
Tussen 2000 en 2010 schreef ik op verzoek van mijn vrienden Willem Bouwman en Nelleke Vermeer, destijds verantwoordelijk voor de boekenbijlage, regelmatig artikelen en recensies voor het Nederlands Dagblad. Meestentijds over fascisme, nationaalsocialisme, communisme en historiografie. Sommige van die artikelen vind ik de moeite waard om hier nog eens te plaatsen. Onderstaand artikel verscheen naar aanleiding van de in 2006 gepubliceerde studie A.E. Cohen als geschiedschrijver van zijn tijd onder redactie van J.C.H. Blom, D.E.H. de Boer, H.F. Cohen en J.F. Cohen. Hoewel H.F. (Floris) Cohen en J.F. (Jaap) Cohen als respectievelijk zoon en kleinzoon vanzelfsprekend dichtbij A.E. (Adolf) Cohen staan, was redacteur J.C.H. (Hans) Blom de ware geestverwant van Adolf Cohen.
Historici schrijven zelden hun autobiografie. Gewend als ze zijn andere levens en tijdperken te bestuderen, voelen ze schroom zichzelf publiekelijk te ontleden. Wie zicht wil hebben op het zelfbeeld van historici, moet hun portretstudies lezen. Wie nader wil komen tot G.W. Kernkamp (1864-1943), een inmiddels vrijwel vergeten maar in zijn tijd belangrijk en productief historicus, moet beslist zijn studie uit 1907 lezen van de negentiende-eeuwse historicus en rijksarchivaris R.C. Bakhuizen van den Brink (1810- 1865).

Bakhuizen van den Brink (foto) was een bevlogen liberaal, die begrip bepleitte voor de regenten en die kritisch stond tegenover de rol van de Oranjes in de geschiedenis. Bovendien eiste hij dat geschiedenis in een grootse stijl geschreven werd. Als auteur van fijne opstellen kwam Bakhuizen van den Brink nooit tot een groot werk. Van Kernkamp kan hetzelfde worden gezegd: hij schreef talloze journalistieke stukken, vrijwel alle doortrokken van sympathie voor de regenten en kritisch tegenover de Oranjes. Wie Kernkamp leest over Bakhuizen van den Brink, leest dus via een omweg een verkapt zelfportret.

Ik moest hieraan denken toen ik A.E. Cohen als geschiedschrijver van zijn tijd las. Adolf Cohen (foto) was een Joods historicus, die zich voor de Tweede Wereldoorlog in Leiden in de Middeleeuwen specialiseerde en op 18 augustus 1941 promoveerde – de laatste dag dat een Jood nog kon promoveren. Een jaar later zou de grootschalige vervolging door de Duitse bezetter beginnen, waardoor uiteindelijk ruim honderdduizend Joden de dood werden ingedreven. Cohen ontsnapte door onderduik. In 1945 kwam hij bovengronds – en moest constateren dat talloze familieleden, onder wie zijn ouders, door de nationaal-socialisten waren vermoord.
Wat te doen? Terug naar de Middeleeuwen? Dat kon Cohen niet opbrengen. Hij schreef een briefje aan Loe de Jong, directeur van het zojuist opgerichte Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, en werd aangenomen. Veertien jaar, tussen 1945 en 1959, werkte Cohen voor het instituut. Toen vertrok hij plotseling naar Leiden om hoogleraar middeleeuwse geschiedenis te worden. Welgeteld zeven jaar oefende hij zijn vak uit. In 1968 werd Cohen decaan van de faculteit der letteren. Hij kreeg zoveel smaak van het besturen, dat hij zijn vak praktisch vaarwel zei. In 1979 ging hij met emeritaat.

Was Cohen een bijzonder historicus? Dat valt te bezien. Hij kan niet in de schaduw staan van Loe de Jong (foto), die met zijn veertien delen tellende Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog een (bij alle kritiek die erop mogelijk is) meeslepend epos heeft geschreven. Cohen was een verdienstelijk vakman, die nauwgezet onderzoek verrichtte naar de structuur van de Duitse bezetting in Nederland en verscheidene rapporten opstelde over de opzet van de oorlogsgeschiedenis, die uiteindelijk door De Jong geschreven werd. Cohen was een denker, geen schrijver. Hij wist hoe het moest, maar hij deed het niet. Als mediëvist is hij zelfs compleet mislukt. Afgezien van zijn oratie en nog wat mengelwerk heeft hij niets van betekenis nagelaten.

Dat hij werd benoemd, dankte hij aan het plotselinge vertrek van de talentvolle mediëvist F.W.N. Hugenholtz (foto), die aan de Rijksuniversiteit Utrecht werd benoemd. Cohen was wel een succesvol bestuurder, die Leiden door moeilijke tijden van schaalvergroting en studentenonlusten (ja, zelfs in het brave Leiden) loodste. Eigenlijk lijkt Cohen alleen maar van belang omdat hij twee zoons van betekenis heeft voortgebracht: H.F. (Floris) Cohen, een gedegen wetenschapshistoricus die meer geschreven heeft dan zijn vader, en Job Cohen, de burgemeester van Amsterdam en net als zijn vader een bekwaam bestuurder.
Waarom dan toch een boek over Cohen? Omdat redacteur J.C.H. Blom, tussen 1996 en 2007 directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, dat wilde. Blom heeft met dit boek hetzelfde gedaan als Kernkamp, toen hij zijn portret schreef van Bakhuizen van den Brink: hij schrijft verkapt zijn autobiografie. Want laat niemand zich vergissen: de andere auteurs, zoon Floris en kleinzoon Jaap Cohen, alsmede de Groningse hoogleraar middeleeuwse geschiedenis Dick de Boer, zijn figuranten.

Dit is het boek van Hans Blom (foto) over Adolf Cohen. Blom ziet in Cohen een geestverwant. Cohen was een vreemde eend in de bijt van Oorlogsdocumentatie. Andere Joodse werknemers van het instituut, zoals Ben Sijes, waren vervuld van pijn en maar al te begrijpelijke wraakgevoelens, ook al probeerden ze hun onderzoek naar de oorlog zo professioneel mogelijk te doen. Dat lukte wel, maar af en toe was het te veel. Toen De Jong begin 1947 de SS-politiechef Hanns Albin Rauter interviewde, beving hem een gevoel van triomf, zo verklaarde hij nog vlak voor zijn dood. Niets van dat alles bij Cohen, die in dat zelfde jaar de hoge nazi Friedrich Wimmer sprak, maar dat gesprek bijna op vertrouwelijke toon voerde.
Cohen wilde de oorlog, waarin hij voor zijn leven moest vrezen, begrijpen zoals de Middeleeuwen: met een koele blik, een rustig hart en een helder verstand. Zo wilde hij ook dat de oorlogsgeschiedenis geschreven zou worden. Onder Loe de Jong kreeg hij daarvoor geen kans. Die wilde wel begrijpen maar niet met een koele blik. Hij wilde, zoals Blom ooit treffend schreef, ‘volksopvoeder’ zijn.

En volksopvoeder werd De Jong: honderdduizenden Nederlanders namen kennis van zijn kijk op de oorlog. Die was niet zo zwart-wit als wel wordt gedacht, maar De Jong schetste toch wel het beeld van het kleine Nederland, overweldigd door een machtige en kwaadaardige bezetter. Het sprak Cohen, met alle waardering voor De Jong, niet aan. Daarom vertrok hij zodra hij elders een kans kreeg. Voor zijn koele kijk op de oorlog was het moment nog niet aangebroken.
Dat gebeurde pas toen Hans Blom in 1983 aantrad als hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In zijn oratie In de ban van goed en fout? bewees Blom wel eer aan De Jong, maar pleitte hij tegelijk voor een minder moralistische, zakelijker kijk op de oorlog. In het hoofdstuk dat hij in deel 15 van de meest recente, tweede editie van de Algemene Geschiedenis der Nederlanden over de oorlog schreef, had hij het nog krachtiger geformuleerd: het ‘politiek-moreel oordelende aspect’ zou teruggedrongen moeten worden ten gunste van het ‘analytisch-verklarende’.
Geen wonder dat Blom zich meer verwant voelde met Cohen dan met zijn voorganger De Jong. Nadat De Jong zijn magnum opus voltooid had, schreef Blom daarover met waardering, maar verzuimde hij niet Cohen naar voren te halen als de man die in een gelijknamig artikel ‘de problemen der geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog’ goed had geanalyseerd. Terecht signaleert Blom dat de oorlogsgeschiedschrijving er heel anders had uitgezien als Cohens ‘benaderingswijze’ het pleit had gewonnen.

Dat gebeurde niet. Cohen publiceerde enkele verdienstelijke artikelen over de oorlog en verdween toen van het toneel, terwijl De Jong almaar doorschreef aan zijn imposante ‘Geschiedwerk’, zoals hij het altijd noemde. En Blom? Blom is een succesvollere en betere uitvoering van Cohen. Evenals Cohen is Blom geen meeslepend auteur die vergezichten toont en de geschiedenis tot leven brengt. Het mag dan ook geen toeval heten dat niet hij, maar de historicus Chris van der Heijden met Grijs verleden het andere, minder moreel geladen beeld van de oorlog schetste.
Maar Blom is wel een goed analyticus, een voortreffelijk organisator en bestuurder bovendien en, last but not least, een uitstekend begeleider van talloze promovendi over wie hij zich bovendien als een vader schijnt te ontfermen. Wat Cohen niet lukte, lukte Blom wel: de wissel van de oorlogsgeschiedschrijving omzetten. Veertig jaar na de oorlog was de tijd er rijp voor. Met dit boek bewijst Blom eer aan zijn voorganger en schetst hij bovendien impliciet een zelfportret als historicus – zoals Kernkamp dat bijna een eeuw geleden deed, toen hij over Bakhuizen van den Brink schreef.