Hoe is het om kind van een dictator te zijn en nog wel van een dictator van het gruwelijke formaat als Jozef Stalin? Ik had daar eigenlijk nooit goed over nagedacht tot ik deze zomer de memoires van Svetlana Alliloejeva (1926-2011) las, alsmede de voortreffelijke biografie die Rosemary Sullivan in 2016 over haar publiceerde. Voordat ik haar memoires en biografie las, ging ik af op het cliché dat altijd over haar klonk: dat Svetlana niet alleen de lieveling van haar vader was maar ook zijn tirannieke trekken bezat, die haar ongenietbaar en onmogelijk maakten. Nu steekt ook in dit cliché, zoals in ieder cliché, wel iets van waarheid, maar dit is, zo bleek me bij lezing, beslist niet het hele verhaal. Het leven van Svetlana is ook het verhaal van een even krachtige als gevoelige vrouw, die niet alleen (tevergeefs) uit de schaduw van haar vader probeert te komen, maar die ook moedig haar vrijheid trachtte te zoeken, tegen alle verdrukking in.
Toen Svetlana werd geboren (in 1926) was Stalin al op weg naar de absolute macht, maar bezat die nog niet. Door middel van het afsluiten van bondgenootschappen met andere kopstukken uit de bolsjewistische partij, die hij vervolgens weer inruilde voor andere bondgenoten trok Stalin rond 1928 de absolute macht naar zich toe. Hij was toen het onbetwiste middelpunt van de bolsjewistische kliek die de Sovjet-Unie bestuurde. Bondgenoten die hij eens nodig had in zijn strijd tegen de gehate Leo Trotski (die intellectueel zijn meerdere was maar in psychologisch opzicht zijn mindere) werden op een zijspoor gezet, maar nog niet vermoord. Dat lot zou mannen treffen die eens de illusie koesterden een bondgenoot of zelfs een vriend van Stalin te zijn, zoals Kamenev, Zinovjev, Boecharin, om slechts enkelen van hen te noemen. Na beruchte showprocessen, die tussen 1936 en 1938 plaatsvonden, kregen ze de kogel.
Svetlana was bij het eerste showproces tien jaar. Hoe jong ook, van de onheilspellende sfeer in Moskou kreeg ze toch het nodige mee. Toch waren de showprocessen niet van beslissende betekenis voor haar jeugd. Dat was de zelfmoord van haar moeder Nadezjda Alliloejeva (foto) in de nacht van 8 op 9 november 1932. Nadezjda Alliloejeva was in 1918 getrouwd met de 23 jaar oudere Stalin, die ze via haar ouders had leren kennen. Evenals hij was ook Nadezjda een toegewijde bolsjewiek, voor wie de partij alles was.
Dat was Stalin aanvankelijk ook voor haar, maar al snel na het huwelijk en de geboorte van eerste zoon Vasily (1921) en van Svetlana ging het mis: Stalin gedroeg zich steeds afstandelijker en grilliger en flirtte openlijk met andere vrouwen. Dat deed hij ook op de avond van 8 november tijdens een drinkgelag, waarin ze hem tevergeefs tot de orde riep waarna ze woedend en gefrustreerd weg liep. Die nacht schoot Nadezjda zichzelf dood. Svetlana kwam er pas tijdens de Tweede Wereldoorlog achter dat zelfmoord de doodsoorzaak van haar moeder was en niet een natuurlijke dood, zoals haar was wijsgemaakt.
Het zorgde voor een verdere verwijdering tussen vader en dochter. Een verdere verwijdering, aangezien ze tot dan toe zo goed en zo kwaad als dat ging van Stalin probeerde te houden. Hij, niet in staat tot het rechtstreeks uiten van zijn gevoelens, speelde met haar emoties, zoals hij dat ook deed met die van zijn collega’s en ondergeschikten. Hij deed alsof zij de baas was die hem ‘opdrachten’ verstrekte, waarop hij ‘onderdanig’ reageerde. Maar evengoed dwong hij haar tegen haar zin de dansvloer op, zoals zijn opvolger Nikita Chroesjtsjov in zijn memoires noteerde. En toch: hij was haar vader, een man die ze bovendien in zekere zin aanvankelijk ook als slachtoffer beschouwde van de dood van haar moeder.
Toen ze in 1942 achter de ware doodsoorzaak kwam brak er iets in Svetlana, inmiddels 16 jaar. Er kwam iets bij: terwijl ze een moeilijke relatie had met haar vijf jaar oudere broer, de verwende Vasily [foto] (die haar dikwijls treiterde), koesterde ze grote sympathie voor haar halfbroer Jakov, 19 jaar ouder dan zij en geboren uit het huwelijk met Jekatarina Svanidze, die kort na de geboorte van haar zoon was gestorven. Stalin kon Jakov niet uitstaan en vernederde hem dikwijls, tot ergernis van Svetlana.
Tijdens de oorlog zocht ze vrijheid, ook in een ontluikend liefdesleven. Dat had niet turbulenter kunnen beginnen: ze werd verliefd op de veel oudere, al gehuwde joodse cineast Alexei Kapler. Stalin, toen al – en niet pas na de oorlog – antisemiet, verbood haar omgang met hem. De relatie kwam Kapler duur te staan: hij werd voor tien jaar verbannen naar de noordelijk gelegen industriestad Vorkoeta.
Dat ze korte tijd later opnieuw verliefd werd op een man van joodse komaf, medestudent in de letteren Grigory Morozov, kon Stalin opnieuw moeilijk verkroppen, maar ditmaal gaf hij toestemming voor een huwelijk. Daaruit werd in 1945 een zoon geboren, Jozef, met wie ze een gecompliceerde relatie zou ontwikkelen.
Het zou niet haar enige ingewikkelde relatie zijn. Svetlana lijkt iets van beide ouders te hebben geërfd: het humeurige en grillige karakter van haar vader, maar ook het koppige en driftige karakter van haar moeder, die ze steeds sterker idealiseerde na haar ‘ontdekking’ tijdens de oorlog. Het huwelijk met Morozov hield nog geen twee jaar stand. Stalin greep na de scheiding in en koppelde haar aan zijn favoriet, Joeri Zjadnov, de zoon van Andrej Zjdanov (foto), na de oorlog de beruchte cultuurpaus van Stalin en gevreesd om zijn kritiek op ‘kosmopolitische’ literatuur. Dankzij de memoires van Svetlana weten we wie achter de façade van de schijnbaar ongenaakbare cultuurpaus schuilging: een onzekere man met een ‘burgerlijke’ smaak en totaal niet opgewassen tegen het treiterige sarcasme dat Stalin tegenover zijn medewerkers ten toon spreidde.
Ook het huwelijk met Joeri Zjdanov (foto) werd, nogal voorspelbaar nu het opzichtig gearrangeerd was, geen succes. Nadien kon Stalin geen daadwerkelijke invloed meer uitoefenen op het huwelijksleven van zijn dochter: hij stierf op 5 maart 1953, beweend door miljoenen, terwijl vele anderen in Rusland zijn dood heimelijk toejuichten. Svetlana was vervuld van gemengde gevoelens bij de dood van haar vader, die ze nog voor betrekkelijk onschuldig hield voor de terreur, waarvan niet alleen de Russische bevolking maar ook zijn eigen familie het slachtoffer werd. Broers en zussen van zowel zijn eerste als zijn tweede vrouw, almede hun kinderen verdwenen in de Goelag of werden geëxecuteerd.
De onthullingen van Stalins misdaden door Nikita Chroesjtsjov (foto) in zijn geheime rede tijdens het twintigste partijcongres van de Communistische Partij in februari 1956 waren ook een schok voor Svetlana. Maar in het eerste deel van haar memoires, Twintig brieven aan een vriend (geschreven in de zomer van 1963, toen de destalinisatie van Chroesjtsjov een hoogtepunt bereikte) beschouwde ze vooral Lavrenti Beria als de man die haar vader had gemanipuleerd en aangezet tot de terreur. Deels begrijpelijk, want Beria was, evenals Stalin, een Georgiër en koesterde wraakzuchtige gevoelens tegen de Svanidzes die teruggingen op zijn en hun jonge jaren. Maar haar welwillendheid jegens (toen nog) haar vader laat nog eens zien hoe gecompliceerd de gevoelens van de dochter tegenover haar vader waren.
De ironie wil dat haar onwil en/of naïviteit ook iets scherpzinnigs had: anders dan Chroesjtsjov, die onder het kopje ‘persoonsverheerlijking’ alle misdaden van het Sovjetcommunisme op Stalin wilde schuiven, had zij oog voor de misdaden van de mensen om hem heen, al hield ze haar vader dan weer voor te onschuldig. Maar hoewel ze in deze dus anders dacht dan Chroesjtsjov waren de acht jaar dat hij aan het bewind was (1956-1964) haar beste jaren in de Sovjet-Unie.
Dat veranderde na het gedwongen aftreden van Chroesjtsjov en het aantreden van het ‘collectieve leiderschap’ van partijleider Brezjnev en premier Kosygin (foto). Zij streefden naar een herwaardering van Stalins erfenis en zagen voorbij aan diens wandaden. Jongeren, die daartegen protesteerden of die het verstarde Sovjetbewind belachelijk maakten, kregen het zwaar te verduren. Zo’n jongere was Andrei Sinjavski, die ze leerde kennen op het Gorki-instituut voor literatuur. Ze raakten bevriend en kregen zelf even een liefdesrelatie.
Sta even stil bij de bizarre loop van deze geschiedenis: de dochter van Stalin, die ruim tien jaar na de dood van haar hardvochtige vader een relatie begin met een medestudent, die vanwege zijn literaire werk over de Sovjetunie in 1965 veroordeeld werd tot zeven jaar gevangenis en dwangarbeid (zijn kompaan Joeli Daniel kreeg vijf jaar).
Dat zou Svetlana niet overkomen. Niettemin werd zij door het regime beschouwd als persoonlijk eigendom van de staat. Dit gekooide leven viel haar steeds zwaarder. Ze mocht bijvoorbeeld niet trouwen met de Indiase communist Brajesh Singh, een grote liefde die ze in 1963 in een ziekenhuis had leren kennen. Singh kampte toen al met zijn gezondheid en stierf drie jaar later in de Sovjetunie, waar hij werd gecremeerd.
Wonderlijk genoeg – en tekenend voor het grillige regime, dat zich niet echt raad wist met Stalins dochter – mocht Svetlana nadien wel zijn as verstrooien in India. In het tweede deel van haar memoires, Een jaar als geen ander (1969) schreef ze verhuld over haar gang naar de Amerikaanse ambassade in 1967, haar vliegtocht naar Italië en haar uiteindelijke oversteek naar de Verenigde Staten. Rosemary Sullivan (foto) reconstrueert waarom de versie van Svetlana zo gekuist was: de Verenigde Staten, dat onder president Nixon aankoerste op ‘detente’ met de Sovjetunie, zat helemaal niet te wachten op haar komst en probeerde haar te instrueren geen uitlatingen te doen die de Sovjetleiders voor het hoofd konden stoten.
De Sovjetunie had natuurlijk een machtig wapen in handen: ze gijzelde haar kinderen Jozef en Katja, de dochter die ze met Joeri Zjdanov had gekregen. Het moet hartverscheurend voor haar te zijn geweest: twee kinderen die zich werkelijk verlaten door haar hadden gevoeld en die ook nog onder druk werden gezet door de KGB.
Zo bleef ze gevangene van niet alleen Stalin en ook van het regime van zijn opvolgers. Dat belette haar niet zich steeds scherper en openhartiger te uiten over haar vader en zijn opvolgers. Had ze in Twintig brieven aan een vriend nog vergoelijkend over haar vader gesproken, in Een jaar als geen ander nam ze krachtig afstand van hem. Ze schreef een scherpzinnig portret van hem en van zijn vleiers, die zich als kleine Stalins gedroegen. Svetlana zag van dichtbij hoe gecorrumpeerd de partijbonzen raakten, een generatie na de bolsjewistische revolutie. Niet zonder vilein beschreef ze hun door en door kleinburgerlijke moraal en dito huisinrichting. Maar belangrijker dan dat: ze wees met een beschuldigende vinger ook onomwonden naar de ‘heilige’ Lenin, bij wie de terreur begon – nog onwetend van het feit dat schrijver Alexander Solzjenitsyn schreef aan zijn meesterwerk De Goelag Archipel, waarin hij eveneens de aanval opende op de stichter van de Sovjetstaat.
Haar boeken werden in de eerste jaren na haar aankomst in het Westen gepubliceerd. Hoewel in Een jaar als geen ander dank betuigd wordt aan Amerikanen die haar hielpen, zoals de befaamde George F. Kennan (foto), bedenker van het begrip ‘containment’ (om aan te geven dat de Sovjetunie in bedwang zou moeten worden gehouden en vooral geen gelegenheid tot expansie moest worden geboden), gaan haar boeken eerst en vooral over het land dat ze achterliet. Dat lag voor de hand, maar ook nadien kwam ze nooit los van Rusland en bleef de lange schaduw van vader Stalin haar achtervolgen.
Sullivan beschrijft Svetlana als een vrouw die beheerst werd door onrust, wat zich niet alleen uitte in talloze verhuizingen binnen de Verenigde Staten maar ook in vele relaties. De meest opmerkelijke was die met Wesley Peters, een architect die sterk onder invloed stond van de manipulatieve Olgivanna Lloyd Wright (foto), weduwe van de befaamde architect. Wrange ironie: in de door Olgivanna gevormde architectengemeenschap, die alles weg had van ‘communistische’ sekte waarin sommigen meer gelijk waren dan anderen, werd ze onder druk gezet en raakte ze veel van het geld kwijt dat ze met haar boeken verdiend had.
Wel werd ze, als Lana Peters, Amerikaans staatsburger en belangrijker: ze kreeg met Wesley een dochter, Olga. Zij vormde een compensatie voor het verlies van haar andere kinderen die ze in de Sovjetunie had moeten achterlaten. Toch bleef het begrijpelijke verlangen die kinderen te zien, een verlangen dat sterker werd omdat het gepaard ging met een besef dat ze nooit helemaal zou aarden in het Westen, dat ze altijd Rus zou blijven. In 1984 keerde ze kortstondig terug maar het weerzien met haar kinderen en haar verdere familie beleefde ze als een koude douche – de kloof tussen haar en de familie was in de zeventien jaar van haar ballingschap in het Westen eenvoudig te groot geworden om nog overbrugd te worden.
Hoewel de Sovjetleiding er alles aan gelegen was om van haar ‘thuiskomst’ een propagandistisch succes te maken, vertrok ze gedesillusioneerd. Het contact met zoon Jozef en dochter Katja zou nooit werkelijk harmonieus zijn, hoewel ze – eenmaal terug in het Westen – contact met hen onderhield. Dat was na 1985, nadat Michail Gorbatsjov (foto) aan de macht was gekomen, iets gemakkelijker. Maar echt goed kwam het niet meer, met de kinderen niet – en eigenlijk ook met Svetlana niet. Ze was en bleef een eenling, een nomade die nooit werkelijk rust vond, immer achtervolgd door de schaduw van haar vader.
Niettemin, dit leven zo overziend: wat een moedige vrouw, wat een gedurfde keuzes, wat een offers heeft zij moeten brengen (in de eerste plaats het verlies van haar twee kinderen, daarnaast het afgesneden zijn van haar geboortegrond) om werkelijk vrij te worden. Is ze werkelijk vrij geworden? Hoogstwaarschijnlijk niet: de doem waaronder ze leefde als ‘dochter van Stalin’ was onontkoombaar. Niettemin: haar streven vrij te worden en te ontkomen aan haar vader en het totalitaire communisme dat hij en zijn navolgers Rusland hadden opgelegd is en blijft bewonderenswaardig en neemt je in voor deze wilskrachtige vrouw.














