Voltaire als voorbeeld: de vergeten historicus Philip de Vries (1921-2001), misverstaan door geestverwant Pieter Geyl

‘Niemand heeft ooit enig aspect van de geschiedenis van Frankrijk in de 18e eeuw kunnen behandelen zonder Voltaire te noemen. Een geschiedenis van de Europese beschaving van die tijd, waarin geen aandacht aan Voltaire zou zijn besteed, is ondenkbaar’. Zo luiden de openingszinnen van Voltaire. Burger en edelman, de biografie die de Amsterdamse historicus Philip de Vries (foto, met dank aan Piet Schreuders) in 1951 publiceerde. Een ongemeen knap en interessant boek over de ‘onsterfelijke’ Voltaire, geschreven door een man die nagenoeg vergeten is, maar die het waard is in herinnering te blijven. Ik kocht en las het boek in 1983 maar herlas het dezer dagen nog eens. Hoewel gedateerd heeft het nog niets aan kracht ingeboet. Het boek is bepaald kritisch maar toch toont De Vries zich een bewonderaar van Voltaire. Hij beschouwde hem als een baken van beheersing en beschaving, een beschaving die hij in het midden van de 20ste eeuw vermorzeld zag door het moorddadige nationaalsocialisme. De Vries – van Joodse komaf – wist maar net aan de Holocaust te ontkomen. Zijn biografie was vervuld van heimwee naar een beschaving die hij bij de ‘patriarch van Ferney’ waarnam.

Dat De Vries zijn boek in 1951 publiceerde is een prestatie van formaat. Niet alleen omdat hij toen pas dertig jaar was, maar ook omdat hij enkele jaren daarvoor keihard door de mangel was gehaald door de vermaarde Utrechtse historicus Pieter Geyl, die in Bijdragen voor de geschiedenis der Nederlanden de staf had gebroken over De Vries’ proefschrift Het beeld van Lodewijk XIV in de Franse geschiedschrijving, dat de nog slechts 26-jarige De Vries in 1947 aan de Universiteit van Amsterdam had verdedigd. Geyl (foto) oefende kritiek op De Vries’ oordeel dat de 19e-eeuwse geschiedschrijving een objectiviteitsideaal zou nastreven dat hij midden 20ste eeuw als achterhaald beschouwde. Geyl verdacht De Vries ervan in de geest van zijn promotor Jan Romein te hebben geschreven, zijn aanval kan dan ook als een indirecte aanval op zijn oude vijand worden beschouwd.

Onder invloed van de ‘meesters van het wantrouwen’ Marx, Nietzsche en Freud, zo verdedigde De Vries zich, was ook in de geschiedschrijving een relativistische wereldbeschouwing doorgedrongen. En die relativistische wereldbeschouwing omhelsde hij van ganser harte. Geyl besefte destijds nog niet hoezeer De Vries – hun verschillende kijk op de 19e-eeuwse kijk op geschiedschrijving ten spijt – hem eigenlijk na bleek te staan.

Hij verbaasde zich over De Vries’ sympathie voor Voltaire, vooral omdat De Vries in zijn proefschrift naar Geyls smaak al te onbarmhartig oordeelde over diens tijdgenoten: ‘Voltaire wordt bejegend met een schroomvalligheid en een eerbied, als men achter een man die voor geen staatslieden, generaals, grote dichters of historici-van-reputatie vervaard is, niet zoeken zou’. In zijn repliek erkende De Vries volmondig dat Voltaire ‘een heilige in mijn kalender’ was. Hij zei Voltaire te beschouwen als een ‘voorstander van menselijkheid’, als iemand die zich tegen ‘domheid’ en begeerlijkheid’ had gekeerd.

Voltaire, die een van heimwee doortrokken boek over De eeuw van Lodewijk XIV had geschreven (hij leefde de eerste twintig jaar van zijn leven onder diens regime), bleef De Vries na zijn proefschrift zo boeien dat hij vier jaar later zijn biografie over de patriarch van Ferney publiceerde.

Of Geyl Voltaire. Burger en edelman gelezen heeft weet ik niet. Besproken heeft hij het, afgaand op zijn bibliografie, in elk geval niet. Als hij het gelezen heeft, zou hij constateren dat de bewondering van De Vries voor Voltaire in de vier jaar die sinds de publicatie van het proefschrift waren verstreken nog onverminderd groot was. Maar Geyl zou aangenaam getroffen zijn door de kern van die bewondering.

De Vries beschouwde Voltaire niet alleen als de belangrijkste wegbereider van de Verlichting maar zag bij hem ook een beheersing die hij miste bij hen die na Voltaire kwamen – in het bijzonder Jean-Jacques Rousseau (afbeelding). Hij wijdde in zijn biografie een apart hoofdstuk aan de slechte verhouding tussen Voltaire en Rousseau. Tussen de regels door valt De Vries’ eigen overtuiging af te lezen. Dat Voltaire geen politicus was (hoezeer hij zich ook met politiek inliet) maar een man van cultuur was en bleef, waardeerde hij zeer.

Voltaire als voorloper van de Franse Revolutie: ontzenuwing van die mythe was de kern van De Vries’ biografie. Hij betoogt op goede gronden dat Voltaire met alle draden verbonden was en bleef aan het Frankrijk van de absolute monarchie. Die monarchie veranderde in de loop van de 18e eeuw wel van gedaante en werd geleidelijk iets opener. Voltaire zou er nog last genoeg van krijgen maar voelde zich uiteindelijk thuis in deze aristocratische standenmaatschappij.

Hij was eerst en vooral een ‘prediker van een nieuwe geest’, zo stelt De Vries. Voltaire ‘preekte’ de geest van verdraagzaamheid. Dat was al een reuzenstap in een samenleving die daarvan nog niets moest weten. Het maakte van Voltaire (borstbeeld) geen heilige, hij bestreed zijn tegenstanders soms met keiharde, niets ontziende spot en was een meester van de polemiek. Maar: die polemiek werd altijd in dienst gesteld van een gematigde bevrijding. Dat wil zeggen: de mens zou geestelijk dan wel vrij adem moeten kunnen halen, een maatschappelijke omwenteling was daarentegen ongewenst, want zou tot chaos leiden.  

Dit denken stond haaks op dat van Rousseau, wiens ‘propaganda voor het gevoel’ De Vries met diepe weerzin vervulde: ‘Bij het uitspreken van het woord “gevoel” raakt men wel aan de meest ordinaire kant van Rousseaus wezen’. Rousseau, aldus De Vries, offerde de culturele idealen van zijn eeuw op aan politieke idealen, waarvan hij de gevolgen niet kon overzien. Rousseau zou die gevolgen ook niet wensen te overzien, vervuld als hij was van ‘ressentiment tegen het aristocratische element in de beschaving van zijn tijd.’

Met instemming haalde De Vries Bertrand Russell (foto) aan, die in zijn Geschiedenis der Westerse filosofie (1946) een vernietigend oordeel velde over Rousseau, die hij onomwonden bestempelde als een voorloper van de Franse Revolutie en zelfs van de bolsjewistische revolutie van 1917 en de nationaalsocialistische revolutie van 1933. De Vries bleef daar niet bij achter, volgens hem werd Rousseau gedreven door een rancune die hem deed verlangen naar een ‘een staat van natuurlijke onschuld’ die in zijn tijd niet te vinden was.

De Vries erkende dat Rousseau niet de enige was die tegen het rationalisme van zijn eeuw bezwaren maakte. Anderen (Vauvenargues, Condillac hadden zich daar eveneens tegen gekeerd. Maar hij hield toch vooral Rousseau verantwoordelijk voor een wending in het denken die niet alleen beslissend was voor de gebeurtenissen eind 18de eeuw (de Franse Revolutie) maar ook en zelfs voor ‘het kwaad’ in de 20ste eeuw – een kwaad waarmee De Vries zelf zo ruw was geconfronteerd. Hij beschouwde Rousseau als een plebejer die mijlenver afstond van Voltaire met zijn ‘sterk maatschappelijk en artistiek elite-besef’.

Voltaire had zich vol hoon en spijt tegen deze dwaze hang naar zuiverheid van Rousseau gekeerd. Befaamd is zijn reactie op de publicatie van Vertoog over de ongelijkheid: ‘Ik heb uw nieuwe boek tegen het menselijk ras ontvangen en ben er u dankbaar voor. Nooit werd zoveel schranderheid besteed om ons allen dom te maken. Wanneer men uw boek leest, krijgt men behoefte op handen en voeten te gaan lopen. Maar ik ben dat nu al meer dan zestig jaar verleerd en gevoel mij ongelukkigerwijs niet meer in staat om het weer aan te leren’.

Superieur proza, niet alleen stilistisch maar ook inhoudelijk. Was Rousseau een revolutionair pur sang, Voltaire zou je kunnen omschrijven als een reformist: hij wenste vooral geestelijke vrijheid binnen de bestaande maatschappelijke constellatie. Met een blik op de bewonderde Republiek plaatste hij wel kritische kanttekeningen bij het verschijnsel monarchie maar hij deed dat toch zeer voorzichtig. Dat het hoofd van Lodewijk XI ooit zou rollen, lag ver buiten zijn verbeelding en zijn wil. Die beheerste zoektocht naar vrijheid van meningsuiting, uitgaande van een niet al te hooggestemd mensbeeld en een al even gematigd (deïstisch) godsbeeld, spraken De Vries bijzonder aan.

Over de persoon De Vries zijn we intussen slecht geïnformeerd. Gelukkig heeft zijn voormalige Amsterdamse collega Maarten Brands (1933-2018) ons een mooi persoonlijk en vooral ook eerlijk portret nagelaten in een van de twee bundels die zijn leerlingen en oud-collega’s enkele jaren voor zijn dood samenstelden. De Vries komt in dat portret (opgenomen in Het arsenaal van de geschiedenis) naar voren als een hoogst begaafd man, die evenwel een onevenwichtig karakter had.

Hij doorliep het Vossius-gymnasium en kreeg geschiedenis van niemand minder dan Presser, die zich ontpopte als een vaderfiguur voor het enig kind De Vries, die in het joodse gezin waarin hij opgroeide (zijn vader ‘deed in hang- en sluitwerk’, schrijft Brands) geen intellectuele voeding kreeg. In de oorlog vluchtte hij via Vichy-Frankrijk naar Zwitserland. Brands veronderstelt dat De Vries’ oorlogservaringen zijn toch al niet milde oordeel over de mensheid nog heeft verscherpt.

Die scepsis maakten Voltaire tot een ideale figuur voor De Vries. Van hooggestemde idealen, of die idealen nu nationaalsocialistisch of communistisch van overtuiging waren, moest de historicus niets hebben. Maar waar Voltaires scepsis gepaard ging met grote solidariteit met mensen die slachtoffer werden van onder meer gerechtelijke dwalingen (denk aan de affaire-Calas), daar ging De Vries’ scepsis over in cynisme en soms niet te harden misantropie. Zelfs zijn beschermheer Presser (foto) ontkwam niet aan dit cynisme, aldus Brands, die De Vries’ ‘snijdend cynisme’ zelf ook steeds minder kon verdragen.

Cynisme is, naar een gevleugeld woord van muzikant Todd Rundgren, dikwijls gefrustreerd idealisme. Of die woorden ook opgingen voor De Vries? Feit is dat de man met zijn spraakmakende proefschrift en zijn kort daarop verschenen Voltaire-biografie al op zijn dertigste een naam was in historiografisch Nederland. Er mocht nog veel van hem verwacht worden, zeker nadat Presser hem als zijn medewerker verkoos (en niet zijn promotor Jan Romein, wiens wat zweverige marxistische engagement de sceptische De Vries geheel vreemd was en bleef).

Maar hij kampte met psychische inzinkingen, werd zelfs geregeld opgenomen maar zijn colleges waren en bleven populair, al kon De Vries, aldus Brands (foto), niet tegen ‘domme studenten’. Publiceren deed hij na zijn dertigste nauwelijks nog. Zijn cynisme vervreemdde niet alleen collega’s maar verteerde uiteindelijk hemzelf. Terwijl Voltaire in zijn laatste levensjaren na zijn terugkeer in Parijs door duizenden mensen als een held onthaald werd, was zijn biograaf (die Voltaires onthaal zo gloedvol beschreef) al bij leven vergeten. En terwijl de ‘patriarch van Ferney’ al 250 jaar ‘onsterfelijkheid’ geniet, kent nog slechts een enkeling Philip de Vries.

Zo kan het gaan in het leven. Maar Philip de Vries verdient beter – en hij had ook beter verdiend van Pieter Geyl, die zijn proefschrift zo hardhandig besprak, ervan uitgaande van doen te hebben met een epigoon van de verfoeide Jan Romein (foto). Temeer daar Geyl al snel in de gaten kreeg dat De Vries bepaald geen adept van Romein was. Op 30 januari 1948 deed De Vries in Vrij Nederland verslag van het befaamde debat tussen Geyl en Toynbee over de vraag of er in de geschiedenis (terugkerende) ‘patronen’ zijn aan te wijzen. Volgens Geyl niet en ook volgens De Vries niet, zo blijkt uit dit verslag. Met zijn gekende zelfvertrouwen bombardeerde Geyl De Vries in een brief onmiddellijk tot een adept van hem.

Hij deed De Vries hiermee geen recht, de jonge historicus was een even onafhankelijke geest als Geyl zelf, al miste hij diens vitale en opgeruimde karakter. Zijn Voltaire-biografie liet zien dat ze bovendien min of meer dezelfde voorkeuren koesterden: Geyl en De Vries stonden in de traditie van Voltaire: ze waren beiden rationalisten, stonden voor een beheerste en gematigde politiek en koesterden groot wantrouwen jegens radicale idealisten en hemelbestormers.