Dit jaar verscheen in de Verenigde Staten een intrigerend boek: Cynical Theories. How Activist Scholarship Made Everything about Race, Gender and Identity and why This Harms Everybody, geschreven door de wetenschappers Helen Pluckrose en James Lindsay. Zij betogen dat het postmodernisme een onheilige alliantie is aangegaan met identiteitspolitiek. Wetenschap zou in bepaalde humaniora niet langer draaien om weging van argumenten, onafhankelijk van kleur of klasse van de wetenschapper, maar kleur en klasse vormen zelf een argument. Spreken namens kleur of klasse leidt tot identiteitspolitiek met als inzet de ‘ontmaskering’ van de ‘gevestigde’ wetenschap. Maar hoe zelfkritisch zijn de identiteitsactivisten, de opvolgers van de neomarxisten van de jaren ’60 tot aan de jaren ’90? Dit is een lichte bewerking van een artikel dat op 4 december 2020 werd gepubliceerd in het Nederlands Dagblad.
Wie niet op een universiteit werkt zou in de veronderstelling kunnen keren dat universiteiten bolwerken zijn van onafhankelijk en kritisch denken, waarin conformisme afwezig is. Het is de vraag of dit ooit zo geweest is, maar sinds de jaren zestig van de vorige eeuw, toen met de stijging van de welvaart ook de studentenaantallen toenamen, lijkt er zeker iets veranderd. Het verband tussen de welvarende ‘babyboomers’ en de opkomst van het neomarxisme aan de universiteiten is niet zo gemakkelijk te leggen, maar feit is dat een klein maar roerig groepje studenten aan universiteiten in de Westerse wereld het marxisme omarmde als verlossingsideologie en van de professoren eisten dat het marxisme deel uit ging maken van het studieprogramma.
Dat had iets merkwaardigs in een tijd dat het reëel bestaande socialisme’ in Rusland en Oost-Europa moreel failliet was. De onderdrukking van de Hongaarse Opstand (1956, foto) en van de Praagse Lente (1968) had aangetoond dat het totalitaire marxisme helemaal geen draagvlak had onder de bevolking. Aan een aantal spraakmakende studenten en docenten aan de universiteiten in het West-Europa en de Verenigde Staten ging dit echter voorbij. Daar werd de ‘kritische theorie’ omarmd, die door de zogeheten Frankfurter Schule werd verkondigd. Die theorie was doordrenkt van de aloude marxistische gedachte dat het kapitalisme de voedingsbodem was geweest voor het fascisme en stelde de Westerse samenleving van na de Tweede Wereldoorlog onder kritiek vanuit een ‘neomarxistisch’ standpunt.
De materiële vooruitgang mocht dan wel enorm zijn, de ‘eendimensionale mens’, zoals Herbert Marcuse (een van de vertegenwoordigers van de Frankfurter Schule, foto) betoogde, was ‘ingepakt’ door het kapitalisme, dat de mens lustig liet consumeren, maar tegelijkertijd ‘repressief tolerant’ was: een mogelijkheid tot echte verandering (lees: omverwerping) van het kapitalisme werd niet toegestaan. Theorieën als deze waren in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw enige tijd populair onder intellectuelen aan de universiteiten, maar verloren snel aan invloed na de ondergang van het ‘reëel bestaande socialisme’ in 1989.
De ineenstorting van het communisme leidde tot een aardschok in het denken. Het laatste grote verhaal leek nu ook voorbij, na de eerdere ineenstorting van het fascisme dat eveneens een overkoepelend, zij het duister, verhaal te vertellen had. En het christendom dan? Ook dat werd in die jaren van snelle secularisatie in de Westerse wereld als een niet erg geloofwaardig ‘groot verhaal’ beschouwd.
Het geloof in een gedeelde rationaliteit, product van onder meer de Verlichting en het daaruit voortgekomen modernisme, boette aan kracht in. In plaats daarvan kwam het postmodernisme op, een term die voor altijd verbonden zal blijven met de Franse filosoof Jean-François Lyotard (1924-1998, foto), die in 1979 een rapport schreef over de invloed van technologie op wetenschappelijke kennis, dat hij als titel La condition postmoderne gaf, in het Nederlands vertaald als ‘het postmoderne weten’.
Lyotard en, in zijn voetsporen, uiteenlopende Franse filosofen als Michel Foucault, Gilles Deleuze en Jacques Derrida, verwierven grote populariteit aan vooral Amerikaanse universiteiten. De Nederlandse filosoof Ger Groot, een groot kenner van de Franse filosofie, heeft eens betoogd dat het funest was dat genoemde filosofen niet in de filosofische faculteiten maar in de letterenfaculteiten ‘landden’. Die letterenfaculteiten in de Verenigde Staten gingen met de wijsgeren op de loop zonder echt verstand van hun werk te hebben.
Hoe dit zij, die faculteiten gaven een eigen draai aan hun werk. Twee Amerikaanse wetenschappers, de politicologe Helen Pluckrose en de wiskundige James Lindsay, zijn niet gelukkig met die draai en publiceerden onlangs een boek, waarvan de polemische titel al boekdelen spreekt: Cynical Theories. How Activist Scholarship Made Everything about Race, Gender and Identity and why This Harms Everybody. Aanvankelijk, zo betoogt het duo, bezag het postmodernisme grote verhalen met ironie en droeg zo bij aan kritische zin over grote verhalen die voorheen klakkeloos werden aanvaard.
Maar sinds de millenniumwisseling veranderde iets in de opstelling van ‘nieuwe’ postmodernisten. Zij signaleren dat het postmodernisme steeds meer ingezet wordt voor nieuw activisme, dat veel weg heeft van het neomarxisme dat de universiteiten vanaf de jaren zestig enkele decennia teisterde. Dat activisme wordt nu, zo betogen de auteurs, ingezet ten behoeve van ‘identiteitspolitiek’. Betwist wordt dat wetenschappers een gedeelde taal kunnen spreken en elkaar op basis van inhoudelijke argumentatie kunnen vinden. Taal wordt door de nieuwe postmodernisten opgevat als machtsmiddel, waarmee dominante betogen worden opgelegd en waardoor minderheden in de verdrukking komen.
Verscheidene wetenschappers proberen die ‘dominante betogen’ te ontmaskeren en stellen daar hun eigen betogen tegenover, gestoeld op identiteitspolitiek. Heel concreet: wie, zoals in Nederland de Leidse emeritus-hoogleraar Piet Emmer, relativerende kanttekeningen maakt bij het slavernijverleden, wordt voorgesteld als een ‘witte Nederlander’, die – wat zijn argumenten ook zijn – racistisch denkt. Een zindelijke discussie over argumenten is daarbij niet goed mogelijk, er wordt beoordeeld naar afkomst en ‘identiteit’.
Pluckrose en Lindsay, die uitsluitend schrijven over de gepolariseerde verhoudingen aan de Amerikaanse universiteiten, zien dit niet alleen terug in de discussies over ‘Black Lives’, maar signaleren dit ook bij discussies over sekse. Judith Butler, een sociale wetenschapster die enkele jaren terug enthousiast onthaald werd aan de Vrije Universiteit, betwist de identiteiten man en vrouw en betoogt dat in gender-neutrale termen over sekse zou moeten worden gesproken.
Onder het mom van ‘sociale rechtvaardigheid’ wordt hier groepspolitiek bedreven met als doel ‘onderdrukte’ minderheden stem te geven. Hoewel niet al deze nieuwe postmodernisten zichzelf neomarxist in de trant van de ‘Frankfurters’ (foto) noemen, zijn er beslist raakvlakken: in beide gevallen wordt wetenschap niet opgevat als een poging via debat tot elkaar (en verder) te komen, maar wordt wetenschap een vorm van machtspolitiek, waarin een permanente strijd woedt tussen ‘machthebbers’ en ‘machtelozen’. Vanuit de Verenigde Staten overgekomen doet deze ‘identiteitspolitiek’ zich ook gelden aan Nederlandse universiteiten.
Linkse wetenschappers proberen studenten er in het curriculum van te doordringen dat ze kritisch moeten kijken naar de machtsverhoudingen binnen en buiten de universiteiten. Daar is op zichzelf niets mis mee, mits ook met zelfkritiek gekeken wordt naar de identiteitspolitiek, die meer met politiek dan met wetenschap te maken heeft. Aan die zelfkritiek ontbreekt het nogal eens, alle ‘kritische theorie’ ten spijt. Het gevolg is nieuw conformisme, nu niet aan het neomarxisme van de jaren zestig en zeventig maar aan de huidige, daaraan verwante identiteitspolitiek. En als iets de dood in de pot aan universiteiten is, dan is het wel conformisme.






