Pieter Geyl, de erfenis van een hartstochtelijk historicus en polemist

Pieter Geyl 1Alweer een decennium geleden schreef ik een artikel over historicus Pieter Geyl (1887-1966) voor het zogenoemde Kritisch Denkers Lexicon, waarin het leven en het werk van intellectuelen uit de twintigste eeuw werd belicht. Het verscheen in een losbladig boekwerk maar was nooit toegankelijk voor het wereldwijde web. Om de inmiddels vrijwel vergeten Geyl in herinnering te houden publiceer ik het hier nog eens in licht gewijzigde vorm. Bij al zijn tekortkomingen was Geyl namelijk een historicus van formaat. Hij wierp een ander licht op de Nederlandse opstand en toonde zich ook anderszins een eigenzinnig intellectueel. Als democraat onderkende hij bovendien al snel de gevaren van het nationaalsocialisme en het communisme. Kritische lezing van zijn dikwijls polemische boeken en essays is een halve eeuw na zijn dood nog steeds de moeite waard.  

Beknopte biografie

Pieter Geyl werd op 15 december 1887 geboren in Dordrecht. Pieter Geyl 2Hij was de oudste zoon in een gezin dat verder nog twee kinderen telde. Zijn vader Arie Geyl was huisarts, zijn moeder Alida van Erp Taalman Kip huisvrouw. Geyl kende geen gemakkelijke jeugd. Zijn jonge jaren werden overschaduwd door de problemen van zijn vader, die niet alleen last kreeg van depressies maar ook van wanen en psychoses, veroorzaakt door morfinegebruik. Rond 1910 werd Arie Geyl definitief in een zenuwinrichting opgenomen. Hij maakte zelf een einde aan zijn ondragelijk geestelijk lijden door zich in 1912 te verhangen.

Dat Pieter Geyl vanaf 1906 kon gaan studeren, dankte hij aan de financiële steun van zijn familie. Het werd aanvankelijk Nederlands in Leiden. Geyl koesterde als middelbare scholier grote literaire aspiraties en werd daarbij geïnspireerd door zijn schoolvriend P.N. van Eyck (foto).Eyck Waar die zijn dichterlijke doorzettingsvermogen in 1947 bekroond zag met de prestigieuze Constantijn Huygensprijs, gaf Geyl zijn literaire probeersels er al snel aan. Hij stapte over naar de geschiedenis, die hij ging beschouwen als de sleutel tot het leven. Na zijn afstuderen, trok Geyl met een beurs naar Italië voor een promotieonderzoek naar de betrekkingen tussen de republiek Venetië en de Nederlandse republiek in de 17e eeuw. Omdat een academische carrière niet onmiddellijk voor de ambitieuze en eerzuchtige Geyl was weggelegd, zocht hij, na korte tijd als leraar geschiedenis in Schiedam te hebben gewerkt, zijn heil in de journalistiek.

In 1914 aanvaardde hij een correspondentschap in Londen voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Hij viel met zijn neus in de boter: kort na zijn aankomst in Londen brak de Eerste Wereldoorlog uit. Geyl was geen afstandelijke correspondent. Hij koos voluit partij voor de Engelsen. Maar hij koesterde tevens sympathie voor de Ieren, die in 1916 hun nationalistische aspiraties kenbaar maakten. Nationalisme was Geyl niet vreemd, al nam die bij hem een eigen, Groot-Nederlandse gedaante aan. Na een bezoek aan een studentencongres in Gent in 1911 raakte Geyl in de ban van de Vlaamse beweging. Gentse hogeschoolHij streed niet alleen voor gelijkberechtiging van het Vlaams in België, hij ging een stap verder en meende dat Vlaanderen op basis van taalverwantschap bij Nederland behoorde maar daarvan door de grillige loop van de geschiedenis was gescheiden.

Geyl vestigde zich in Engeland met een jong gezin. In 1911 trouwtde hij met Maria Cornelia van Slooten, met wie hij in 1913 een dochter kreeg, Toos genaamd. In Londen werd in 1916 zoon Wim geboren. Geyl bleef tot 1919 correspondent van de NRC. In dat jaar volgde zijn benoeming tot professor of Dutch Studies aan de universiteit van Londen. Tot 1936 combineerde Geyl zijn professoraat met werk voor het Nationaal Bureau voor Documentatie over Nederland. Hij ontwikkelde zich tot een propagandist van de Groot-Nederlandse gedachte en ging in zijn ideologische bevlogenheid soms zover dat hij regelrecht inging tegen de opstelling van de Nederlandse regering.

Op den duur knaagde het verblijf buiten Nederland en verlangde Geyl naar een leerstoel in het vaderland. Na veel gelobby was het in 1936 zover: hij werd benoemd tot hoogleraar in de algemene en vaderlandse geschiedenis na de Middeleeuwen in Utrecht. Geyl 1Van 1936 tot aan zijn emeritaat in 1958 bekleedde hij die post, alleen onderbroken door de oorlogsjaren toen hij door de Duitse bezetter niet alleen als hoogleraar werd ontslagen maar ook in gevangenschap geraakte. De Utrechtse periode bracht Geyl rust en roem. Rust op het thuisfront. Aan zijn slechte eerste huwelijk kwam in 1933 een tragisch einde door de zelfmoord van zijn vrouw. Kort daarop trouwde Geyl met Lien Kremer, met wie hij een relatief gelukkig huwelijksleven kende.

Roem verwierf Geyl vooral na de Tweede Wereldoorlog, nu zijn jarenlange verblijf in Engeland, zijn vele publicaties en zijn pragmatische en liberale kijk op de geschiedenis, die goed op de Angelsaksische denkwijze aansloot, zijn vruchten afwierpen. De roem leverde hem, naast gasthoogleraarschappen aan onder meer de universiteiten van Princeton en Yale, eredoctoraten op in Oxford en Harvard. Als hoogtepunt in de prijzenregen kan evenwel de toekenning van de Nederlandse staatsprijs voor letterkunde worden genoemd. De PC Hooftprijs, die hij in 1958 ontvangt, beschouwde Geyl als een genoegdoening voor zijn mislukte literaire loopbaan. De jury roemde de natuurlijke stijl van zijn essayistisch proza, dat gespeend is van retorisch effectbejag en doeltreffend werd genoemd in zijn vaak polemische strekking.

Geyl bleef tot aan zijn dood op 31 december 1966 publiceren. Het weekblad Vrij Nederland en de het letterkundige tijdschrift De Gids bleven daarbij, naast traditionele vaktijdschriften als Het Tijdschrift voor Geschiedenis en Bijdragen voor de GeschiedenisBGN_005 der Nederlanden, zijn trouwe afnemers.

Intellectuele erfenis

Engagement

Geyl leefde met de pen in de hand. Hij drukte zich uit in verschillende genres: hij scheef gedichten, een detective, essays en historische monografieën. En toch, hoe graag Geyl zelf ook herinnerd zou worden als literator: hij verdient zijn plaats in het Nederlandse culturele leven uitsluitend als historicus. Daarbij treft dat het oeuvre van Geyl altijd is gekenmerkt door een innerlijke spanning, om niet te zeggen tegenstrijdigheid. Geyls oeuvre is doortrokken van een streven naar objectiviteit, maar er spreekt tegelijk een sterk engagement uit. Dat engagement had Geyl als geschiedschrijver meteen in de greep. Het was geen wetenschappelijk engagement. De wetenschappelijke vernieuwingen in de geschiedschrijving die zich in het fin de siècle rond 1900 voltrokken (de brede maatschappelijke geschiedschrijving van Karl Lamprecht (foto)Karl_Lamprecht in Duitsland en de eveneens grensoverschrijdende historiografie van Henri Berr en zijn Revue Historique in Frankrijk) zijn aan de voornamelijk politiek geëngageerde Geyl niet besteed.

Maar één inzicht was Geyl wel uit het hart gegrepen: de klacht die Friedrich Nietzsche zo welsprekend verwoordde in zijn Vom Nutzen und Nachtheil der Historie für das Leben (1874). Nietzsche keerde zich daarin tegen het overdadige historisme dat de geest verstikt en zowel volk als individu alle leven beneemt. Het leidt tot berusting en gemakzuchtig conservatisme. Opgeleid door de hoog bewonderde, te weinig gewaardeerde want te vroeg gestorven Leidse hoogleraar C.H.Th. Bussemaker (foto)Bussemaker, wenste Geyl meer dan een droge opsomming van ‘de feiten’. In zijn oratie Over de waardering van der feiten in de geschiedvorsing en geschiedschrijving (1905) had Bussemaker zonder terughoudendheid niet slechts selectie maar ook waardering voor de feiten bepleit, al mocht dat van hem niet tot overdreven moralisme leiden. Geyl, die zijn leven lang een portret Bussemaker op zijn studeerkamer bewaarde, bekritiseerde de dorre wetenschappelijke geschiedschrijving van zijn tijd op zijn eigen manier in de dertiende stelling bij zijn proefschrift: ‘De moderne wetenschappelijke studie der geschiedenis is niet zonder gevaren voor de karaktervorming harer jeugdige beoefenaren’.

Van zijn promotor, historicus P.J. Blok (foto)Blok, had Geyl een minder hoge dunk. Blok was evenals Bussemaker niet blind voor nieuwe wetenschappelijke inzichten en had bovendien de grote verdienste nieuwe bronnen over de Nederlandse geschiedenis in het buitenland te hebben ontsloten, waardoor een wezenlijke bijdrage aan de geschiedschrijving werd geleverd. Geyls dissertatie over de betrekkingen tussen de Republiek en Venetië kan als een uitvloeisel van Bloks werkzaamheden worden beschouwd. Maar Blok kreeg als geschiedschrijver de handen niet op elkaar. Zijn overzichtswerk Geschiedenis van het Nederlandse volk werd door onder meer Annie Romein- Verschoor ‘onleesbaar’ genoemd. Ook Geyl vond het werk droog geschreven, al bewondertde hij tevens de moed van zijn promotor met zo’n omvangrijk werk te komen. Niet voor niets luidde de twaalfde stelling van zijn proefschrift: ‘Onze geschiedenis heeft dringender behoefte aan synthetische werken – zelfs popularisatie-literatuur – dan aan bronuitgaven’.

 Groot-Nederlandse gedachte

Geyl wilde het werk van zijn beide leermeesters tegelijk combineren en overtreffen. Evenals Bussemaker was Geyl een scherpe geest en, ten diepste, een moralist die pittige oordelen over de geschiedenis niet uit de weg ging. Evenals Blok wenste Geyl een synthetisch werk over de Nederlandse geschiedenis te schrijven. Maar dan geen droge opsomming die zou uitmonden in een onderbouwing van de uitkomst en dus van de status quo: een Republiek die in de zestiende eeuw haar eenheid niet wist te bewaren en die ook na het kortstondige, bij het verdrag van Wenen (1815) opgelegde koninkrijk met België in de gelederen, weer terugkeerde tot haar oude territorium, zij het dat de staatsvorm nu niet langer republikeins maar koninklijk was. Na de kennismaking met de Vlaamse cultuurstrijd en de ontdekking van de Groot-Nederlandse gedachte, wenste Geyl een geschiedschrijving die afrekende met dit finalisme.

Hij schreef een reeks polemieken tegen wat hij nu eens de Klein-Nederlandse en dan weer Belgicistische geschiedschrijving noemde. Onder de Klein-Nederlandse geschiedschrijving liet hij zowat alle Nederlandse historici vallen die de grenzen van het huidige Nederland accepteerden en terug projeerden in de geschiedenis. Bij de Belgische geschiedschrijving is vooral de Gentse hoogleraar Henri Pirenne (foto)Pirenne, die werkte aan een uitvoerige Histoire de Belgique, kop van jut. Geyl verweet Pirenne en diens Nederlandse collega’s (onder wie de Leidse hoogleraar Colenbrander) dan wel de Belgische staat, die geen natie zou zijn, legitimatie te verschaffen – zijn eigen geschiedschrijving was ook niet vrij politieke oogmerken. In de jaren twintig van de vorige eeuw, toen hij zijn polemieken schreef, stond Geyl op zijn minst ambivalent tegenover de staat België. Niet dat Geyl een primitieve politicus was, die zomaar een greep deed uit de grabbelton der historie om zijn eigen doeleinden te ondersteunen. Uit zijn historische visie op de scheiding tussen Nederland en Vlaanderen sprak een diep doorleefde visie, die zijn oorsprong vond in zijn opvatting over de Nederlandse Opstand.

De Nederlandse Opstand

Geyl beschouwde de Opstand niet als een onvermijdelijk gevolg van verschil in levenshouding en vooral geloof, zoals voor hem nogal eens werd verondersteld. Hij betoogde dat de 16e-eeuwse werkelijkheid diffuser was dan historici verkondigden. De scheiding tussen Noord en Zuid achtte hij gelegen in geografische omstandigheden en aan de politieke en militaire verhoudingen. Niet noordelijk calvinisme en zuidelijk rooms-katholicisme, maar rivieren (de Rijn) zouden de scheidslijn vormen. Die rivieren beletten de opmars van de hertog van Parma in noordelijke richting. In het verlengde van deze gedachte keerde Geyl zich tegen het gangbare beeld van de Opstand, die niet alleen door protestantse maar ook door een liberale 19e-eeuwse historicus als Robert Fruin (foto)Fruin werd beschouwd als een Opstand ter wille van (godsdienstige) gewetensvrijheid. De nationalist Geyl beklemtoonde vooral het nationale verzet tegen de Spaanse overheersing en bezag de rol van gedreven godsdienstige minderheden (in het bijzonder calvinisten) met weinig waardering. Hun radicale drijven zou het gematigde eenheidsstreven van ‘de middengroepen’ moeilijk zo niet onmogelijk maken.

In tal van artikelen nam Geyl een voorschot op zijn grote werk Geschiedenis van de Nederlandse stam, dat tussen 1930 en 1937 in drie delen werd gepubliceerd. Vooral zijn artikel De protestantisering van Noord-Nederland (1930) mag vernieuwend worden genoemd. Hij toonde hierin aan dat de Noord-Nederland niet van meet af aan calvinistisch was, maar juist na de val van Antwerpen in 1585 calvinistischer van kleur werd. Met andere woorden: de scheiding had al plaatsgehad, waardoor de calvinisten uit het Zuiden naar het Noorden emigreerden en daar toen pas hun invloed goed deden gelden. En dan nog: in het Noorden bleven het rooms-katholicisme en andere protestantse richtingen meer dan verwaarloosbaar aanwezig. Deze zogenaamde ‘protestantiseringsthese’ was Geyls eerste blijvende bijdrage aan de geschiedwetenschap. Na hem wordt in serieuze kringen nooit meer met hetzelfde gemak over het ‘calvinistische Nederland’ gesproken (‘in serieuze kringen’, want in de volksmond leidt dit stereotype een hardnekkig leven). Het is ook deze protestantiseringsthese, die de rooms-katholieke historicus L.J. Rogier in 1967 lovend heeft doen opmerken dat er een geschiedschrijving voor en een geschiedschrijving na Geyl is.

Geschiedenis van de Nederlandse stam

Na al die polemische schotschriften trachtte Geyl in de Geschiedenis van de Nederlandse StamStam een overkoepelend beeld te schetsen van de verwante volkeren in de Lage Landen. Die verwantschap zag hij gelegen in de taal. Geyl betoont zich hierin een typisch 19e-eeuwse romanticus, die zocht naar een organische groei van een natie. Die nadruk op taal bracht met zich mee dat Geyl een arbitraire streep trok door de Zuidelijke Nederlanden, terwijl toch onwaarschijnlijk mag heten dat het toenmalige bestuur door taal werd verdeeld. Hier wreekt zich de ideologische blik waarmee Geyl terugkeek op het verleden: hij perste dat in zijn Groot-Nederlandse mal en ontkwam ook zelf niet aan enig finalisme, al heeft dat dan een andere kleur dan van zijn tegenstrevers. Geyl constateerde eenheid in de Middeleeuwse Nederlanden, waar die betwijfeld mag worden. En gefixeerd als hij was op de taalverwantschap tussen Nederland en Vlaanderen in zijn eigen tijd, verwaarloosde hij de Waalse gewesten van eeuwen daarvoor.

De verdienste van Geschiedenis van de Nederlandse Stam (de ontrafeling van de mythe van de calvinistische natie) heeft het boek terecht een plaats bezorgd tussen de Nederlandse klassieken. Maar de gebreken springen eveneens in het oog. Misschien blijft de belangrijkste wel het feit dat Geyl een veel meer door ideologie bezield geschiedschrijver is dan hij zelf waar wil hebben. Of had Geyl dat zelf aan het einde van zijn leven ook in de gaten? Feit blijft dat hij zijn geschiedschrijving nooit voorbij het jaar 1798 wist te brengen – ironisch genoeg het jaar waarin de Bataafse Republiek met haar grondwet de grondslag legde voor de eenheidsstaat Nederland zoals wij die nu nog steeds kennen, al heeft het land sedert 1813 dan het aangezicht van een erfelijke republiek. In reactie op de velen die na de Tweede Wereldoorlog op de voltooiing van het werk wachtten, wees Geyl op zijn moeite de (inderdaad enorme hoeveelheid) stof te beheersen en voorts op zijn temperament, die hem liever een essay of nog liever een stevige polemiek deed schrijven. Maar hij leek toch ook door verlegenheid overmand: hoe immers te schrijven over de 19e en 20e eeuw, waarin het Groot-Nederlandse ideaal verder weg leek dan ooit en Nederland en België zich ontwikkelden tot twee afzonderlijke staten?

Het kortstondige, door grootmacht Engeland in 1815 afgedwongen huwelijk tussen de twee staten, dat als buffer tegen continentale concurrent Frankrijk moest dienen, duurde niet langer dan vijftien jaar. Geyl betreurde de scheiding tussen Nederland en Vlaanderen in vele artikelen. Als de verder geachte Koning Willem I (foto)Willem 1, die in de korte tijd van zijn regeerperiode over Noord en Zuid zoveel voor de industriële ontwikkeling van het zuidelijk deel deed, nu maar een minder tactloze godsdienstpolitiek had gevoerd, dan zou de Belgische Opstand (1830) naar Geyls stellige overtuiging zijn voorkomen.

Maar het is de vraag of hier niet de wens de vader van de gedachte was. In werkelijkheid waren Noord en Zuid tot 1815 meer uit elkaar gegroeid dan Geyl voor waar wilde hebben. In elk geval vormde de voor hem weinig aanlokkelijke geschiedenis van Nederland en België van de laatste twee eeuwen geen stimulans alle krachten aan de voltooiing van zijn Geschiedenis van de Nederlandse Stam te geven. Wel bleef de Vlaamse kwestie Geyl levenslang boeien. Hij hield de kranten en weekbladen ook na de Tweede Wereldoorlog goed bij en hij zorgde op politiek getinte bijeenkomsten soms nog voor commotie. De meeste opschudding ontstond in 1962, toen hij de jaarlijks terugkerende en zeer omstreden IJzerbedevaart opluisterde met een rede, waarin hij onder meer een gematigde behandeling bepleitte van Vlaamse collaborateurs. Wetenschappelijk beschouwd had hij evenwel niet veel meer toe te voegen aan zijn Groot-Nederlandse geschiedenis en ideaal, dat ook door de Europese integratie na 1945 een illusie bleek te zijn.

Regenten versus orangisten

Een tweede thema dat Geyl levenslang in beslag nam, was de tegenstelling tussen regenten en orangisten. Ook dit thema ontwikkelde Geyl al vroeg en ook nu ging hij in tegen de gevestigde historische orde, die hij opnieuw finalisme verweet. Wel waren de oogmerken in dit geval niet politiek, maar louter historiografisch. Hoewel bepaald geen fan van het koningshuis in zijn tijd, was Geyl met genoeg realiteitszin begiftigd om geen groot thema te maken van een republikeinse staatsvorm. In zekere zin lag dit tweede thema in het verlengde van het eerste. Waar Geyl de gedachte over Nederland als protestantse natie bestreed, daar keerde hij zich tevens tegen de gedachte dat de Oranjedynastie onverbrekelijk met die natie verbonden was. Protestantse maar ook liberale historici voor hem betoogden dat de Oranjes door de eeuwen heen de nationale eenheid hadden bevorderd. Daartegenover werden de regenten niet zelden afgeschilderd als belangenbehartigers, zowel van hun handelsbelangen als van het eigen gewest Holland. Liberale historici als Fruin, Blok en Colenbrander, die wel waardering hadden voor de regenten, beklemtoonden niettemin de nationale rol van de Oranjes.

Geyl kwam hiertegen al vroeg in het verzet. Waardoor zijn hardnekkige verzet aanvankelijk werd ingegeven, is niet gemakkelijk te verklaren. Kon bij zijn Groot-Nederlandse engagement nog gewezen worden op zijn bezoek aan het Gents studentencongres, zijn levenslange pleidooi voor een gunstig oordeel over de regenten kan niet zo eenduidig worden verklaard. Met een knipoog kan gesteld worden dat zijn ouderlijk huis debet was aan dit voor die tijd opmerkelijk onafhankelijk oordeel. Dat huis stond per slot van rekening in Dordrecht, die vanouds sterk republikeinse georiënteerde stad. Belangrijker lijkt de invloed van zijn vader, een door Multatuli geïnspireerde vrije geest, die zich op zijn vakgebied (de geneeskunde) ook niets gelegen liet liggen aan heilige huisjes.

Zijn deze overwegingen voornamelijk speculatief, een belangrijk en hard gegeven is dat Geyl vanaf 1914 (tijdens zijn verblijf in Engeland) toegang had tot tal van Engelse bronnen, die inzicht gaven in de dynastieke betrekkingen tussen Oranjes en het Britse koningshuis en de Britse politiek. Parallel aan zijn ‘Groot-Nederlandse’ studies schreef Geyl een aantal verhandelingen over de betrekkingen tussen de Oranjes en het Brits Koningshuis in de 17e eeuw. Explosieve studies, die hij aaneen smeedde in het lijvige werk Oranje en StuartOranje en stuart (1939) na zijn terugkeer in Nederland. Het boek veroorzaakte grote commotie. De directeur van het Koninklijk Huisarchief, N. Japikse, vond Geyl zo vooringenomen tegen de Oranjes dat een poging tot weerlegging de moeite niet loonde. Opschudding veroorzaakte Geyl al eerder  met Willem IV en Engeland (1924), nog altijd één van de weinige studies over de internationale politiek van de Republiek in het midden van de 18e eeuw. De voorganger van Japikse als directeur van het Koninklijk Huisarchief, F.J.L. Krämer, reageerde als door een wesp gestoken. Hij oordeelde het onaanvaardbaar dat Geyl Willem IV als een zwakke figuur afschilderde en meende dat de Oranjedynastie onheus werd bejegend. Geyl deed de reactie schouderophalend af: kon hij er wat aan doen dat Willem IV een politiek zwakke figuur was?

Bij de terechte correctie van het al te verheven beeld van de Oranjes dat oprees uit het werk van zijn voorgangers, moet ook gezegd dat Geyl soms een te groot verhaal maakte van de dynastieke belangen van de Oranjes. In de vroegmoderne tijd (en overigens ook in onze tijd) zijn ‘politieke’ huwelijken bij alle Europese vorstenhuizen eerder regel dan uitzondering. Overigens koesterde Geyl geen blinde afkeer voor de Oranjes. Hij oordeelde weliswaar kritisch maar ook met waardering over stadhouder-koning Willem III en achtte koning Willem I, zoals eerder opgemerkt, een capabel vorst. Hij stond evenmin kritiekloos tegenover de regenten, al overheerste waardering voor hun veel meer nationale streven dan in de historiografie voor hem was aangenomen.

De Colenbrander-affaire

In Willem IV en Engelandwillem_iv_en_engeland nam de confrontatie tussen de ‘zwakke’ Willem IV en de Doelisten, een democratische beweging die zich in 1748 duchtig roerde, een belangrijke plaats in. De 18e eeuw, de eeuw van de Verlichting, die ook in christelijk Nederland tot in de theologie toe zijn sporen trekt, boeide de even rationalistische als rebelse Geyl zeer. Van de Doelisten was het dan ook maar een kleine stap naar de eind 18e eeuw optredende Patriotten. Een stap, die voor de polemische Geyl nog aantrekkelijker werd toen hij (polemist die hij was) ontdekte dat eerdere historici de opstandige beweging (1780-1798) hadden afgeschilderd als imitatie van de Franse Revolutiebeweging, die in 1789 zo ruw een einde maakte aan het Ancien Régime.

Dat de liberale historicus Colenbrander (foto)Colenbrander opnieuw kop van jut was, mag om meerdere redenen pijnlijk worden genoemd. Niet alleen omdat Colenbrander al was aangevallen om zijn Klein-Nederlandse standpunt, maar ook omdat hij zwaar beschadigd was geraakt door de affaire waarmee sinds 1933 zijn naam was verbonden. Op 6 januari 1933 sprak Colenbrander in het groot-auditorium van de Leidse universiteit een herdenkingrede uit ter gelegenheid van het feit dat vierhonderd jaar daarvoor Willem van Oranje was geboren. Toen de bijdrage korte tijd later werd gepubliceerd in De Gids viel P.N. van Eyck onmiddellijk plagiaat op: Colenbrander had grote delen van zijn rede zonder bronvermelding overgeschreven uit Histoire de Belgique van Pirenne. Na zijn oude boezemvriend Geyl ervan op de hoogte te hebben gesteld, besloten beiden het schandaal wereldkundig te maken. Het vervolg geeft een merkwaardig inkijkje in de Nederlandse mentaliteit van die (?) dagen: hoewel onomstotelijk vastgesteld werd dat Colenbrander het plagiaat had pleegd, kregen de boodschappers de schuld. Niet alleen Leidse studenten protesteerden, achter de hand werden Geyl en Van Eyck uitgemaakt voor scherpslijpers, die het voorzien hadden op een weerloze oudere collega. En het is waar: Van Eyck werd gedreven door rancune, na eerder in diezelfde Gids plaatsing van een artikel te zijn geweigerd.  Geyl liet, geërgerd door Colenbranders Klein-Nederlandse visie, niet na dit plagiaat ten volle uit te buiten.

De Patriottentijd

En toch, hoe pijnlijk ook de derde en belangrijkste aanval op Colenbrander – historiografische overwegingen gaven de doorslag en zijn voor de geschiedschrijving van de Patriottentijd van groot belang gebleken. Colenbrander wijdde aan het eind van de 19e eeuw een uitvoerige studie aan een tot dan toe verwaarloosde geschiedenis. In De Patriottentijd, hoofdzakelijk naar buitenlandse bescheiden verschafte Colenbrander niet alleen een karrenvracht aan archiefgegevens over dit turbulente tijdvak, maar gaf hij tevens een scherpe interpretatie: de Patriottentijd zou vooral zijn geënt op het Franse Verlichtingsdenken. In beslag genomen door de Opstand en de 17e eeuw, stond de Patriottentijd lange tijd in de marge van Geyls belangstelling. Dat veranderde onder invloed van de Tweede Wereldoorlog. Eerst dan raakte hij geboeid door de 18e-eeuwse revolutionairen, die oppervlakkig beschouwd gelijkenis vertoonden met NSB-ers. Waren de Patriotten geen vijfde colonne van de vreemde mogendheid Frankrijk, zoals Nederlandse nationaal-socialisten handlangers van het Derde Rijk? Nee, schreef Geyl kordaat: anders dan de NSB kon de Patriottenbeweging onmogelijk landverraad worden verweten.partriotten

Ook nu speelde Geyl de troefkaart van het nationalisme: de Patriotten zouden veel meer eigen kenmerken hebben dan het gekoketteer met het Franse Verlichtingsdenken deed vermoeden. Geyl nam niet de Verlichting maar, heel prozaïsch maar daarom niet minder reëel, de Vierde Engelse Zeeoorlog (1780) tot uitgangspunt: de mislukking daarvan zouden de emoties tot het kookpunt hebben gebracht. Dat was iets nieuws en leidde tot nader onderzoek naar de Patriottentijd. Ofschoon in Nederland in proefschriften en andere wetenschappelijke verhandelingen nog altijd wordt voortgeborduurd op Geyls stelling dat Nederland eind 18e eeuw een heel eigen revolutie doormaakt, is later voorgesteld dit perspectief te vervangen door een ander. De Nederlandse revolutie zou eind 18e eeuw vooral uniek zijn geweest omdat de samenleving veranderde van een stedelijke samenleving naar één waarin de agrarische verhoudingen opnieuw hun rechten kregen. Hoe dit ook zij, Geyl komt de verdienste toe de te gemakzuchtige aanname dat de Nederlandse revolutie een afgeleide van de Franse zou zijn te hebben doorbroken. Anders dan zijn studies naar de Groot-Nederlandse beschaving en de tegenstelling tussen patriotten en regenten, die Geyl grotendeels voor 1940 verrichtte, werkte hij zijn stellingen over de Patriottentijd na 1945 uit – tot in het laatste en derde deel van zijn Geschiedenis van de Nederlandse stam toe.

Geschiedfilosoof

Toen dat deel werd gepubliceerd (1959), was Geyl uitgegroeid tot een historicus met een internationale reputatie. En wat meer was: de historische wereld sloot hem vooral in de armen als geschiedfilosoof. Die reputatie verwierf hij door zijn radiodiscussies met de gevierde Britse historicus Arnold Toynbee (foto)Arnold-Toynbee, auteur van het twaalfdelige werk A Study of History (1934-1961). Daarin ontwikkelde Toynbee een speculatieve geschiedbeschouwing, waarin hij beschavingen zag opkomen en ondergaan – opkomst en ondergang, die Toynbee aan de hand van de begrippen ‘uitdaging’ en ‘antwoord’ trachtte te duiden. Anders dan de veel met hem vergeleken Duitse geschiedfilosoof Oswald Spengler kan Toynbee geen pessimist worden genoemd. Hij zag niet louter verval van beschavingen maar meende dat er in de Westerse beschaving een kracht is, die hoop en verwachting wekte: het christendom.

Kan Toynbee een geschiedfilosoof worden genoemd, Geyl verdient die titel nauwelijks. Hij was een pragmaticus pur sang, wars van speculatie en vooral van ‘historische lijnen en patronen’, die door de christenen en marxisten van zijn dagen niet zelden werden ontwaard. Zijn tijdens de oorlog geschreven maar pas in 1946 gepubliceerde Napoleon. Voor en tegen in de Franse geschiedschrijvingnapoleon p geyl bevatte de gevleugelde woorden: ‘Men kan de geschiedschrijving opvatten als een discussie zonder eind’. Daarmee bedoelde Geyl niet een eindeloos geharrewar van meningen, dat tot niets zou leiden. Nee, discussie draagt juist bij aan vooruitgang in de geschiedwetenschap, al is vooruitgang een woord dat Geyl wantrouwde. Want iedere discussiebijdrage mag dan maar een deel van de waarheid bevatten, de som van de delen is groter naarmate er meer aan de discussie wordt bijgedragen.

In Napoleon kwamen kracht en zwakte van zijn geschiedopvatting en werkwijze goed tot uitdrukking. Uit de studie bleek niet alleen Geyls fabelachtige belezenheid, maar ook zijn vermogen de opvattingen van de 19e en 20e eeuwse Franse auteurs over de keizer zo te ontrafelen dat de lezer duidelijk wordt welke bijdrage de auteurs leverden en wat zij toevoegden aan het beeld van Napoleon.

Een geboren scepticus was Geyl dus niet, al maakte zijn boek op Jacques Presser (de Amsterdamse historicus, die in 1940 een sterk geëngageerde studie over  Napoleon publiceerde) een al te afstandelijke indruk, ‘tot aan de grens van onaandoenlijkheid toe’. Napoleon is één van de studies van Geyl, waarvan de toon in overeenstemming is met het liberale uitgangspunt. Een ander is zijn veelgeprezen studie over De Amerikaanse burgeroorlog en het probleem der onvermijdelijkheid (1949), waarin hij een vergelijkbaar overzicht geeft van de verschillende opvattingen over onder meer de afschaffing van de slavernij. Maar veel vaker treft een paradox in zijn werk. Intellectueel manifesteerde Geyl zich als liberaal geschiedschrijver (iets dat hij ook was), maar hij deed dit met zoveel temperament en overgave dat het liberalisme ook iets van een (seculier) geloof had.

De ‘gelovige’ Geyl trad al aan de dag in zijn ideologisch getinte Groot-Nederlandse geschiedschrijving, maar was na de oorlog in historiografische beschouwingen versluierd ook terug te vinden. Het bleek vooral in zijn confrontatie met een protestantse historicus als Guillaume Groen van Prinster (foto)NCRD01_156464853_X. Diens protestants-christelijke uitgangspunt liet de Nederlandse geschiedenis soms al te gemakkelijk vallen onder de banier van het ‘drievoudig snoer’ God, Nederland en Oranje. Maar de bezwaren van Geyl gaan verder. Hij kan de protestantse beginselen in wezen niet aanvaarden en stelde er zijn liberale beginselen met zoveel overtuiging tegenover dat de ‘discussie zonder eind’ soms iets krijgt van een discussie tussen doven.

Kritiek op Arnold Toynbee en Jan Romein

Discussies tussen doven waren ook de geruchtmakende polemieken met Toynbee en met zijn Amsterdamse collega Jan Romein. Toynbee’s historische bouwwerk werd door Geyl steen voor steen onderzocht. Telkens weer trok hij een steen uit het bouwwerk en meende dat het om die reden zou (moeten) instorten. In veel gevallen had Geyl gelijk. Steunend op het werk van sinologen toont Geyl aan dat Toynbee’s epos over de Chinese beschaving aan alle kanten rammelde. Geyl plaatste zo kanttekeningen bij de denker Toynbee. Nuttige, zelfs onontbeerlijke kanttekeningen – maar kanttekeningen.

Zo was het ook in zijn jarenlange polemiek tegen Jan Romein (foto)Jan Romein. Deze historicus zocht zijn leven lang naar eenheid en samenhang in de geschiedenis. Sterk beïnvloed door het marxisme (Romein beschouwt de Russische revolutie als de belangrijkste gebeurtenis van zijn tijd) geloofde hij dat iedere tijd zijn eigen vragen stelt. Bij Romein was dat geen dooddoener. Hij voegde er een gedachte aan toe: er zou zoiets als een ‘tijdgeest’ bestaan. Objectiviteit was dan wel niet mogelijk als iedere tijd zijn eigen vragen stelde, er zou toch wel iets van een objectiviteit in hogere zin bestaan: de tijdgeest. Het historisch materialisme leerde Romein dat maatschappijen stadia doorliepen. Bij ieder stadium behoorde een tijdgeest. In de burgerlijke samenleving van zijn tijd was de toekomst aan arbeiders en boeren. De historicus moest schrijven vanuit engagement met deze krachten der toekomst. Geyl verafschuwt deze gedachte, die hij niet alleen als te dwingend maar ook als te beperkend terzijde stelde. Geyl vreesde de veelheid der verschijnselen niet maar juichte die veeleer toe.

Daarom moest hij niets hebben van de oratie Het vergruisde beeld, die Romein in 1939 uitsprak bij zijn aantreden als buitengewoon hoogleraar vaderlandse geschiedenis in Amsterdam. Romein hield daarin het onderzoek naar de oorzaken van de Nederlandse Opstand tegen het licht. Hij kwam tot een tweedelige conclusie: het almaar voortschrijdende onderzoek had niet geleid tot overeenstemming maar juist tot toenemende verdeeldheid in de verklaringen van de Opstand. Dat deel van zijn verhaal leidde tot ergernis bij Geyl, die Romein ook nu weer van eenheidsstreven verdacht en zelfs totalitaire tendensen toedichtte: in een vrije samenleving gaat het onderzoek immers alle kanten op en zo hoorde het volgens Geyl ook te zijn. In zijn ergernis zag Geyl het andere deel van Romeins betoog over het hoofd, zo heeft de Vlaamse historicus Jo Tollebeek (foto)Jo Tollebeek overtuigend aangetoond. Romein plaatste nóg een kanttekening bij het specialistische onderzoek: door al het graaf- en spitwerk in de bronnen verdwijnt ieder beeld van de Opstand naar de achtergrond. Romein betreurde dit en zou Geyl op dit punt aan zijn zijde hebben gevonden als deze de oratie minder opgewonden had gelezen.

Geyl immers had zich zijn leven lang ingespannen een nieuw beeld te schetsen van de (Groot- Nederlandse) geschiedenis, iets dat hem ook (hoewel onvoltooid) ook is gelukt. En hij mocht dan de veelheid der verschijnselen roemen, kleinschalig onderzoek en vooral minimale conclusies waren niet aan hem besteed. Zo heeft Geyl had met zijn tegenpolen Toynbee en Romein meer gemeen dan zich op het eerste gezicht laat aanzien. Evenals zijn generatiegenoten was Geyl een hartstochtelijk geëngageerd geschiedschrijver, al was zijn thema dan niet christelijk Europa of een op socialistische leest geschoeide samenleving, maar de Groot- Nederlandse gedachte. En evenals zij was Geyl een man van het grote gebaar, iemand die een visie wilde laten doorklinken op de geschiedenis – voor hem niet minder dan ‘de sleutel tot het leven’.

Afrekening met Huizinga

Johan Huizinga (foto)Huizinga, Nederlands beroemdste historicus, was dit temperament vreemd. Het temperament, niet de levensvisie. Want evenmin als Geyl moest Huizinga iets hebben van het eenheidsstreven van zijn leerling Jan Romein of van het cyclische denken van Toynbee, al stond diens christelijk denken hem nader dan Romeins marxisme. Huizinga was evenals Geyl een liberaal in hart en nieren. Maar dan één van de weemoedige soort, iemand die met een melancholische blik naar de geschiedenis keek. Die sloot standvastigheid niet uit, zoals Huizinga’s optreden als rector magnificus van de Leidse universiteit in de jaren dertig bewees. Maar de pessimistische grondtoon was toch onmiskenbaar. Die kwam vooral naar voren in In de schaduwen van morgen (1935), waarin Huizinga (naar de ondertitel) ‘een diagnose van het geestelijk lijden van onzen tijd’ wilde leveren.

De historicus zag overal verval: van het parlementaire systeem, bedreigd door fascisme, nationaal-socialisme en communisme, van de wetenschap, geperverteerd door dienstbaarheid aan het totalitaire denken – en verval van zeden en moraal in het algemeen. Het mag geen verbazing wekken dat Geyl de staf brak over dit pessimisme. Wat wel verrassend mag heten, is de intense afrekening met Huizinga, die na inleidende lippendienst (‘een ongemene en een belangrijke verschijning, dat blijft hij’) bladzijden lang volgt. Geyl zette de aanval op zijn befaamde voorganger welbewust in.

Na zich al eerder in hem te hebben verdiept, achtte hij in 1961 de tijd rijp Huizinga als aanklager van zijn tijd huizinga-als-aanklagerop zijn beurt aan te klagen. In een breed palet schetste hij Huizinga als een ten diepste irrationele figuur, die zich, zijn rationele werkwijze ten spijt, zou verliezen in cultuurpessimisme en gespeend zou zijn van het inzicht dat cultuurpessimisme van alle tijden is – voor Geyl een vanzelfsprekende gedachte. Meer nog: Geyl was zo verbonden met de Westerse, rationalistische beschaving die in Europa sedert de 18e eeuw de overhand kreeg, dat hij iedere aanval op de veerkracht van die beschaving geharnast tegemoet trad. Hij schroomde zelfs niet Romein bij te vallen in diens kritiek op Huizinga’s gebrek aan strijdbaarheid. Een bewijs te meer dat Geyl en Romein met hun hartstochtelijk engagement ver afstonden van het wat deftige en professorale engagement dat Huizinga ten toon spreidde.

Kind van de twintigste eeuw

Het is dan ook niet geheel juist Geyl ‘de laatste van de grote negentiende-eeuwse historieschrijvers’ te noemen, zoals wel gebeurt. Gedoeld wordt dan op Geyls voornamelijk politieke geschiedschrijving, die gekleurd was door liberaal pragmatisme en zijn uitdrukking vond in het verhaal. Zo bezien bevat die constatering een kern van waarheid. Maar er valt nogal wat op af te dingen. Alleen al door zijn heftige engagement onderscheidde Geyl zich van een voorganger als Robert Fruin en zelfs van Huizinga: zijn politieke streven ging alle grenzen van het veelal bezadigde historische bedrijf ver te buiten en moet typisch 20e-eeuws worden genoemd, als de 20e eeuw tenminste met de Britse historicus Eric Hobsbawm wordt opgevat als een ‘eeuw van uitersten’, waarin oorlogen en totalitaire ideologieën regeerden die om een massief engagement vroegen.Pieter Geyl 3

In de 21e eeuw valt op hoezeer Geyl een kind van de vorige eeuw is geweest. In die eeuw drukte Geyl een geëngageerd stempel op de Nederlandse geschiedschrijving. Vrijwel al zijn werk over het verleden, schreef Geyl vanuit een diep gevoelde betrokkenheid bij de eigen tijd en haar problematiek, zoals hij die allereerst tot uitdrukking zag komen in de scheiding tussen Nederland en Vlaanderen, maar ook in het continentale Europa, dat in zijn ogen niet buiten de Angelsaksische wereld kon. Als ‘historicus in de tijd’, zoals één van zijn boektitels luidde, kan Geyl niet slechts een geëngageerd intellectueel van de 20e eeuw worden genoemd, maar ook een erflater van onze beschaving. Zelfs de uitvinder van dat begrip, zijn tegenspeler Jan Romein, zou volmondig met die constatering hebben ingestemd.