Joost Zwagerman, de schrijver die publiekslieveling werd

Zwagerman

Sommige zelfmoorden zijn voorspelbaar, vervelend en gespeend van elke tragiek. Die van Herman Brood bijvoorbeeld, de rock en roll-junkie die vanaf het Hilton hotel de dood tegemoet sprong. Bij Joost Zwagerman ligt dat anders: hij schreef tegen zelfmoord (ook tegen de romantiek die om de zelfmoord van Brood heen hing) en leek juist zeer aan het leven te hangen. Waarom dan toch die zelfgekozen dood? Zijn dood geeft te denken over zijn schrijverschap. Want schrijver wilde hij altijd zijn. Hij was het ook. Maar was hij de schrijver die hij wilde zijn? Een interpretatie. 

gimmick

De zelfmoord van Joost Zwagerman trof mij al evenzeer als zijn debuut. In 1986 las ik een uitgebreide, lovende recensie over De houdgreep in het Utrechts Nieuwsblad. De foto toonde een angry young man die leek te weten wat hij wilde. Zwagermans debuut trof me omdat hij deed waarvan ik vaag droomde: romanschrijver worden. Ik besefte al snel geen talent te hebben voor het schrijven van literatuur. Het vergaat mij zoals het historicus Pieter Geyl verging, al mag ik diens schoenen nog niet poetsen: kortstondige literaire aspiraties en toen de geschiedenis ontdekt als de ware plaats van de hartstocht.

collega's

Hoe dan ook begon ik Joost Zwagerman te volgen. Ik las enkele romans (Gimmick!, Vals licht) en vond die goed, al grepen ze me niet naar de keel, zoals het beste werk van Willem Frederik Hermans en Harry Mulisch. Zwagerman had in de jaren tachtig en negentig, toen zijn romans, gedichten en essays in hoog tempo verschenen, nog de regie. Hij leek ook een eigen stem te hebben, al viel toen al op dat hij voor vrijwel iedere schrijver grenzeloze bewondering aan de dag legde. Zijn essays hadden een eigen toon, al misten vooral die over Amerikaanse literatuur soms distantie.

Met zijn polemiek ‘Het juk van het grote niets’ (opgenomen in de bundel Collega’s van God uit 1993) formuleerde hij een ‘maximaal’ program, gericht tegen huiskamerdichters als de onlangs overleden Tom van Deel. En hij ontmaskerde Volkskrant-criticus Arjan Peters, die in zijn krant vernietigend schreef over De tweeling van Tessa de Loo maar dat boek in een Engelstalig tijdschrift gematigd positief recenseerde. Een zinnige polemiek, want sindsdien hou ik bij lezing van Peters’ recensies in de Volkskrant altijd in het achterhoofd dat hij ook het omgekeerde kan betogen.

Chaos en rumoer

Maar eind jaren negentig moet er iets misgegaan zijn. Misschien moet 1998 als een sleuteljaar worden beschouwd. In dat jaar deed Zwagermans vader een mislukte poging tot zelfmoord. Naar eigen zeggen veranderde die poging het leven van Joost. Rond die tijd stokte zijn romanproductie. Was de zelfmoordpoging van zijn vader daarin van beslissende betekenis of speelde er ook iets anders mee? In zijn laatste interview in HP/De Tijd zei Zwagerman dat hij door toenmalig uitgever Ronald Dietz (De Arbeiderspers) na Gimmick!, Vals licht en De buitenvrouw onder druk werd gezet een nieuwe bestseller te schrijven. Naar eigen zeggen schreef hij destijds met Chaos en rumoer een heel andere roman, nota bene een roman over een schrijver met een ‘Writers block’. Afgaand op zijn bibliografie had hij die niet, maar het uitblijven van succes knaagde toch aan hem, ook al zette hij zich innerlijk af tegen de commerciële verlangens van Dietz. Hoe dan ook zou hij na 1998 nog slechts een roman (Zes sterren) schrijven, over zelfmoord.

Zijn grote tijd lag in de jaren negentig. Hij schreef romans, gedichten en recensies in de bladen die ertoe deden. En hij was een bezienswaardigheid in het uitgaansleven. Hij borrelde regelmatig met A.F.Th. van der Heijden en filosoof/encyclopedist André Klukhuhn in allerlei Amsterdamse cafés, al krijg je de indruk dat hij in dit gezelschap altijd een jongen is gebleven. Iemand die meedeed maar die tegelijkertijd apetrots was dat hij bij de grote meneren mocht aanschuiven.

arnongrunberg

En tegelijk was Zwagerman voor zijn generatiegenoten een voorbeeld. Geen wonder, want hij was een fenomeen: alom aanwezig en gekenmerkt door een verbluffende productiviteit en daarbij ook nog uitermate veelzijdig. Bekend en inmiddels uitgekauwd is dat Giphart na het lezen van Zwagerman (vooral van Gimmick!) schrijver is geworden. Maar langzamerhand evenaarden die generatiegenoten Zwagerman of ze overtroffen hem, zoals de bijna tien jaar jongere Arnon Grunberg, die excentrieker was dan Zwagerman en daarbij ook nog ongrijpbaar.

Dat Zwagerman na zijn matig ontvangen latere romans steeds meer essays ging schrijven, ‘rechtvaardigde’ hijzelf door te verwijzen naar zijn grote voorbeeld John Updike, die eveneens allerlei genres beoefende. Het leek alsof hij zich verdedigde en besefte dat er geen roman meer in zat. Terwijl Grunberg de wereld veroverde met zijn jaar na jaar verschenen romans, legde Zwagerman zich toe op essays. Hij schreef over Fortuyn, de multiculturele samenleving, de teloorgang van links en vervaagde langzaam maar zeker als romancier.

zwagerman 2

Ongemerkt veranderde Zwagerman van een trendsetter in een trendvolger. Zijn kritische zin zat nog in alle ‘maatschappelijke’ artikelen, zijn enthousiasme bewaarde hij voor popmuziek. Dat enthousiasme zat altijd al in hem maar hij was geen allemansvriend (denk aan zijn vete met Anil Ramdas), hoeveel vrienden hij ook had in het literaire wereldje. Na 2010 werd hij – misschien tegen wil en dank – niettemin gaandeweg een literair knuffeldier van Nederland. Daaraan waren zijn optredens op televisie debet. Zwagerman viel zogezegd onder de regie van Matthijs van Nieuwkerk, die hem vroeg of hij zijn belangstelling voor beeldende kunst wilde delen met en uitleggen aan een miljoenenpubliek. Daarmee is niets kwaads gezegd over Van Nieuwkerk en evenmin over DWDD, dat hoe dan ook een knap gemaakt televisieprogramma is. Maar het zegt wel iets over Zwagerman dat hij – die een nieuwe Mulisch wilde zijn – zich ontpopte tot een tweede Pierre Janssen. Ook nu weer: niets ten nadele van Pierre Janssen, maar kunst uitleggen voor een groot publiek is toch iets anders dan schrijver zijn van een imposant oeuvre.

Mulisch

Dat Mulisch (foto) Zwagerman op 15 februari 2010 noemde als zijn opvolger was vleiend voor Zwagerman maar het was ook een kus des doods. Want wat iedereen wist, dat wist ook Zwagerman zelf: er waren inmiddels schrijvers die meer in aanmerking kwamen voor deze kroning, Grunberg in de eerste plaats: dezelfde gekte als Mulisch, dezelfde compromisloze inzet, dezelfde ongrijpbaarheid. Zwagerman reageerde dan ook ongemakkelijk. Hij zou, zei hij, nooit met Mulischiaanse vanzelfsprekendheid zeggen: ‘ik ben een groot schrijver, daar helpt geen moedertje lief aan’.

Waarom had Mulisch hem tot erfgenaam benoemd? Vermoedelijk vooral omdat Zwagerman zijn ijdelheid had gestreeld door veelvuldig bewonderend over hem te schrijven. Heel anders dan Grunberg, die zich dikwijls negatief over Mulisch had uitgelaten, vooral in zijn stukken voor de VPRO-Gids, gepubliceerd onder zijn tweede voornaam Yasha.

zwagerman.3

Uitgerekend in het jaar dat Mulisch Zwagerman tot zijn opvolger bombardeerde ging het definitief mis. Of Zwagerman, evenals Mulisch, talloze affaires met vrouwen had, is mij onbekend. Maar zelfs als hij die had, dan nog lijkt hij van meet af aan een brave huisvader te zijn geweest. Op zijn vijftiende ontmoette hij zijn vriendin, die twintig jaar of langer zijn vrouw en de moeder van zijn kinderen werd. Het vaderschap nam hij serieus, zoals hij ook een trouw bezoeker leek van zijn ouders en schoonouders. Kortom, een keurige, burgerlijke jongen uit Noord-Holland die verzeild raakte in de hoofdstad, meegesleept door kunstkringen aldaar, die hij in Gimmick! een gezicht gaf.

Rond 2010 strandde zijn huwelijk en het lijkt een veilige veronderstelling dat Zwagerman zijn anker kwijt was.Ten diepste lijkt hij een onzekere, sensibele en kwetsbare man te zijn geweest, getekend door faalangst. Dat is niet vreemd en daarmee is ook niets mis. Maar het ging mis toen hij zich na 2010 liet omhelzen als kunstkenner, die Nederland via de televisie betrok bij de beeldende kunst. De kritische zin die hij in zijn essays over schrijvers nog wel aan de dag legde, was als bij toverslag verdwenen.

Geen kunstwerk of Zwagerman vond het prachtig en sprak en schreef erover in soms al te lyrische bewoordingen, die deden denken aan die van een religieuze zendeling die zijn geloof tracht aan te prijzen. De beeldende kunst was een oude liefde van hem, maar leek nu een nieuwe religie te zijn geworden, die hem zowel vervoering als troost bracht. Zwagerman werd de kunstonderwijzer van Nederland en tevens openbaar kunstbezit, waarna hij zijn autonomie verloor.

Mulisch+Zwagerman (4)

Het is ook niet niks: altijd aanwezig zijn en tegelijk je autonomie bewaren. Zijn voorbeeld Mulisch kon dat: altijd aanwezig op radio en televisie en toch autonoom. Mulisch kon alleen zijn, leven zonder publiek en in die tijd grote boeken schrijven. Zwagerman kon dat steeds minder. Hij had publiek nodig. Hij kon er niet meer buiten en lijkt zijn autonomie ook nooit meer teruggevonden te hebben. Zich langdurig terugtrekken in de studeerkamer en een grote roman schrijven – het zat er niet meer in.

Rogi Wieg

Na de mislukte zelfmoordpoging van zijn vader was Zwagerman zijn onschuld al verloren. De dood kwam nog dichterbij toen de depressieve dichter Rogi Wieg (foto) in de zomer van 2015 euthanasie aanvroeg en kreeg. Zwagerman had het thema zelfmoord na de mislukte poging van zijn vader al naar zich toegetrokken. Hij las een hele bibliotheek over het onderwerp, interviewde collega-schrijvers en sprak bij de Nederlandse Spoorwegen zelfs nabestaanden toe die iemand verloren hadden na een sprong voor de trein. David van Reybrouck, met wie hij eind september 2015 in het uitvaartmuseum zou spreken over zelfmoord, zei de dag na Zwagermans zelfmoord (8 september 2015) bij De Wereld draait door dat hij in al zijn boeken over zelfmoord (de roman Zes sterren, de essay- en interviewbundel Door eigen hand) zijn eigen demonen had proberen te bestrijden. Dat lijkt een juiste analyse.

Schoonheid

Hij bestreed zijn demonen tevergeefs, zoals we nu weten. Zijn zelfmoord is een clusterbom in zijn eigen familie. Zijn vader, die een jaar later stierf en boven de rouwkaart zette: ‘de vader van…’ , zal een schuldgevoel hebben hebben gehad, zijn vrouw wellicht evenzeer en zijn kinderen zijn opgezadeld met hetzelfde ‘zelfmoordgen’  waarmee Zwagerman zichzelf opgezadeld had gevoeld door zijn vader. Wat blijft van dit alles? In de eerste plaats de herinnering aan een talent. Maar dat is een herinnering die overwoekerd wordt door de zelfmoord die iets anders doet vermoeden: Zwagerman lijkt de last van het kunstenaarschap niet te hebben aangekund. Schrijven, zeker literair schrijven, is een zwaar beroep en vergt veel van een mens. Het vergt vooral het vermogen van tijd tot tijd kloosterling te zijn en dan weer publiek bezit. En bij dat alles ook nog autonoom blijven.

Harry Mulisch was een grootmeester van de autonomie. Anderen (Hermans, Reve) hielden zich op hun eigen wijze eveneens staande. Waarom? Omdat zij trouw bleven aan zichzelf, zich nooit helemaal weggaven aan hun publiek, geen allemansvrienden werden, geen ademloze bewonderaars. Zwagerman is in diverse media geprezen dat hij zich zo goed verplaatste in anderen en dat mag zeker een kwaliteit worden genoemd. Maar het is niet de eerste kwaliteit waar je aan denkt bij grote schrijvers.

Hermans

Grote schrijvers zijn mensen (Hermans [foto], Mulisch, Vestdijk), die anderen van tijd tot tijd genadeloos op afstand zetten omdat schrijven voor het meisje gaat. Zwagerman was een man van deze tijd: een keurige huisvader, vermoedelijk drijvend op een krachtige vrouw en zonder haar de weg kwijt. Na zijn scheiding raakte hij in een diepe depressie. Het burgerlijke leven was hem eigen, veel meer dan de kunstenaarskringen, hoeveel hij daar ook over schreef en hoe graag hij daarin ook vertoefde.

Zwagerman wilde schrijver zijn in de zin van Mulisch en leek het ook te worden. Maar hij had er uiteindelijk het karakter niet voor: hij was ten diepste onzeker over zijn schrijverschap en wilde voortdurend gelezen en ‘gezien’ worden. Dat werd hij, met zijn bijdragen in vele kranten en op televisie. Vooral zijn verschijning op de beeldbuis maakte hem populair. Mulisch, ook dikwijls te zien, werd daarentegen door velen gehaat als hooghartig, arrogant en onuitstaanbaar. Evenals Mulisch streefde Zwagerman naar ‘onzichtbaarheid’. Bij Mulisch betekende dat: aanwezig zijn waar je kunt, maar in wezen onzichtbaar worden achter een enorm en imponerend oeuvre dat de eeuwen moet doorstaan, lang nadat de mens Mulisch ten grave is gedragen.

zwagerman 2

Zwagerman ging aanvankelijk ook voor die grote greep maar verloor na 2010 de regie op zijn leven en niet minder op zijn schrijverschap. Op het laatst was alleen de publiekslieveling nog over, de televisieconservator, die uitlegt hoe het werk van Mark Rothko en Willem de Kooning moet worden bekeken. Hij heeft dit vermoedelijk zelf heel goed geweten, ermee geworsteld maar het zichzelf nooit durven toegeven. Zwagerman was geen schrijver zoals Mulisch of (nu) Grunberg, mensen die openbaar kunstbezit zijn en tegelijk volledig autonoom.