Dat David Bowie is gestorven kan niemand zijn ontgaan. In talloze herdenkingen werd stilgestaan bij de vele gedaantewisselingen die zijn muziek onderging. Bowie zag er met iedere nieuwe muzikale periode zelf ook telkens anders uit. Hij wenste zich niet vast te leggen. Bowie verdween in zijn steeds wisselende werk en veranderde juist daardoor tot een levend kunstwerk. Nu is hij dood en leeft als nooit tevoren. Zijn inzet doet denken aan die van een Nederlandse schrijver.
De historiografie van de popmuziek loopt langs geijkte lijnen. Eerst was er de zwarte muziek, toen Elvis Presley die als ‘blanke zwarte’ werd gepresenteerd. Behalve zijn zijn (tijdelijke) uitstraling was Presley echter gespeend van creativiteit en bovendien een trekpop van zijn (Nederlandse) manager. Vergeleken met Presley was Bob Dylan (foto) een reuze sprong voorwaarts: wel iemand met talent, iemand die zelf zijn songs schreef en, belangrijker, zichzelf bleef ontwikkelen.
Niet voor niets onderging Bowie invloed van Dylans muziek. Een tijdelijke (?) flirt met het christendom deerde Dylan niet. Hij produceert op zijn oude dag nog steeds platen en treedt nog altijd op, gevolgd door een trouwe schare volgelingen, die zowel zijn volharding als zijn authenticiteit bewonderen. Zijn authenticiteit: de man met de akoestische gitaar en mondharmonica die altijd ‘zichzelf’ gebleven is, iets dat grosso modo ook over zijn muziek valt te zeggen.
Voor de Rolling Stones (foto) geldt iets soortgelijks. De langst bestaande band heeft een enorme staat van dienst en een reeks van bijzondere nummers (Angie, Paint it black, Gimme Shelter) geschreven zonder dat in vijftig jaar iets wezenlijk veranderde in de muziek. Het zijn heden ten dage ook niet meer de composities die bij velen bewondering afdwingen, het is hun Ausdauer en, daar heb je de term weer, hun authenticiteit.
Presley, Dylan en de Rolling Stones – bij alle verschillen hebben ze iets gemeen: hun loopbaan heeft, hun enerverende muziek en turbulente leven ten spijt, iets statisch. Alle drie de fenomenen zijn merknamen: je weet met hen en met hun muziek waar je aan toe bent. Dat is de kracht en de zwakte ervan.
Bij de Beatles lag dat anders. De ontwikkeling die deze band tussen 1962 en 1970 doormaakte was fenomenaal. De brave jongens van Love me do en She loves you evolueerden in nog geen decennium tot een band die revolutionaire platen als Revolver en Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band maakte. De laatste is op de Nederlandstalige versie van Wikipedia terecht een ‘mijlpaal’ in de popmuziek genoemd. Je vraagt je af wat er van de Beatles (foto) zou zijn geworden als ze bijeen waren gebleven. Minder dan velen denken, vermoed ik.
De muziek van Paul McCartney is te zoetgevooisd, te braaf, te keurig gebleken om daar nu zo groots over te doen als doorgaans door in adoratie verkerende popjournalisten wordt gedaan. En John Lennon dan? Groots tijdens de Beatles, maar dan vooral door de samenwerking met McCartney, die wel braaf was en is maar in samenwerking met de rebelse Lennon boven zichzelf wist uit te stijgen. En dat gold omgekeerd ook voor Lennon, veel minder groot zonder McCartney dan de popjournalistiek doet voorkomen.
Nee, dan David Bowie, de man die na de Beatles de enige echte revolutionair in de popmuziek kan worden genoemd. Bowie was om te beginnen niet ‘authentiek’, dat wil zeggen: geen eenvoudige bard/rocker/punker/symfonische rockmuzikant, die eenvoudig valt uit te tekenen en uit de verte herkenbaar is aan zijn muziek of aan zijn uiterlijk. Zoals na zijn dood al dikwijls in verschillende variaties werd geconstateerd: Bowie was onveranderlijk veranderlijk.
Laat dat nu de mooie titel zijn van een proefschrift over Harry Mulisch (foto).
Dat boek (van Jos Buurlage) gaat over het maatschappelijk engagement van de schrijver in de jaren zestig en zeventig. Een vergelijking tussen David Bowie en Harry Mulisch? Is dat niet vergezocht? Nee, vergelijken betekent niet alleen het aanwijzen van overeenkomsten maar ook van verschillen. Eerst die verschillen, die zijn er natuurlijk. Bij mijn weten heeft Bowie nooit met het ‘zonnige’ communisme op Cuba gesympathiseerd zoals Mulisch en was hij evenmin modieus links. Verder had de Brit Bowie, die precies een generatie jonger was dan Mulisch (Bowie werd geboren 1947, Mulisch in 1927) heel andere wortels dan de Nederlander-met-joods-Hongaars-Oostenrijkse roots Mulisch.
Maar dan de overeenkomsten. Mulisch ging evenals Bowie voortreffelijk gekleed. Hier geen man in een slecht zittend pak of in een slonzige ribfluwelen broek, maar een heer van stand. Dit is geen detail bij Mulisch, aangezien hij eens schijnt te hebben opgemerkt dat een schrijver die er slordig uitziet ook wel slordige zinnen zal schrijven.
Bowie heeft een reeks van kunstzinnige creaties gedragen die geen eenduidige stijl verraadden, maar dit staat wel vast: de man was immer voortreffelijk gekleed. Mulisch en Bowie hechtten beiden aan vorm, meer dan andere schrijvers of muzikanten.
En dan hun veranderlijkheid. Mulisch was nooit de schrijver van één roman, zoals zijn tegenpool Willem Frederik Hermans. Hij experimenteerde er zijn hele oeuvre door op los. Dat leverde onvermijdelijk minder werk op. Mulisch’ poëzie is niet om naar huis te schrijven. En ook de eenakter over de Koude Oorlog De knop, oorspronkelijk geschreven in 1958 en gepubliceerd in Wenken voor de jongste Dag (1967), is weinig indrukwekkend. Mulisch was heel gevoelig voor de revolutionaire ontwikkelingen van de jaren zestig en zeventig. Op de achtergrond speelde de Tweede Wereldoorlog een grote rol in zijn denken als het grote zwarte gat dat overwonnen moest worden. Tussen 1965 en 1980 maakte Mulisch artistiek gesproken niet zijn sterkste periode door. Maar na die tijd kwam hij sterk terug en publiceerde een reeks boeken van hoog niveau, zoals De aanslag (1982), De ontdekking van de hemel (1992) en het schitterende slotakkoord Siegfried, een Duitse idylle (2001), een roman waarin Hitler en diens (aan Mulisch’ verbeelding ontsproten) zoon ‘Siegfried’ figureren.
Hoe anders was het met de creativiteit van Bowie gesteld in de jaren zeventig en tachtig. Met een even groot oog voor de eigentijdse ontwikkelingen als Mulisch maakte hij symfonische, met veel synthesizers gepaard gaande muziek (Low, Heroes)
, beheerste hij evenzeer als dansbare soul (Young Americans) en liep hij vooruit op punkrock met nummers als Rebel, Rebel en The Jean Genie). Na de jaren tachtig maakte Bowie mindere platen: de soundtrack The Buddha of Suburbia (1993) en Earthling (1997) vind ik althans niet tot zijn beste werk behoren. Maar vriend en vijand zijn het erover eens dat hij na een jarenlange stilte met The Next Day (2013) en zijn laatste werk Blackstar (2016) ijzersterk eindigde.
Het is met Bowie en Mulisch eender: ook hun mindere werk spreekt tot de verbeelding, is hoe dan ook origineel en onvervreemdbaar van de maker zelf. Misschien is de belangrijkste overeenkomst tussen beiden wel deze: de muzikant en schrijver maakten er letterlijk en figuurlijk (een) kunst van om zichzelf uit te gummen, in het niets (lees: hun kunst) te verdwijnen en juist daardoor glorieus te verrijzen.
Bowie en Mulisch hadden uiteindelijk maar één onderwerp: Bowie respectievelijk Mulisch. Ze streefden onsterfelijkheid na door hun kunst en deden dat soeverein. Ze waren beiden uiterst gevoelig voor de ontwikkelingen in hun eigen tijd, dompelden zich er in onder maar vielen er nooit mee samen, daarvoor waren ze te autonoom.
Zoals er lichtjaren verschil staan tussen iemand als de betrekkelijk onzichtbare schrijver en natuurbeschouwer Nescio en de alom aanwezige Harry Mulisch, zo staan er lichtjaren verschil tussen de hardrockband Deep Purple en David Bowie. Nescio was een tamelijk gewone, burgerlijk ogende schrijver terwijl de muzikanten van Deep Purple langharige jongens waren die toevallig goed instrumenten konden bespelen. Nescio zelf was geen kunstwerk, de band Deep Purple evenmin.
Bowie en Mulisch streefden er in hun ‘onveranderlijke veranderlijkheid’ naar niet alleen hun werk na te laten maar ook zichzelf als het ware als merknaam in de hoofden van gewone mensen te tatoeëren. Het was en is goed te zien bij de tentoonstelling David is in het Groninger Museum: heel gewone mensen drommen daar dagelijks samen om zich te vergapen aan de unieke verschijning Bowie.
Wie weleens twijfelt aan de mogelijkheden van de mens zou nog eens aan Bowie en Mulisch moeten denken. Ze werden niet, zoals ‘koninklijke hoogheden’, geboren met gouden lepels in de mond maar in anonieme gezinnen en ontpopten zichzelf tot levende, autonome kunstwerken die de onverbiddelijke tijd althans enige tijd lijken te zullen doorstaan.