Begin vorig jaar verscheen Nooit op de knieën. Marcus Bakker (1923-2009). Communist en parlementariër, geschreven door voormalig (?) communist Leo Molenaar, die eerder een biografie van de linkse sterrenkundige Marcel Minnaert schreef. Ik las het boek met grote belangstelling en toenemend onbehagen. Hoe kan het dat deze eerlijke en gewetensvolle biograaf, die zoveel nauwkeurig onderzoek heeft verricht, zo’n matig boek schreef? Omdat hij een te grote sympathie koestert voor zijn partijgenoot en hem teveel vergeeft. Bakker zou aan het eind van zijn leven zijn teruggekeerd naar de morele twijfel van zijn jonge jaren. Maar van die twijfel was niets te merken in zijn CPN-tijd, toen Bakker nauwelijks oog had voor de fundamentele misdadigheid van het Sovjet-communisme, terwijl de bewijzen destijds toch ook al hoog opgestapeld lagen. En dat blijft onvergeeflijk.
Marcus Bakker werd geboren in Zaandam, waar zijn vader een rol van enige betekenis speelde in de SDAP. Dat was wel bekend. Minder bekend is dat de jonge Marcus zich in zijn middelbare schooltijd ontpopte als een groot liefhebber van literatuur. Bakker hield vooral van E. du Perron, zo blijkt uit de biografie van Molenaar. Met zijn strijdbaarheid, zijn flitsende stijl en zelfbewuste individualisme was Du Perron de felste literaire polemist die Nederland in het Interbellum heeft gekend. Bakker leek de weg te gaan die meer van zijn generatiegenoten gingen: die van kritisch links burger die Nederland op enigerlei wijze zou gaan vormgeven.
De Tweede Wereldoorlog kwam ertussen. Bakker, als zo velen geschokt door de Duitse inval, leefde fel mee met het verloop van de strijd en beoordeelde de Russische oorlogsinspanningen met grote bewondering en met een even grote dosis romantiek, zoals er meer deden in die dagen. Hij was eerder teleurgesteld geraakt in zijn held Du Perron, wiens kritiek op Hitler en Stalin hij tevoren nog had gebillijkt. Nu heette het dat Du Perron (foto) en andere vooroorlogse schrijvers geen ‘antwoorden’ gaven op de oorlog.
Bakker kreeg steeds meer oog voor ‘mannen van de daad’, de communistische arbeiders en een enkele intellectueel die zich met lijf en goed verzetten tegen de nazi-tirannie.
Het is het bekende verhaal, na de oorlog ook te vinden bij iemand als Sartre in zijn romancyclus De wegen der vrijheid: communisten waren in de oorlog misschien niet zulke heel blanke pitten maar tenminste wel ruwe bolsters die zich massief keerden tegen het kwaad van het fascisme. Maar zonder verder iets af te doen aan het communistische verzet: gingen liberalen (Telders), sociaal-democraten (Drees, Vorrink, Wiardi Beckman en er zijn er nog veel meer te noemen) niet ook in het verzet? Daarbij komt nog iets anders: liberalen en sociaal-democraten sympathiseerden, anders dan communisten, tenminste niet met een misdadige buitenlandse mogendheid, die met de showprocessen van de jaren dertig, het Molotov-Ribbentroppact en de moord op Trotski (zelf overigens ook geen lieverdje…) toch al genoeg visitekaartjes had afgegeven.
Er verschenen daarbij voor de oorlog genoeg kritische artikelen en zelfs een enkel boek over Stalin in Nederland die ook de jonge Marcus Bakker immuun hadden moeten maken voor het communistische virus, zelfs in de Tweede Wereldoorlog. In 1940 verscheen bij Querido Stalin en het bolsjewisme van Boris Souvarine in een bewerking van Jacques de Kadt en vertaald door…E. du Perron. Het was een vroege en vernietigende bespreking van de bolsjewistische dictatuur. Dit is geen wijsheid achteraf, dit is wijsheid van destijds.
Zijn radicale temperament lijkt Bakker in de oorlog tot zijn verkeerde keuze voor het communisme te hebben verleid. Dat radicale temperament leidde na de oorlog tot zijn geharnaste verzet tegen de koloniale oorlogen in Nederlands-Indië. Het wordt door Molenaar breed uitgemeten en verteld als een heldenverhaal: zie eens hoe vroeg Bakker erbij was met zijn anti-koloniale inzet, inmiddels door iedereen gedeeld.

Maar het is en blijft wat wonderlijk om te lezen met welke grote woorden communist Bakker tekeer ging tegen het kolonialisme van Nederland voor wie bedenkt dat het land van zijn dromen (de Sovjet-Unie) van meet af aan een koloniale mogendheid is geweest, die onbeschroomd andere volkeren aan zich onderwierp, met als dieptepunt de bezetting (in communistisch jargon van destijds: ‘bevrijding’) van Oost-Europa na de Tweede Wereldoorlog. Om nog maar te zwijgen van het lot van landen als Georgië en Kazachstan, die na 1917 hun autonomie al hadden verloren. Lees er alleen al het begin jaren zestig verschenen boek Communisme en kolonialisme van de jong gestorven Sovjet-kenner Walter Kolarz op na. Dat de democratie in Tjechoslowakije in 1948 om zeep werd geholpen, Bakker noch de CPN maalden erom. Dat de Hongaarse opstand in 1956 in bloed gesmoord werd, Bakker en zijn kornuiten interesseerde het niets, sterker nog: ze verdedigden de genadeloze onderdrukking zonder met hun ogen te knipperen.
Dat de achtereenvolgende kabinetten-Drees de CPN tot diep in de jaren vijftig beschouwden als een landverraderlijke partij en door de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) op de huid lieten zitten, is daarom ook met terugwerkende kracht nog heel wel te verdedigen. De CPN was tot ver in de jaren vijftig immers een vijfde colonne van Moskou. Met de wijsheid achteraf weten we dat deze partij de kabouterschoenen nooit zou ontgroeien, maar in het klimaat van de Koude Oorlog, met in het Kremlin achtereenvolgens een massamoordenaar (Stalin, foto) en een onberekenbare driftkop (Chroesjtsjov) aan het roer, was dit niet even duidelijk.
Molenaar heeft in retrospectief wel gelijk dat de BVD te ver ging door (overigens met succes) te stoken in de CPN. Al moet ook hier aan worden toegevoegd dat de conflicten tussen kopstukken als Bertus Brandsen en Gerben Wagenaar enerzijds en partijleider Paul de Groot al langer smeulden en vroeg of laat toch tot een uitbarsting moesten komen, zeker gegeven de stalinistische paranoia die ook in de CPN volop aanwezig was. Op klassiek stalinistische wijze schreef Paul de Groot het beruchte ‘Rode boekje’ (1958) waarin hij zijn tegenstanders belasterde.
Bakker was dus niet de schrijver van dat Rode Boekje (al droeg hij er wel materiaal voor aan), zo maakt Molenaar duidelijk, maar hij was wel stalinistisch genoeg gedrild om Paul de Groot (foto) klakkeloos te volgen, zijn geweten buitenspel te zetten en vooral, zo niet uitsluitend, te hechten aan ‘gesloten gelederen’. Dat Wagenaar en de zijnen in de Tweede Kamer bleven zitten was in Bakkers ogen erger dan de reputatieschade die hen was aangedaan.
Als Bakker zover kon gaan, dan kan het niet verwonderlijk meer heten dat hij ook geen been zag in vergoelijking van de Sovjetmisdaden. Theun de Vries (ook al ziende blind) had eind jaren vijftig nog Chroesjtsjovs laaghartige vernedering van Boris Pasternak (die gedwongen werd de Nobelprijs voor Literatuur in 1958 te weigeren) goedgepraat. Maar trouw als hij was aan het Sovjetcommunisme: toen Chroesjtsjov onder invloed van de oprechte literatuurpaus Alexander Tvardovsky enkele jaren later besloot Alexander Solzjenitsyns novelle Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj uit te laten geven, besloot De Vries het boek te vertalen.
Anno 1963 (!) twijfelde Bakker, tot ontzetting van De Vries, nog aan het waarheidsgehalte van Solzjenitsyns novelle. Dat, terwijl Chroesjtsjov toch al het een en ander onthuld had in zijn ‘geheime’ rede en (zij het aarzelend) toestemming had gegeven voor de uitgave. Na de showprocessen uit de jaren dertig kon iedereen weten dat Chroesjtsjov nog slechts het topje van de ijsberg had onthuld. Maar Bakker bleef na 1963 doodgemoedereerd doorgaan met de verdediging van het onverdedigbare systeem.
Dat werd nog eens pijnlijk duidelijk uit een vraaggesprek dat de gereformeerde historicus (die tijdens de oorlog trouwens diep in het verzet zat) George Puchinger (foto) op 6 december 1967 met onze communist had. Ik lees alles van en over Puchinger met verhoogde aandacht, eenvoudig omdat ik hem in de herfst van zijn leven enige tijd van dichtbij meemaakte. Het interview is opgenomen in de bundel Hergroepering der partijen? (1968). Het is ontluisterend nog eens na te lezen hoe Bakker anno 1967 sprak over leiders (en misdadigers) als Lenin, Stalin en Chroesjtsjov. Anno 1967: dat is twee jaar na het proces tegen de dissidenten Andrej Sinjavski en Joeli Daniel, die tot respectievelijk zeven en vijf jaar dwangarbeid werden veroordeeld, alleen omdat ze te kritische literatuur schreven volgens de Sovjet-autoriteiten.
In het vraaggesprek ontweek Bakker kritiek op de Sovjetunie door steeds weer te verklaren dat de CPN in Nederland een eigen, democratische weg naar het communisme voorstond. Maar die lippendienst aan de Nederlandse democratie ging hand in hand met twijfelachtige beoordelingen van de drie leiders die tot dan toe (het driemanschap Brezjnev, Kosygin en Podgorny was in 1967 nog slechts drie jaar aan de macht) over de Sovjetunie hadden geheerst.
Dat Bakker Lenin ‘een zéér groot man’ noemde, is niet de steen des aanstoots. Er was nog geen toegang tot de archieven en de historicus Richard Pipes kon in De onbekende Lenin pas na de val van de Muur onthullen tot welke wreedheden Lenin had opgeroepen gedurende zijn kortstondige bewind. Maar Stalin in 1967 nog steeds ‘een groot man’ noemen, zij het dan ‘van een heel andere orde’ – dat gaat ver, veel te ver. Ik citeer Bakker in Puchinger en zeg daarbij: alles wat hier geciteerd wordt, is vrijwel letterlijk zo gezegd door Bakker. Puchinger stond bekend om zijn letterlijke weergave van gesprekken: ‘Stalin was het type mens, zoals die meermalen wordt opgeleverd in een maatschappij die zich bezig is, nee, in een land, dat bezig is zich koortsachtig snel te ontwikkelen van achterlijk tot modern. Stalin was een doorzetter, een ijzeren volhouder en…waarschijnlijk iemand die in die periode in Sowjet Rusland onmisbaar was.’ Geen moreel oordeel kwam Bakker over de lippen, terwijl daar toch voldoende aanleiding voor was: de hongersnood in Oekraïne, de moord op de militaire top, de ‘zuivering’ van de partij in de jaren 1936-1938 , waarvan ook talloze Russen die geen lid van de communistische partij waren het slachtoffer werden – Rusland werd onder Stalin in de jaren dertig geteisterd door een terreur die zijn weerga niet kende en die een sfeer van extreme angst en achterdocht creëerde.
Over Stalins opvolger Chroesjtsjov (foto) oordeelde Bakker, opmerkelijk genoeg, kritischer dan over Stalin. Chroesjtsjov zou de eigen weg van andere communistische partijen niet gerespecteerd hebben – alsof Stalin dat ooit wel gedaan had. Chroesjtsjov zou, aldus Bakker tegenover Puchinger, bovendien niet van de eigen kracht zijn uitgegaan, zoals Stalin wel gedaan had, maar zich overgegeven hebben aan ‘diplomatieke koehandel’ met de gehate Amerikanen. Oftewel: weg met de vreedzame coëxistentie, terug naar de koude Koude Oorlog in de tijd van het stalinisme. Bakker opereerde hier als de schaduw van zijn partijleider Paul de Groot en ontpopte zich als diens buikspreker. Ook De Groot had immers een grondige hekel aan Chroesjtsjov, die hij in de wandelgangen ‘knoeichef’ noemde.
Je kunt zeggen: jeugdzondes van een jonge communist. Maar Marcus Bakker was ten tijde van het vraaggesprek 44 jaar en had de jaren des onderscheids dus ruimschoots bereikt. Zijn felle kritiek op de Verenigde Staten, in datzelfde interview, valt te begrijpen: de Amerikanen waren juist toen bezig met grootscheepse bombardementen op Vietnam dat geen enkel doel diende en uiteindelijk ook nergens toe leidde. Maar de VS kende (en kent), hoe gebrekkig ook, een democratisch systeem, vrije en scherpzinnige kwaliteitskranten en een vrijheid van meningsuiting die zelfreinigend kunnen werken. Overbodig te zeggen: niets van dat alles in de Sovjetunie. Niet overbodig om te zeggen: Marcus Bakker, de man die er zo prat op ging dat het Nederlandse communisme ‘democratisch’ diende te zijn, begreep van dit verschil tussen de grootmachten anno 1967 niets – en je vraagt je af: heeft hij er ooit wel echt iets van begrepen?
Het geloof in de Sovjetunie brak bij Bakker pas echt in 1990, toen Gorbatjsov (foto)
toegaf dat Stalin in maart 1940 achter de moord op twintigduizend Poolse officieren in Katyn zat. In 1990…dat is niet zomaar laat, dat is veel te laat. Het rechtvaardigt in elk geval niet het zoetsappige einde van de biografie, waarin biograaf Molenaar Bakker tekent als een gewetensvol briefschrijver, die zich in contact met anderen minder communistisch uitte in zijn opvattingen en overtuigingen.
Na de val van de Muur ontpopte Bakker zich als een ‘gewone’ linkse socialist. Maar wat was dat waard nu hij zolang en zo welbewust achter een land (de Sovjetunie) is blijven staan, dat van meet af en voor iedereen zichtbaar geknecht werd door de bolsjewieken? Die hebben er, minstens vanaf 5 januari 1918 (toen ze de Grondwetgevende Vergadering de nek omdraaiden), nooit twijfel over laten bestaan dat hun ‘volksdemocratie’ iets heel anders betekende dan een vertegenwoordigende parlementaire democratie.
Marcus Bakker valt op een bepaalde manier te vergelijken met nazileider Hermann Gȍring. Voor alle duidelijkheid: ‘vergelijken met’ betekent niet ‘gelijkstellen aan.’ Marcus Bakker was een (lang omstreden) lid van het Nederlandse parlement en heeft fysiek nooit iemand een haar gekrenkt. Niettemin sympathiseerde hij jarenlang met een abject regime. Gȍring was lid van een abject regime, zij het van een ander regime. Sterker nog, hij was de tweede man van dat regime, na Hitler. In zijn biografie The Reich Marshall. A Biography of Hermann Gȍring (1974) heeft Leonard Mosley betoogd dat de grootste ondeugd van Gȍring zijn ‘morele lafheid’ was, de lafheid namelijk om op beslissende momenten niet tegen Hitler in te durven gaan, ook al was hij bijvoorbeeld geen voorstander van een oorlog met de Britten in 1939.
Die morele lafheid is Bakker, hoezeer verder ook ‘quite a character’, ook aan te wrijven: hij had veel eerder op moeten staan tegen De Groot en diens bizarre kabouter-stalinisme. Dat hij dat niet deed, kwam omdat hij diens stalinisme lang, veel te lang deelde. Tot het eigenlijk te laat was. Toegegeven, dat valt niet alleen Bakker aan te wrijven maar ook zijn kameraden Henk Hoekstra (foto) en de gebroeders Jaap en Joop Wolff. Maar Bakker toch het meest, want hij was, bij zijn al zijn gebreken, toch de meest charismatische van de Nederlandse communisten van de generatie van na Paul de Groot – zoveel maakt Molenaars biografie wel duidelijk.