Naslagwerk of broddelwerk? Een oud interview (uit 1993) met historici over de betekenis van Adriaan Venema’s ‘Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie’

Op 31 oktober 1993 pleegde Adriaan Venema zelfmoord nadat hij zijn vierdelige (uit vijf banden bestaande) serie Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie had voltooid. Hij leek uitgeschreven en had zoveel vijanden verzameld dat hij levensmoe was en een eind aan zijn leven maakte – al was zelfmoord altijd al wel een thema in zijn werk. Kort na zijn dood vroeg ik voor het Historisch Nieuwsblad in de maanden die volgden aan verscheidene historici en journalisten hoe ze over de betekenis van zijn oorlogswerk oordeelden: Loe de Jong, Hans Blom, Hans Righart, Gerard Mulder, Gerard Groeneveld, Egbert Barten en Gjalt Zondergeld. Ik druk het hier nog eens af omdat het me nog steeds de moeite waard lijkt: het geeft, heet van de naald, een indruk hoe historici destijds over Venema dachten. Het interview verscheen oorspronkelijk in Historisch Nieuwsblad 6 (december 1993). Het artikel wordt hier integraal en zonder inhoudelijke aanpassingen geplaatst. Wel is hier en daar de tegenwoordige tijd veranderd in de verleden tijd, nu dit artikel 26 jaar oud is.

De wereld heeft Adriaan Venema in verschillende hoedanigheden leren kennen: als journalist, romancier, kunsthistoricus en kunsthandelaar. De laatste jaren was hij vooral als historicus actief. De historicus Venema lijkt uit nood te zijn geboren. In een van zijn laatste vraaggesprekken voor zijn zorgvuldig geregisseerde dood zei hij tegen Ischa Meijer op tijd te hebben ingezien geen groot romancier te zijn geweest. Daarom koos hij voor ‘andersoortig werk’: geschiedschrijving.

Historisch Nederland heeft het geweten. Tussen 1988 en 1992 verschenen van Venema’s hand maar liefst vier delen van zijn Schrijvers, uitgevers en collaboratie. In zijn geschiedschrijving ging hij uit van een strikte scheiding tussen ‘goed’ en ‘fout’. Hij oordeelde onbarmhartig over schrijvers als Bert Voeten, Ed Hoornik en Pierre H. Dubois, die na de oorlog zwegen over hun contacten met de Duitse bezetter. Maar ook historici die in het voetspoor van de Amsterdamse hoogleraar J.C.H. Blom minder wilden laten leiden door morele oordeelsvorming kregen er genadeloos van langs. Vooral Blom zelf was de gebeten hond. Venema’s artikelen in het studentenblad Propria Cures werden in 1990 gebundeld onder de titel Blommeldingen. In zijn scheldkanonnade tegen Blom, waarin hij meer de man dan de bal speelde, wond hij zich mateloos op over het feit dat Blom nooit gereageerd had op zijn kritiek.

Als ik Blom naar aanleiding van Venema’s zelfmoord vraag naar diens betekenis als historicus, zegt hij zich ook nu (in 1993) van commentaar te willen onthouden: ‘Tijdens zijn leven heb ik nooit gereageerd. Het lijkt me uitermate onkies dat wel te doen nu hij dood is’. Zijn collega Hans Righart (1954-2001), hoogleraar politieke geschiedenis in Utrecht (foto), is wel bereid te reageren. ‘Vooropgesteld dat ik zijn werk niet goed ken, lijkt me de waarde ervan gering. Toen ik zijn tirade tegen Blom las, hoefde het voor mij niet meer. Dat is het geschrijf van een verknipte geest, die door en door rancuneus is. Ik begrijp ook niet wat hij op Blom had aan te merken. Diens oratie In de ban van goed en fout haalde de oorlog uit het goed en fout-stramien. Dat leidt tot veel minder vooringenomen onderzoek. Kijk, het hele werk van De Jong staat ook in het teken van goed en fout, maar dat is een competent historicus. Bij Venema had dat idee van goed en fout daarentegen iets van een post-Tweede-Wereldoorlog-heroïek’.

De Jong (foto), door Venema regelmatig ‘zijn grote voorbeeld’ genoemd: ‘Ik wil liever geen mening geven. Ik heb te weinig publicaties van zijn hand gelezen. In de tijd dat hij met zijn werk bezig was, las ik hoofdzakelijk over Indië. Ik vind zijn dood wel een ernstig verlies. Ik begrijp niet dat hij dat de wereld heeft moeten aandoen’.

Vanwege hem persoonlijk of vanwege zijn werk?

‘Vanwege zijn werk’.

‘Dat zijn geen boeken om te lezen, maar om te raadplegen’, reageert de publicist Gerard Mulder. Mulder (foto), zelf schrijver van een omvangrijke biografie van de verzetsman H.M. van Randwijk en momenteel (in 1993) bezig met de naoorlogse geschiedenis van Het Parool: ‘Venema’s boeken zijn handige naslagwerken, waarin je een aantal feiten kunt opzoeken. Het probleem met Venema is zijn interpretatie van die feiten. Zijn werk brengt ons geen beter begrip van de oorlog bij. De morele dilemma’s waarvoor mensen in de oorlog gesteld werden, waren oneindig gecompliceerder dan hij doet voorstellen. Niet overigens dat ik de opwinding over zijn werk ooit gedeeld heb. Per slot van rekening had hij geen monopolie op de meningsvorming over de oorlog. Dat was met De Jong destijds anders. Toen hij zijn geschiedenis schreef, was het weinigen gegeven onderzoek te doen en met een ander beeld te komen. Daarmee was het gewicht van De Jong te groot’.

En Venema’s kritiek op de ‘luie’ historici die na De Jong kwamen?

Dat is weer zoiets. Als je naar de productie van historici kijkt, zeg je: hij heeft gelijk. Maar zijn kritiek is te gemakkelijk. Je moet wel tijd en geld vinden om diepgravend onderzoek te doen. Venema financierde zijn boeken met het geld dat hij in de kunsthandel verdiende. Niet iedereen heeft zo’n mogelijkheid. Bovendien heeft een hoogleraar allerlei nevenactiviteiten, waaraan hij niet kan ontkomen. Dus het is wel makkelijk om te zeggen dat historici lui zijn, maar of het waar is?’

Dat Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie ‘handige naslagwerken’ zijn, betwist Gerard Groeneveld. Deze boekhistoricus heeft veel onderzoek verricht naar auteurs en uitgeverijen die in de oorlog sympathiseerden met de Nazi’s. Hij schreef onder meer over de vertaler van Mein Kampf en over de ‘foute’ uitgeverij De Amsterdamsche keurkamer. Groeneveld: ‘Venema deed heel slordig onderzoek. Zijn werk is volkomen onbetrouwbaar en moet eigenlijk overgedaan worden. Zijn cijfermateriaal over oplagen van uitgeverijen in de oorlog wemelt van de fouten. Ook laat hij boeken jaren eerder of later verschijnen dan feitelijk het geval is. Uitgeverij-onderzoek vergt nu eenmaal tijd en die gunde Venema zichzelf niet. Terwijl de idee om een overzichtswerk te schrijven goed is.’

Dat laatste vindt ook Egbert Barten, als filmhistoricus verbonden aan het Gemeentearchief van Amsterdam. Als ik hem bel, reageert hij behoedzaam. ‘Ik wil Venema in geen geval een trap na geven. Hoewel ik weinig met hem te maken heb gehad, heeft zijn dood me wel aangegrepen.’ Toch is hij ook kritisch over Venema’s werk. ‘De meeste historici worden, naarmate ze langer met de oorlog bezig zijn, genuanceerder. Je vindt iemand niet meer zo snel ‘goed’ of ‘fout’. Bij Venema was dat anders. Waarschijnlijk heeft zijn dood iets met zijn obsessie voor de oorlog te maken. Zoiets gaat aan je vreten.’

Weet u wat eigenlijk interessant zou zijn? Een receptiegeschiedenis van de reacties op Venema’s werk. De emoties die Venema heeft losgemaakt zijn een studie waard. De thema’s ‘goed’ en ‘fout’ en ‘collaboratie’ en ‘verzet’ leven in de samenleving nog heel sterk. De wetenschap is wat dat betreft veel verder ontwikkeld dan de samenleving.’

De vraag is of Gjalt zondergeld, universitair medewerker moderne geschiedenis aan de Vrije Universiteit, dat zal beamen. Van de geïnterviewden is Zondergeld de enige die de opzet van Venema’s werk goed vindt. ‘De oorlog is een bijzonder ingrijpende periode in de Nederlandse geschiedenis geweest. Sinds de Franse bezetting in 1795 hebben we zoiets niet meer meegemaakt. Terecht heeft De Jong zijn werk altijd vanuit die optiek geschreven. In de loop van de oorlog kwam iedereen in aanraking met vragen rond goed en fout. Vooral schrijvers moeten verantwoordelijkheden niet uit de weg gaan. Zij zijn immers publieke persoonlijkheden. Dat Venema in zijn werk oordeelt, vind ik dan ook niet erg. Zijn scheldpartijen op Blom zijn natuurlijk verschrikkelijk, maar zijn fundamentele kritiek deel ik. Je kunt wel voortdurend naar het ‘grijze middenveld’ kijken, uiteindelijk ontkom je niet aan de vraag naar goed en fout. Natuurlijk moet je rekening houden met omstandigheden maar uiteindelijk is een historicus een soort rechter. Historici die terugschrikken voor oordelen zijn historisten.’

Over de werkwijze van Venema (foto) is Zondergeld minder te spreken. Hij heeft die van nabij gevolgd. ‘Ik ben bij het werk betrokken geraakt toen hij me in zijn eerste deel had aangevallen. Ik stelde hem voor zijn geplande behandeling van de Friese schrijvers samen door te nemen. Omdat ik gepromoveerd ben op de Friese beweging in het Interbellum, weet ik daar iets van. Twee dagen lang zijn we aan het werk geweest. Toen kreeg ik heel goed in de gaten wat er met hem mis was als historicus. Hij was net een overenthousiaste eerstejaarsstudent, die alles fout deed wat een eerstejaarsstudent fout doet. Hij noemde zijn bronnen niet en citeerde verkeerd. Bovendien deed hij soms voorkomen alsof hij zelf iets had uitgezocht, terwijl hij het gewoon bij een ander had aangetroffen in een voetnoot. Het gekke was: Venema deed dat allemaal te goeder trouw. Hij had geen academische vorming genoten. Misschien wilde hij zichzelf daarom wel bewijzen. Hij was zeer belezen en had een ongelooflijke ambitie een groot schrijver te worden. Maar dat is hij niet geworden. Zijn studies noem ik “computerboeken”. Je typt alles maar op, citeert veel, zet er een verbindend zinnetje tussen en klaar is Kees. Zijn boeken zijn dan ook terecht bekritiseerd.’

Alle kritiek ten spijt voelt Zondergeld sympathie voor Venema. ‘Een tragische verschijning. Er scholen twee zielen in zijn borst. Hij kon meedogenloos zijn, maar ook vriendelijk en attent. Hij was een poseur en in z’n hart een groot kind. Een soort Tijl Uilenspiegel. Ik ben blij dat ik hem gekend heb.’