Over de opkomst van Hitler in München in de vroege jaren twintig van de vorige eeuw zijn inmiddels veel ooggetuige-verslagen bijeengebracht. Nederlanders waren van die opkomst niet of nauwelijks getuige, met uitzondering van journalist George Nypels. Henk van Renssen schreef ooit een mooi boek over hem, getiteld George Nypels, reiscorrespondent tussen de wereldoorlogen. Aan de hand van de artikelen die Nypels schreef, laat Van Renssen zien wat een geraffineerde demagoog Hitler was. De latere Führer bespeelde een heel register om zijn toehoorders te winnen voor zijn Jodenhaat: hij ging niet alleen tekeer tegen het ‘wereldjodendom’, hij maakte Joden ook op een laaghartige manier belachelijk en won zo de harten van de Beierse bevolking.
Jaren geleden publiceerde de Groningse historicus Eelco Runia een interessant artikel in het Tijdschrift voor Geschiedenis, waarin hij betoogde tijdens zijn studie eigenlijk niets van historici te hebben geleerd. Sterker nog, Runia somde een reeks van bezwaren op tegen historici, die volgens hem doorgaans gemakzuchtig terugblikken op de geschiedenis. Ze vertellen hun studenten achteraf dat grote historische gebeurtenissen zó en niet anders konden verlopen en halen zo ‘het leven’ en het drama uit die gebeurtenissen.
Dat het anders kon, bewees volgens Runia de schrijver Leo Tolstoi (foto), die in zijn epos Oorlog en vrede de Russische veldtocht van Napoleon (1812) naar het leven tekende. Runia had zijn voorbeeld van hoe het wel moet niet in de ‘hoge’ literatuur hoeven zoeken. Hij had ook kunnen verwijzen naar journalisten, die als nieuwsgierige ‘straathonden’ hun ‘neus’ in de lucht staken, roken waar de grote historische gebeurtenissen zich afspeelden of beloofden zich af te spelen, naar die haarden van opstand en verzet afreisden en er luid ‘blaffend’ van dag tot dag verslag van deden in hun krant. Vooral de Angelsaksische wereld telde in de twintigste eeuw journalisten die met hun verslag van wereldhistorische gebeurtenissen faam verwierven.
Wat te denken bijvoorbeeld van de Amerikaanse journalist John Reed, die in Tien dagen die de wereld deden wankelen verslag deed van de Russische Revolutie van 1917. Dat Reed een partijganger van Lenins bolsjewieken was, deed weinig af aan de zeggingskracht van zijn observaties. Of neem Martha Gellhorn, die tussen 1937 en 1987 vijftig jaar lang verslag deed van alle mogelijke historische gebeurtenissen, variërend van de Spaanse burgeroorlog (1936-1939), de bevrijding van het Duitse concentratiekamp Dachau (1945) en het proces van Neurenberg (1945-1946) tot het proces tegen oorlogsmisdadiger Eichmann, die in 1961 in Jeruzalem werd berecht.
Zo beroemd als Reed en Gellhorn is de Nederlandse journalist George Nypels (1885-1977) nooit geworden. Integendeel, als journalist Henk van Renssen Nypels niet bij toeval had ontdekt, was hij op de mestvaalt van de geschiedenis beland en uiteindelijk spoorloos verdwenen. Van Renssens ontdekking van Nypels is de moeite waard hier te worden belicht, omdat daaruit zowel een liefde voor het geschreven woord als voor verdwenen figuren spreekt. Van Renssen kocht jaren geleden voor (toen nog) een gulden in een Maastrichts antiquariaat een exemplaar van Inside Europe, een journalistieke bestseller waarin de Amerikaanse verslaggever John Gunther in 1936 verslag deed van de politieke ontwikkelingen in de jaren dertig.
Zijn exemplaar bevatte een handgeschreven opdracht van Gunther aan Nypels, van wie Van Renssen tot dan toe nooit had gehoord. Nu, vele jaren later, heeft hij zijn speurtocht naar Nypels vastgelegd in een elegant geschreven boek, dat de moeite van het lezen meer dan waard is. Want Nypels is zonder meer van het kaliber van Reed, Gellhorn en Gunther. Met de laatste twee had hij een onbeperkte nieuwsgierigheid gemeen, met Reed de vaart waarmee zijn verslag is geschreven. Maar Reeds engagement was Nypels vreemd.
Als verslaggever van het liberale Algemeen Handelsblad reisde hij alle mogelijke brandhaarden in Europa in het Interbellum af, sprak met Gabriele d’Annunzio, Benito Mussolini (foto) en Mustafa Kemal (Atatürk) en deed verslag op een cynische toon. Waarbij wel moet worden aangetekend dat zijn cynisme meer de linkse dan de rechtse revolutionairen betrof, die na de Eerste Wereldoorlog de macht in de diverse Europese landen naar zich toe probeerden te trekken.
Toen in Beieren anno 1919 getracht werd een anarchistisch getinte radenrepubliek in het leven te roepen, was Nypels er als de kippen bij. Maar vleiend was zijn verslag over de provisorische, onbeholpen regering allerminst. De anarchist Gustav Landauer beschikte over een ‘dictators-air’, de zich volkscommissaris noemende minister van Buitenlandse Zaken omschreef hij als een ‘bij vergissing ontslagen “krankzinnigen-gestichtspatiënt”’.
Vergelijk dit eens met de manier waarop hij in 1923 ene Adolf Hitler (foto) gadesloeg, die in München de bevolking opzweepte tegen de Republiek van Weimar. ‘In de vergaderingen waar Hitler spreekt zit ontegenzeggelijk datgene wat het succes van alle massavertoningen uitmaakt: stemming.’ Hitler, aldus de goed observerende Nypels, bracht de stemming erin door als een ‘zeldzaam massapsycholoog’ geen donderspeeches te houden, maar zijn tegenstanders met grappen belachelijk te maken. Het effect was volgens Nypels veel effectiever en zelfs ‘dodelijk’.
Wie wel eens redevoeringen van Hitler heeft gelezen of gehoord (er zijn talloze redevoeringen op de plaat bewaard gebleven), weet hoe waar deze waarneming is: met laatdunkende grappen, vooral over Joden, kreeg Hitler de lachers op zijn hand en creëerde hij een hatelijke sfeer tegen de ‘buitenstaanders’ die de nationale eenheid verstoorden.
Vijftien jaar later, in maart 1938, was de verslaggever op de Heldenplatz in Wenen getuige van Hitlers grootse onthaal als Führer van ‘alle Duitsers’ in zijn geboorteland Oostenrijk. De Führer maakte bij die gelegenheid de Anschluss van Oostenrijk bekend. Nypels aanvankelijke fascinatie voor Hitlers oratorische talent had plaatsgemaakt voor afschuw van het anti-Joodse geweld in de straten van de Oostenrijkse hoofdstad. Wenen 1938 was Nypels’ laatste grote verslag voor het Algemeen Handelsblad. In de Tweede Wereldoorlog trachtte hij het verzet middelen toe te spelen via een ingewikkelde en duistere handel.
Die knakte zijn loopbaan, waarna Nypels na 1945 teerde op allang vervlogen roem. Henk van Renssen heeft hem van de vergetelheid gered met dit boek, dat ook historici wat leert. Door het lezen van Nypels’ verslagen besef je hoe chaotisch revolutie en oorlog zijn. Geschiedenis verloopt niet volgens de wetten van de logica. Om dat te beseffen hoeven historici niet naar Tolstoi te grijpen, maar kunnen ze terecht bij de boeken van scherpzinnige waarnemers, wat goede journalisten doorgaans zijn. George Nypels was één van hen.






