Op 22 december 2016 stierf de journalist Dick Houwaart. Zijn dood bleef niet onopgemerkt. Vooral in Joodse kring werd hij uitvoerig herdacht en dat is begrijpelijk, aangezien Houwaart na jarenlange omzwervingen eind jaren zestig terugkeerde naar het Jodendom, waarmee hij zich heimelijk altijd verbonden had gevoeld. Heimelijk, want uit zijn laatste, fijnzinnige en scherpzinnige boekje Een Joods verhaal blijkt dat angst als Jood ‘ontdekt’ te worden jarenlang als een rode draad door zijn leven liep. Die angst zegt iets over het karakter van Dick Houwaart maar misschien nog meer over het hardnekkige antisemitisme in Nederland voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.
Dick Houwaart was al jaren een bekende naam voor me. Toen ik na de dood van Willem Frederik Hermans in 1995 in het Historisch Nieuwsblad schreef over diens betrokkenheid bij de Weinreb-affaire, kwam ik Houwaart tegen als schrijver van een witboek over Friedrich Weinreb (foto). Daarin oordeelde hij al te goedgunstig over deze bedrieger en charlatan. Ik kwam Houwaart opnieuw tegen toen ik, samen met collega Peter Bak, Verkondiging en verstrooiing. Een geschiedenis van de NCRV (1924-2014) schreef. Mijn aandeel in die geschiedschrijving betrof de NCRV vanaf de jaren zestig tot heden. Een van de eerste onderwerpen waar ik op stuitte was ‘de affaire Houwaart’.
Die affaire zat zo: Dick Houwaart was in de jaren zestig werkzaam voor de actualiteitenrubriek Attentie, later omgedoopt tot het meer bekende Hier en Nu. Houwaart was op 1 maart 1964 in dienst getreden bij de NCRV en vol ambitie begonnen aan die klus. In de NCRV-Gids schreef hij enkele maanden na zijn aantreden over alles te willen berichten dat de moeite waard was.
Houwaart hield woord. Hij berichtte inderdaad over van alles, maar toch vooral over de Nederlandse politiek die hij niet alleen intensief volgde, maar waaraan hij al even intensief deelnam. Het is nu niet goed denkbaar meer, maar de journalist Houwaart droeg in de jaren zestig twee petten: die van journalist en van politicus. Terwijl hij verslag deed van de politieke turbulentie in die jaren zat hij doodgemoedereerd in de gemeenteraad in zijn woonplaats Amersfoort voor de Christelijk-Historische Unie, die keurige hervormde burgermanspartij, waar zoveel meer ontspannenheid heerste dan bij de dikwijls verbeten gereformeerde mannenbroeders van de Antirevolutionaire partij. Ontspannen maar ook wat zelfgenoegzaam en niet erg bij de tijd, zo zou je de christelijk historische partijgangers kunnen omschrijven.
Houwaart voelde almaar meer onbehagen over de conservatieve koers van zijn partij. Hij kon zijn steeds linksere partijpolitieke voorkeur niet langer verbergen en deed kritisch verslag van de roemruchte Nacht van Schmelzer (13 op 14 oktober 1966), die de rooms-rode coalitie van premier Jo Cals ten val bracht. De druppel die de emmer echter deed overlopen was zijn pleidooi voor het vertrek van CHU-fractievoorzitter H. Beernink (foto), die hij weinig inspirerend vond. Voor de NCRV was de maat vol. In Verkondiging en verstrooiing schreef ik uitvoerig over de commotie waarmee zijn vertrek bij de omroep gepaard ging, Na zijn vertrek publiceerde Houwaart Welbedankt, verslag en verantwoording van een keuze.
Dat boekje ging over veel maar niet of nauwelijks over zijn Joodse achtergrond. Uit Een Joods verhaal blijkt waarom: Houwaart was doodsbang als Jood bekend te staan. Zijn angst voor antisemitisme zat zo diep dat hij zich onderdompelde in connecties met behoudende christenen die op zijn minst ambivalent tegenover Joden stonden (en staan): misschien wel ‘uitverkoren volk’ maar toch ook een volk dat in Jezus van Nazareth geen messias zag (en ziet).
Houwaart zal een wat bangelijke natuur hebben gehad, maar zijn vooroorlogse jeugd hielp ook niet mee. Hij werd in 1927 geboren als zoon in wat wel een ‘gemengd huwelijk’ genoemd wordt. Zijn niet joodse vader, wiens voornaam je in Een Joods verhaal tevergeefs zoekt, was getrouwd met de Joodse Helena Pronkhorst.
De echtelieden waren bepaald niet welkom bij de Joodse orthodoxie. Opperrabbijn Isaac Maarsen (foto), die in 1942 vermoord zou worden in Sobibor, keerde zich fel tegen gemengd gehuwden omdat hij dat als een bedreiging beschouwde voor de Joodse godsdienst. Voor Maarsen ging de gemeenschap voor het individu. Dat gemeenschapsdenken leidde tot dubieuze, want etnische opvattingen. De halacha, de Joodse wetgeving, stelde dat wie als Joodse vrouw met een niet Joodse man trouwt eigenlijk niet trouwt maar ‘slechts’ samenleeft.
Joods onderwijs zat er voor de half joodse Dick Houwaart (foto) dan ook niet in. Jaren later legde hij die weigering enigszins gepijnigd voor aan rabbijn Lody van de Kamp. Die antwoordde hem dat Maarsen bang zal zijn geweest voor ‘afkalving van het Joodse leven’. Houwaart nam, zo blijkt uit Een Joods verhaal, niet zonder moeite genoegen met deze verklaring en geef hem eens ongelijk. Het staat wel vast dat de Joodse orthodoxie mede verantwoordelijk was voor de moeizame latere zoektocht van Houwaart. Zijn verhaal leert nog eens dat Joden veel last hebben van de fundamentalistische orthodoxie in eigen kring, waarbij rabbijnen wel even zouden (en zullen) bepalen hoe een religieus Joods leven eruit dient te zien.
Joodse scholing en riten of niet, Houwaart werd in zijn jeugd door zijn mede-scholieren toch als Jood herkend, om ook voor hem onnaspeurlijke redenen. Ze probeerden hem de broek van de kont te trekken om te kijken of hij besneden was. En alsof dat nog niet genoeg was, vielen de nazi’s in 1940 Nederland binnen en startten hun grootschalige Jodenvervolging. Dankzij de moedige opstelling van zijn moeder, die tegenover het Haagse bevolkingsregister fantaseerde dat ze slechts twee (in plaats van vier) Joodse grootouders had, werd Houwaart als ‘minder Joods’ beschouwd.
Tijdens de oorlog bracht hij met enkele vrienden het illegale Trouw rond. Een van hen had, schrijft Houwaart, ‘de pesterige gewoonte als hij kuchte mij aan te kijken en te roepen: “ik heb een jood in mijn keel”’. Het stoorde Houwaart hevig en hij was er bang voor, schrijft hij. Dat is goed voorstelbaar en leert nog maar eens dat verzet tegen de nazi’s hand in hand kon gaan met het meest vulgaire antisemitisme.
Dat antisemitisme zat diep, ook in christelijke kring. Niettemin zocht Houwaart na de oorlog zijn heil bij protestanten, onder invloed van onder meer Thijs Booy (foto), de latere secretaris van Koningin Wilhelmina, die in de jaren vijftig opriep tot vernieuwing van het gereformeerde leven. Houwaart begon zich te verdiepen in het werk van allerlei christelijke theologen, onder wie Karl Barth en Dietrich Bonhoeffer. Hij kwam via een van zijn jeugdvrienden zelfs in aanraking met aanhangers van dominee J.P. Paauwe, de man die afscheid had genomen van de hervormde kerk en zijn eigen sekte was begonnen – een sekte die recent wat breder bekend werd dankzij de roman Knielen op een bed violen van Jan Siebelink.
Houwaart merkte al snel dat jood zijn in orthodox christelijke kringen geen aanbeveling was. Karl Barth mocht dan wel opmerken dat ‘het heil uit de Joden’ was, maar had wel de grootste moeite de Joodse religie te waarderen, nu daarin voor de figuur van Jezus van Nazareth geen plaats was.
Houwaart voelde zich beter op zijn plaats bij linkse christenen in de Partij van de Arbeid. Willem Banning (foto), dominee L.H. Ruitenberg en de godsdienstsocioloog Ad van Biemen (allen betrokken bij het religieus-socialistische tijdschrift Tijd en taak) accepteerden hem niet alleen als journalist maar ook als Jood. Langzaam maar zeker vond Houwaart de weg terug naar het religieuze Jodendom.
Was het omdat het religieuze Jodendom voor hem het beste uitdrukking gaf aan zijn onstilbare verlangen naar gemeenschap? Zo bezien zou zijn keuze voor het religieuze Jodendom begrijpelijk zijn. Maar wie nog eens denkt aan die jeugdjaren, waarin hij als half Jood als halve melaatse werd behandeld door de rabbinale orthodoxie, begrijpt weinig van dit verlangen. Houwaart had ook zonder die religiositeit met opgeheven hoofd Jood kunnen zijn, zou je denken.
Veel seculiere Joden voelen zich Jood zonder zich iets gelegen te laten liggen aan die puriteinse en onverdraagzame orthodoxie. Hoe dan ook: de religieuze orthodoxie sloot de zoeker maar al te graag in de armen, zo bleek in 2016 uit enkele necrologieën na zijn dood. Aan de beschamende uitsluiting van Houwaart in zijn jeugd werden geen woorden vuil gemaakt. Eens te meer bleek de blinde vlek van het orthodoxe gemeenschapsdenken voor de lotgevallen van het individu. Dat Houwaart de Joodse godsdienst weer ontdekt had, daar leek het allemaal om te draaien.
Wat anderzijds ook te denken geeft: dat Houwaart een leven lang bang was zich als Jood te manifesteren. Voor een deel zal dat te maken hebben gehad met Houwaart zelf. Zijn jaargenoot Harry Mulisch (foto) – eveneens geboren in 1927 – had ook een Joodse moeder en niet Joodse vader, maar hij sloeg zich met minder angst door het leven en taalde niet naar de Joodse religie. Maar ook Mulisch realiseerde zich door de Iraakse agressie tegen de staat Israël tijdens de Golfoorlog (1990-1991) nog eens dat Jodenhaat nooit verdwijnt. Die blijft – zelfs na de catastrofale Holocaust – aanwezig, ook in Nederland. Houwaarts Een Joods verhaal (tevens zijn testament) laat goed zien wat die Jodenhaat met Joden kan doen.