Hitler en de kunst van het liegen

Dankzij een collectie oorlogspropaganda dacht ik weer eens na over het duistere fenomeen Adolf Hitler. Over Hitler en zijn trawanten kun je eindeloos nadenken: over hun brutaliteit, hun schaamteloosheid en natuurlijk over hun moorddadigheid. Maar de geschonken collectie deed vooral nadenken over het liegen van Hitler, dat de dictator tot een ware kunst had verheven. Ik publiceerde dit artikel eerder op de website van het Historisch Documentatiecentrum van de VU maar plaats het hier omdat ik mijn artikelen graag bij elkaar zet.

In 2015 stierf onverwacht Koos Bosma, hoogleraar architectuurgeschiedenis aan de VU. Ik kende hem niet of nauwelijks maar maakte hem slechts mee in vergaderingen van de Letterenfaculteit, waar hij met regelmaat zijn stem verhief om een ongerijmdheid in de universitaire politiek aan de orde (en soms aan de kaak) te stellen.

Wat zijn specialisme was, wist ik niet en waar zijn interesse naar uitging evenmin. Toch had een uitzending van het mij vertrouwde historisch radioprogramma OVT me te denken kunnen geven. In de uitzending van 8 september 2013 sprak Bosma (foto) over het overgebleven erfgoed in de nazistad Neurenberg, de stad waar – tussen 1927 en 1939 – ieder jaar de Rijkspartijdagen werden gehouden, waar Hitler en de NSDAP in welhaast religieuze vieringen de ‘zegeningen’ van het nationaalsocialisme aan de wereld toonden.

Bosma was, zo bleek me na zijn dood, niet slechts geboeid door de nazi-esthetiek, hij was ook een verzamelaar van oorlogspropaganda, zowel van nationaalsocialistische als van geallieerde snit. Collectiespecialist Rem ter Hofstede, die door de Faculteit Geesteswetenschappen aan de VU gevraagd werd zich te ontfermen over de oorlogspropaganda, bood die eerst aan het NIOD aan. Wat over was schonk hij mij, op de hoogte van mijn belangstelling voor Hitler en de Tweede Wereldoorlog.

Er zit bijzonder materiaal tussen. Wat te denken van het door de Britse voorlichtingsdienst uitgegeven pamflet De kunst van het liegen, zogenaamd geschreven door ‘A. Hitler’ en ‘J. Goebbels’. Dat pamflet was voorzien van een lange ondertitel, luidend: ‘Een korte handleiding voor beginners en meer gevorderden in de ingewikkelde kunst van het liegen uit den meest op den voorgrond tredende voorbeelden van de hand der wereldheerschers.’

Aan de hand van voorbeelden werd het publiek duidelijk gemaakt dat Hitler en Goebbels logen zoals ze ademden, namelijk altijd. Hitler besefte overigens, zo valt te lezen in Mein Kampf, dat leugens lang bij mensen blijven hangen: ‘De meest schaamteloze leugen laat altijd een spoor achter, zelfs indien zij is weerlegd, een feit, dat aan alle beroepsleugenaars in deze wereld bekend is en ook aan allen, die met elkaar samenzweren in de kunst van het liegen’.

De kunst van het liegen beheerste Hitler als weinig anderen. Zo merkte hij 21 mei 1935 in een redevoering op: ‘Duitsland is niet van plan en wenst ook niet zich in de interne zaken van Oostenrijk te mengen, Oostenrijk te annexeren, dan wel tot een Anschluss te geraken’. Ruim drie jaar later, in maart 1938 was die Anschluss een feit. Even eerder, op 24 februari 1935, stelde hij: ‘De wereld kan er tevens van overtuigd zijn, dat wij, als wij eenmaal iets ondertekend hebben, ons daaraan ook houden.’ Alle ‘non-agressie verdragen’, die eind jaren dertig met Polen, de Sovjetunie en Denemarken werden gesloten, bleken vodjes papier: al die landen werden aangevallen en (gedeeltelijk: de Sovjetunie) bezet.

Al deze leugens – en meer – staan keurig vermeld in De kunst van het liegen. Maar er staat niets in over de Jodenvervolging die leidde tot de massamoord die we Holocaust zijn gaan noemen. En dat is geen toeval. Want Hitler mocht wel een aartsleugenaar zijn, over één ding was hij altijd opmerkelijk eerlijk: dat de Joden ‘eruit en er aan gingen’, om ds. Jan Koopmans’ (foto) waarschuwende brochure Bijna te laat (1940) te citeren. Al in Mein Kampf schreef Hitler dat de verloren Eerste Wereldoorlog nog enige zin had gehad als ‘aan het begin van deze oorlog maar één keer twaalf- of vijftienduizend van deze hebreeuwse volksbedervers op gifgas getrakteerd’ waren.

En op 30 januari 1939, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, toen de spanningen in Europa door zijn toedoen waren opgelopen, stelde hij in een rede voor de Rijksdag: ‘Als het internationale financiële Jodendom in en buiten Europa er nog eens in zou slagen de wereld opnieuw in een wereldoorlog te storten, dan zal het resultaat niet de bolsjewisering van de aarde en daarmee de zege van het Jodendom zijn maar de vernietiging van het Joodse ras in Europa.’

Zijn onheilspellende eerlijkheid werd gruwelijke werkelijkheid toen hij op 30 september 1942, toen de massamoord op de Joden in volle gang was, hatelijk opmerkte: ‘De Joden hebben eens over mijn profetieën gelachen. Ik weet niet, of ze nu nog lachen of dat hen het lachen inmiddels vergaan is. Ik kan hen er ook nu van verzekeren dat het lachen hen vergaan zal. En ik zal ook met deze profetie gelijk krijgen.’

In zijn Jodenhaat liet Hitler zich verbluffend eerlijk kennen. Alle versluierende termen (‘Endlösung der Judenfrage’) ten spijt, Hitler haatte de Joden zozeer dat hij eenvoudig niet over hen kon zwijgen – voor de oorlog niet en tijdens de oorlog niet. Niemand kon zich voor de oorlog voorstellen dat de Joden tussen 1942 en 1945 industrieel zouden worden vernietigd, maar wie oren had om te horen en ogen had om te lezen wist dat deze van haat vervulde figuur, die het liegen tot een kunst had verheven, tot alles in staat was – zelfs tot het onvoorstelbare.