 juli 1944 was bovendien zijn rechterarm vrijwel verlamd. Dat de in juni 1932 begonnen ‘dagboeken’ zich uitstrekten tot half april 1945 leek dan ook onwaarschijnlijk. Niettemin achtte ook Weinberg het onmogelijk dat één man zestig boeken kon vervalsen. Dat de dagboeken zo saai waren en weinig spectaculaire onthullingen bevatten, leek de authenticiteit van het werk alleen maar te bevestigen. Het dagboek stond vol met onbelangrijke uitstapjes, benoemingen en opsommingen van ziektes. Zou een vervalser geen aandacht willen trekken met meer spectaculaire zaken?

Een van de weinige opvallende aantekeningen van Hitler betrof zijn reactie op de reis van plaatsvervanger Rudolf Hess (foto: Bundesarchiv, Bild 146II-849 / Wikipedia) naar Engeland. Hess wilde in 1941 vrede stichten met Engeland, in de hoop dat Duitsland daarna de handen vrij zou hebben om de Sovjet-Unie aan te vallen. De reis was een volslagen mislukking: Hess werd gevangengenomen en bleef in gevangenschap tot zijn mysterieuze dood in Spandau in 1987. De Führer wist niets van deze onderneming, zo werd altijd aangenomen. Volgens architect Albert Speer barstte Hitler in woede uit toen hij later van de oversteek van Hess hoorde.

In het dagboek stond echter dat Hess zijn missie in overleg met Hitler had voorbereid. Zou de zaak mislukken, dan zou Hitler zijn plaatsvervanger voor gek laten verklaren en het doen voorkomen dat deze op eigen houtje handelde. Vonden de meeste historici dit verhaal al twijfelachtig, David Irving wist zeker dat het niet klopte. De dagboeken waren volgens hem een grove vervalsing. Irving had een (zacht gezegd) omstreden reputatie. Hij had in 1977 voor opschudding gezorgd toen hij in zijn boek Hitlers War beweerde dat Hitler niets had geweten van de Holocaust. Uit het feit dat een schriftelijk bewijs van Hitlers verantwoordelijkheid voor de massamoord ontbreekt, trok Irving een (te) simpele conclusie, maar verstrekkende conclusie.

In latere jaren schoof Irving (foto: Allan Warren/Wikipedia) langzaam maar zeker op in rechts-radicale richting. Hij was een graag gezien gastspreker op bijeenkomsten van neonazi’s en werd om die reden uit Oostenrijk geweerd. Maar hoe omstreden ook, aan zijn deskundigheid kon niet getwijfeld worden. Irving was een onderzoeker die de meest onwaarschijnlijke bronnen boven water wist te krijgen. Bovendien was hij een van de weinige historici die de handschriften van de nazileiders kon ontcijferen.

Toen hij lucht kreeg van de dagboeken, beet Irving zich als een terriër in de zaak vast. Hij moest en zou de vervalsing aan het licht brengen. Enkele kranten, jaloers op de vondst van Stern, huurden hem in en hoopten dat hij zijn zegje zou doen op de dag dat de ‘dagboeken’ aan de wereld zouden worden getoond.

Hamburg, 25 april 1983. De persconferentie van Stern. Achter de tafel de redactie en de historici Trevor-Roper en Weinberg. In de zaal een afvaardiging van de wereldpers. Gerd Heidemann poseerde wat onwennig met enkele delen van ‘zijn vondst van de eeuw’. Het weekblad dat op tafel lag, had de schreeuwerige kop: ‘Hitlers Tagebücher entdeckt’. Nu moest het gebeuren. Maar het ging vrijwel direct mis. Nadat de hoofdredactie van Stern trots verteld had hoe ‘reporter’ zijn vondst had opgespoord, kregen de historici het woord. Die waren inmiddels niet meer zo zeker van hun zaak en lieten hun twijfel duidelijk blijken.

Weinberg suggereerde dat er een team van historici gevormd zou moeten worden om de authenticiteit van de dagboeken te onderzoeken. Irving liep naar de microfoon en vroeg waarom er geen onderzoek was gedaan naar de inkt, waarmee het dagboek was geschreven. De commotie die toen ontstond, deed de persconferentie in een chaos eindigen. Wat de dag van de waarheid had moeten worden, veranderde in de dag van de twijfel: waren de dagboeken een vondst of een vervalsing? Duidelijkheid was noodzakelijk, besefte de redactie van Stern. Besloten werd de dagboeken aan het Bundesarchiv Koblenz te overhandigen voor een nader onderzoek.

De uitkomst van dat onderzoek was vernietigend. Directeur Booms van het Bundesarchiv sprak al na enkele dagen de verlossende woorden: de zogenaamde Hitlerdagboeken waren ‘een groteske, oppervlakkige vervalsing’. Voor de Engelse kranten Times en Sunday Times kwam die mededeling te laat. De bladen hadden, evenals Stern, de ‘vondst van de eeuw’ met schreeuwende koppen op de voorpagina gezet. Ook Newsweek, dat op het laatste moment van het contract had afgezien, meldde de ‘ontdekking’ prominent. Stern werd gedwongen de contractgelden terug te betalen en leed in totaal zo’n 25 miljoen mark schade aan de affaire. Er brak een crisis uit met als gevolg dat de hoofdredactie opstapte.

En de figuranten in dit drama in vele bedrijven? Heidemann en Kujau werden gearresteerd en in 1984 berecht. Kujau had de tijd van zijn leven. Als meesteroplichter genoot hij van de publiciteit en de schade die diverse reputaties opgelopen hadden. Gerd Heidemann was daarentegen een gebroken man. Hij, die zo graag als journalist serieus genomen wenste te worden, werd de risee van de journalistiek. De mannen werden veroordeeld tot ruim vier jaar gevangenis.

Kujau werd al na twee jaar vrijgelaten nadat keelkanker bij hem was geconstateerd. Hij opende begin 1989 zijn zogenaamde ‘namaak-galerie’, waarin hij zijn talrijke vervalsingen tentoonstelde. De galerie werd bestormd door mensen die kunst van de inmiddels wereldberoemde vervalser als collectors item willen hebben. Hij stierf in september 2000. Heidemann erkende na zijn vrijlating dat hij niet vrijuit ging maar zijn collega’s van Stern evenmin.

Trevor-Roper (foto: Jerry Bauer) keek met remote disgust terug op de affaire, die zijn grote reputatie zoveel schade berokkende. Publiceren over Hitler, de eigenlijke hoofdrolspeler van dit drama, deed hij na 1983 nauwelijks nog. Hoe zou die eigenlijk tegen de affaire hebben aangekeken? Verbaasd zou hij niet geweest zijn. In de nacht van 12 op 13 januari 1942 merkte Hitler tegenover zijn secretaris op: ‘Let op mijn woorden, Bormann, ik word nog eens erg religieus’. Toen deze antwoordde dat Hitler altijd al erg godsdienstig was geweest, bleek hij zijn Führer niet begrepen te hebben. Onverstoorbaar antwoordde de man die meende door ‘de Voorzienigheid’ te zijn uitverkoren dat hij niet God zou aanbidden, maar als een God aanbeden zou worden.

Hij kreeg gelijk. Hoewel de meest gehate figuur ter wereld, heeft er rond Hitler altijd een welhaast mystieke verering gehangen van een aantal obscure aanhangers. De vervalsing van ‘zijn’ dagboeken was misschien wel het meest geruchtmakende voorbeeld hoe ook de gevestigde journalistiek in de ban raakte van de dictator en massamoordenaar. Ook en zelfs voor deze gevestigde journalisten gold: Hitler und kein Ende.